zilveroog (fantasieverhaal)

Een tijdje geleden ben ik met dit verhaal begonnen, vandaag vond ik het terug en ik ben benieuwd wat anderen er van vinden en of ik verder moet gaan xD
Proloog

Sterren vonkelden aan de donkere hemel, de handen van de tovenaar trilden toen hij pakje van de grond pakte.
Hij hief zijn handen boven zijn hoofd en begon te mompellen, hordes woorden stromende uit zijn mond.
Zweetdruppeltjes parelden over zijn hoofd, hijgend liet hij het pakje zakken.
Een bliksem flits scheurden de hemel even in tweeën, heel even maar.
Een zwarte wolf kwam het duivels plateau op, met zijn groene ogen keek hij de tovenaar aan.
Zijn staart zwiepten, de tovenaar legde het pakje op de grond en wond er een koord met een rode agaat om.
Geduldig wachten de wolf tot dat de tovenaar klaar was, toen pakte hij het pakje in zijn bek.
Hij rende het plateau af, zo hard hij kan stormde hij door het donkere bos.
In de verte doemden het stadje op, voorzichtig sloop de wolf door de donkere straten.
Toen bleef hij staan, het uithangbord boven zijn hoofd klapperden.
De wolf opende zijn bek en liet het pakketje voor de deur vallen.
Even liet hij een huil horen daarna schoot hij de straten door het donkere bos weer in.

Hoofdstuk 1

Plat op haar buik lag Prata in de droge sloot, haar ogen gleden zoekend over de weg.
Diep van binnen wist ze dat het geen nut meer had, de laatste tijd kwamen er nauwelijks meer mensen door het bos, en anders hadden ze niks bij zich.
Iedereen wist dat ze hier waren toch waren de ridders van Verda er nog niet in geslaagd ze te pakken.
Ze zuchten, voorzichtig ging ze verzitten in de hoop dat haar voet op hield met prikken.
Door het woud weerklonk het getrappel van paardenhoeven, onmiddellijk blies Prata hard op het fluitje dat aan een koortje om haar hals hing.
De schele klanken waren in het hele woud te horen, snel wierp ze een blik op de boom waarin Amato zat.
Ze zag dat deze zijn boog spanden, voorzichtig schoof Prata verder naar de rand van de sloot.
De hele weg was nu zichtbaar, in de verte zag ze een stoet paarden aan komen.
Onmiddellijk blies ze twee korte tonen op het fluitje.
Amato dook in elkaar in de boom, toch hield hij zijn boog gespannen voor het geval dat.
De stoet paarden denderde langs op hun ruggen zaten de Escuro’s zou werden de ridders van Verda genoemd.
Diep in een gedoken lag Prata tegen de rand van de sloot, het droge zand van de weg stoof op en kwam weer neer.
Met moeite lukte het haar niet in hoesten uit te barsten, toen de Escuro’s eindelijk weg waren haalden ze opgelucht adem.
Amato kwam met een plof op de grond en liep naar haar toe, “Gaat het?” vroeg hij voorzichtig.
Prata knikte en klopte het zand van haar kleren, “Zullen we maar terug gaan?” vroeg ze toen.
Amato knikten, “De kans dat er nog iemand komt is klein” zei hij.
Samen liepen ze over het mulle zand, Prata likte langs haar droge lippen.
Haar keel voelden aan als schuurpapier, “Hopelijk hebben ze in de grot wat te drinken” zei ze.
Amato knikte, allebei staarden ze naar het uitgedroogde beekje twee maanden geleden stroomden daar nog fris bergwater, nu was dat verdwenen.
Eigenlijk was al het water in Glena verdwenen, het had al twee maanden lang niet meer geregend.
Ook kwam er geen water meer van het Dragoes gebergte meer, volgens de mensen uit Glena ruste er een vloek.
“Denk jij dat het waar is van die vloek?” vragend keek Prata haar vriend aan.
Hij haalden zijn schouders op, “Ik ben niet zo bijgelovig” zei hij, hij glimlachte.
Prata streek een van haar blonden lokken achter haar oor, ze waren nu vlakbij de afgrond.
Hier was de grot, als je niet wist waar hij was zou je hem niet kunnen vinden.
Voorzichtig liet Prata zich over de rand zakken en klom via de steile wand van de berg omlaag.
Amato klom enkele meters boven haar, als een van hun viel, viel die te pletter op de rotsen bodem.
Een rilling liep over haar rug, voorzichtig klom ze naar de grot.
De ingang zat ongeveer halverwege de steile berg wand, met een zachte plof landen Prata op de harde vloer van de grot.
Samen met Amato liep ze de enorme grot in, “Heej zilver nog wat gevonden?” riep een van de rovers naar haar.
Ze schudden haar hoofd, terwijl ze uit de houten kast die tegen de wand stond een kruik water trok.
Gulzig dronk ze het lauwe water, “Laat ook wat voor mij over Pra” zei Amato lachend terwijl hij de fles uit haar handen trok.
“Ja kinders, jullie moeten eerlijk delen en wijn mogen jullie nog niet” zei Salteon de zelfde die haar net zilver noemden.
Prata zuchten diep, Amato en zei waren de jongste van de rovers bende.
Amato was 16 zomers en zei zelf 14 bijna 15, ook was ze het enige meisje.
Ze voelden Amato’s hand op haar schouder, zacht fluisterde in haar oor “Trek je maar niks aan van die ouwe zuiplap”
Prat schoot onmiddellijk in de lach, samen met hem vertrok ze naar de kleine kookruimte.
Daar liet ze zich op de grond vallen, met haar hoofd steunden ze tegen de stenen wand van de grot.
“Heej zilveroog maak eens wat eten!” brulde Ladro een van de 6 rovers.
“Ik heet Prata!” siste ze boos, terwijl overeind sprong.
Boos beenden naar de uitgang van de grot en klom razendsnel omhoog.
Waarom werd ze altijd als slaafje behandeld?
Plots schrok ze op uit haar eigen gedachten, met haar zilveren ogen keek ze angstvallig om zich heen.
Een pik zwarte wolf kwam uit de bosje tevoorschijn.
Angstig deinsde Prata achteruit, de wolf keek haar met zijn groenen ogen geruststellend aan.
Een raar gevoel borrelden op in haar buik, voorzichtig liep ze op de wolf af.
Om zijn hals zag ze wat glinsteren, voorzichtig knielde ze neer ze keek de wolf nu recht aan.
Er gleed een tinteling door haar lichaam, voorzichtig gleed ze met haar hand door de zachte vacht van de wolf.
Deze liet het gewillig toe, terwijl hij elke beweging van haar nauwkeurig volgden met zijn groene ogen.
Langzaam gleed Prata met haar hand, naar zijn hals en maakte het koortje rond zijn nek los.
“Hoe komt dat nou aan je nek?” zei ze verbaasd, toen pas zag ze het kleine stukje perkament dat aan het koortje vast zat.
Voorzichtig haalden ze het van het koortje af en rolden het open.
Twijfelend keek ze naar de letters op het papier, ze kon niet lezen en haar gevoel zei haar dat ze het niet aan een van de rovers mocht vragen zelfs niet aan Amato haar beste vriend.
Ze zuchten, “Waarom breng je me dit?” vroeg ze zacht aan de wolf, deze hield zijn kop schijn en keek haar strak aan.
Toen zei een zachte stem de tekst op die op het stukje perkament stond, ‘In de duisternis staat boven iemand te wacht. Hij wacht op de genen met het zilveren hart’
Prata’s ogen werden groot, “Zei jij dat?” fluisterde ze, terwijl ze zacht door de vacht van het zwarte beest aaiden.
De wolf leek te knikken, Prata keek weer even naar het stukje perkament en herhaalden de woorden die erop stonden.
‘In de duisternis staat boven iemand te wacht. Hij wacht op de genen met het zilveren hart’ twijfelend keek ze naar de zon, die langzaam wegzakte achter de bergen.
“De duisternis zal wel vannacht beteken boven is boven de grot, en de genen met het zilveren hart ben ik toch?” zei ik zacht terwijl ik de wolf aan keek.
Deze knikte weer, zacht streelden Prata weer door de donkere vacht.
Ineens hoorden ze voetstappen naderen, met een ruk draaiden ze zich om.
Achter haar stond Amato hij had zijn boog gespannen en richten op de wolf.
Onmiddellijk sprong Prata overeind, “Niet schieten!” riep ze, strak keek ze hem aan.
Langzaam liet Amato zijn boog zakken, met grote ogen keek hij het meisje aan.
“Waarom niet?” zei hij toen, de wolf was ondertussen in het struikgewas verdwenen ze stonden nu met zijn tweeën op de open plek.
“Omdat hij niks deed” zei ze zacht, het stuk perkament hield ze verstopt in haar hand.
Onderzoekend keek hij haar aan, “Echt?” vroeg hij toen.
Prata knikte, zuchtend haalden Amato zijn schouders op.
“Kom” zei hij toen, samen slenterden ze terug naar het ravijn en klauterden via de rotswand weer naar de grot.
Met een zachte plof landen ze op de harde grond van de grot, onmiddellijk liep Duto op ze af.
In zijn zwarte baard zat zand en zijn ogen stonden moe.
“Zo daar zijn onze kleintje kommen jullie mee?” zei hij.
Gedwee knikten ze terwijl ze achter de roverhoofdman aanliepen.
Allebei dachten ze na over wat er net gebeurd was, Amato dacht na hoe het kon dat de wolf Prata niet aan gevallen had.
Prata twijfelden of ze vannacht naar boven zou klimmen, en als ze dat zou doen wat haar dan te wachten stond.
“Heb je eten gemaakt zilver?” vragend keek Duto haar aan.
Ze schudden haar hoofd, hij zuchten en bromde iets onverstaanbaars.
“Je wilt toch niet terug naar die vader van je?” vroeg hij toen.
Onmiddellijk schoot Prata’s hoofd omhoog ze keek de rover hoofdman aan, “Nooit ga ik terug naar die vent! Hij is mijn vader niet eens!” siste ze.
“Hoe weet je dat?” bemoeiden Ladro zich ermee, Prata keek hem aan even deed ze haar mond open maar toen sloot ze hem weer.
Ze kon moeilijk zeggen dat ze dat voelden dan zouden de rovers dubbel liggen of ze zouden weer gaan denken dat ze een heks was.

Zo stil mogelijk ging Prata overeind zitten ze wierp een laatste blik op Amato, hij had de andere rovers er van kunnen overtuigen dat zei geen heks was.
Hij heeft haar leren, schieten met pijl en boog, hij heeft haar altijd geholpen en nu moest ze hem zonder afscheid te nemen in de steek laten.
Waarom kon ze nou geen boodschap voor hem achterlaten, dat hij zich geen zorgen hoeft te maken en dat hij de beste vriend is die ze zich kon wensen.
Ze zuchten, op de tast zocht ze naar het amulet dat onder haar kussen lag, ze hing het om haar hals.
Nooit had ze het durfden dragen altijd had ze het gevoel dat de tijd nog niet daar was nu niet meer.
Ze haalden diep adem en liep de grot uit, op de dunnen richel bleef ze staan, ze keek nu uit over het ravijn, ooit had in de afgrond een wilde rivier gestroomd nu was het niets dan keiharde grond.
Het amulet glom het licht van de volle maan, even haalden ze diep adem toen klauterden ze de wand op.
Ze drukte zich op aan de rand, door het licht van de maan kon ze goed zien.
Schichtig keek ze om zich heen, vanuit de schaduw van een boom doemden een schaduw op.
Prata voelden haar hard wild kloppen, met haar ogen keek ze strak naar de schim die steeds dichter bij kwam.
Nu stond de gestalten dicht genoeg bij, in het licht van de maan glinsterde zijn zwarte harnas.
Geschrokken deinsde Prata achteruit, een Escuro!
“Rustig maar ik ben geen Escuro” zei de man in zijn stem klonk walging, walging voor de zwarte rijders, de escuros’s.
Opgelucht haalden ze adem en schuifelde ze weg bij de brokkelende rand, “Wat moet je van me?” zei ze toen, achter zijn vizier zag ze de ogen van de man glimmen.
Hij wenkte haar, langzaam liep ze achter hem aan naast hem liep de zwarte wolf, het leek de man niet eens op te vallen.
Vanuit de duisternis doemde twee zwarte paarden op, “Kom stap op” zei de man terwijl hij zich op een van de twee paarden hees.
Twijfelend greep Prata de teugel van het paard toen hees ze zichzelf op het enorme beest.
Met haar hakken duwden ze zachtjes in zijn flank onmiddellijk galoppeerden het paard achter de man aan.

In de verte doemden de stad op, in het licht van de opkomende zon zag het er verbazing wekkend uit.
De man hield zijn paard in, “Doe alsof je mijn knecht bent, sla de kap van je cape over je hoofd. Spreek geen woord, doe alsof ik een zwarte ridder ben” zei hij, vanachter zijn vizier keek hij haar strak aan.
Gedwee knikten ze, langzaam reden ze op de stadspoort af twee wachters stonden voor de poorten.
Elke wagen die passeerden controleerden ze streng, Prata’s hart ging als een gek tekeer ze was toch een rover die werden gezocht door alle onderdanen van Verda.
Langzaam naderden ze de poort.

Sterren [s]v[/s][b]f[/b]onkelden aan de donkere hemel, de handen van de tovenaar trilden toen hij pakje van de grond pakte. Hij hief zijn handen boven zijn hoofd en begon te mompel[s]l[/s]en, hordes woorden stromende uit zijn mond. Zweetdruppeltjes parelden over zijn hoofd, hijgend liet hij het pakje zakken. Een bliksem flits scheurden de hemel even in tweeën, heel even maar. Een zwarte wolf kwam het duivels plateau op, met zijn groene ogen keek hij de tovenaar aan. Zijn staart zwiepte[s]n[/s], de tovenaar legde het pakje op de grond en wond er een koord met een rode agaat om. Geduldig wacht[b]t[/b]e[s]n[/s] de wolf tot dat de tovenaar klaar was, toen pakte hij het pakje in zijn bek. Hij rende het plateau af, zo hard hij kan stormde hij door het donkere bos. In de verte doemden het stadje op, voorzichtig sloop de wolf door de donkere straten. Toen bleef hij staan, het uithangbord boven zijn hoofd klapperde[s]n[/s]. De wolf opende zijn bek en liet het pakketje voor de deur vallen. Even liet hij een huil horen daarna schoot hij de straten door het donkere bos weer in.

Op zich wel spannend, maar er zitten wat foutjes in ^^^^ Ik lees de rest nog wel een keertje, nu moet ik weg. :slightly_smiling_face:

thanx =D

Plat op haar buik lag Prata in de droge sloot, haar ogen gleden zoekend over de weg. Diep van binnen wist ze dat het geen nut meer had, de laatste tijd kwamen er nauwelijks meer mensen door het bos, en anders hadden ze niks bij zich. Iedereen wist dat ze hier waren[b].[/b] [s]t[/s][b]T[/b]och waren de ridders van Verda er nog niet in geslaagd ze te pakken. Ze zucht[b]t[/b]e[s]n[/s][s],[/s][b].[/b] [s]v[/s][b]V[/b]oorzichtig ging ze verzitten in de hoop dat haar voet op hield met prikken.

Het valt me op dat je zulke zinnen hebt:
‘Ze zuchtte, voorzichtig ging ze verzitten.’

Ik zou daar dit van maken:
‘Ze zuchtte. Voorzichtig ging ze verzitten, zodat haar been ophield met prikken.’
Of:
‘Ze zuchtte, en voorzichtig ging ze verzitten in de hoop dat haar been ophield met prikken.’

Verder valt het me op dat je meervoud en enkelvoud niet uit elkaar kunt halen. Bijvoorbeeld:
‘Ze zuchten.’

Ze is in dit geval enkelvoud, dus er hoeft geen n achter. En omdat je het in Verleden tijd schrijft, is het ‘Ze zuchtte’, met dubbel t. Soms bedoel je met ze meervoud, bijvoorbeeld:

‘De ridders reden in volle vaart langs de weg. Ze galoppeerden zo hard als ze konden.’
In dit geval moet er dus wel een n achter ‘galoppeerde’, want het zijn meerdere ridders dus meervoud. Was het nou één ridder, dan schrijf je het zonder n, dan zou het enkelvoud zijn.

Ik hoop dat ik het een beetje goed heb uitgelegd. Verder gewoon verder schrijven hoor. :slightly_smiling_face: Het zijn enkel wat tips. :slightly_smiling_face: