Wereld vol anderen

‘Nee, gil ik. Ik klamp me vast aan zijn broekspijp.
‘Laat me hier niet achter!’
Met mijn laatste energie gil en schreeuw ik.
‘Ik ben je zusje, smeek ik. Tevergeefs.
‘Laat me niet alleen!’
Alleen die minachtige blik. Dan gaat de deur dicht. Ik val als een klein hoopje op de grond. Het is gebeurd, besef ik. Ik ben nu een van hun.

De deur gaat open.
‘Op staan, zegt een stem bars.
Als ik niet snel genoeg mee werk, geeft de bewaker een ruk aan mijn arm en sleurt me mee.
‘Het is klaar met de luxe, zegt hij.
‘Wat moeten die andere gevangenen wel niet denken, dat jij de enige bent met een eigen cel? Dat moeten we niet laten gebeuren he?’
Het dringt nauwelijks tot me door wat hij allemaal zegt. We staan voor een deur. De bewaker duwt me naar binnen. Het is een grot. Althans, dat lijkt het op het eerste gezicht. Als ik beter kijk, zie ik dat het een mijn is. Mijn ogen willen niet zo goed mee werken. Ik krijg iets in mijn handen geduwd. De deur valt met een klap in het slot.

Ik kijk naar wat ik in mijn handen heb. Het is gereedschap. Mijn benen trillen. Ik schuifel naar een muur toe. Ik hoor achter me geroezemoes. Althans, dat denk ik te horen. Ik weet het niet, alles lijkt op elkaar….

‘Ze staat op instorten, hoor ik achter me.
‘Het arme schaap, zegt een andere stem.
‘Kunnen we-‘
‘Nee, dat kunnen en willen we niet, zegt een stem bars.
Ik draai me om, maar zie niemand. Ik ben gek aan het worden. Ik wist niet dat dat hier zo snel ging. Op deze manier ga ik niet lang vol houden.

Verder?

OEEEE. verder.
dus, ze zit in de gevangenis, of heb ik het verkeerd begrepen?:’)

jawel, verder, maar denk aan de aanhalingstekens want die ben je soms vergeten aan het einde van een zin.

Ja, verder!

En dat irriteert me echt heel erg. xd

Het doet me denken aan vroeger. Als ouders zeiden dat alles goed zou komen, maar je wist dat ze logen. Zo’n gevoel heb ik nu. Alleen is er niemand die zegt dat het goed komt. Ik zet de schep in de grond. Werken is wat we moeten doen. Of wat ik moet doen. Ik zie niemand anders. De geruchten waren dus niet waar. Ik ben hier alleen.
‘Ik ga gewoon!’
Weer die stem. Ze maken ruzie. Ik doe geen moeite om om te kijken. Er is toch niemand.
‘Je kunt niet naar haar toe,’ zegt de barse stem.
‘Wat wil je dan? Ze pleegt op deze manier zelfmoord, hoor je me? Wil je soms een herhaling van het verleden?’
‘Milana! Kom tot jezelf,’ zegt een andere stem kwaad.
‘Je kunt niet naar haar toe, tot dat ze haar heeft gezien.’
Dan is het stil. Uitgeput leun ik op mijn schep. Ik snap het niet. Ik wil het ook niet snappen. Mijn ogen zijn aan het wennen aan het donker. Ik zie iets voor me. Het is een straaltje licht. Maar dit is mijn, daar is toch geen licht? Het lichtje wordt steeds groter. Paniek overspoelt me. Dit kan niet, dit hoort niet! Het ligt word ondertussen maar groter, en groter, het is al groter dan ik ben. Ik hoor geroezemoes achter me en de deur gaat open en dicht. Dan is het stil. Ik voel me opeens heel kalm. Het licht begint aparte vormen aan te nemen. Ik knipper met mijn ogen, en waar net het licht was, staat nu een jonge vrouw. Haar blonde haar golft over haar schouders. Haar ogen staan vol vriendelijkheid. Ik kijk naar haar. Ik heb haar altijd gezien voor dat ik ging slapen. Op het kastje, aan het einde van mijn bed.

‘Wat is dat?’
Ik wijs met mijn vinger naar het beeld. Mijn moeder gaat op mijn bed zitten.
‘Dit is een beeldje. Kijk maar eens goed. Je hebt haar toch wel vaker gezien?’
Ik kijk iets beter. Het beeldje is van goud. Het is vrouw. Dan zie ik de herkenning. Ze heeft een bloemenkrans om haar middel.
‘Het is Miana!’
‘Precies.’
Mijn moeder knikt.
‘En weet je waarom ik dit beeldje heb?’
Ik schud mijn hoofd. Mijn moeder staat op en zet het beeld op het kastje. Dan haalt ze een kaarsje uit haar zak en zet die ernaast.
‘Luister naar me. Elke avond, als je naar bed gaat, moet je als je alleen bent, dit kaarsje aansteken en voor het beeldje gaan zitten. Je moet dan precies 2 minuten denken aan alle dingen die het leven goed maken.’
Mijn moeder gaat weer naast me zitten.
‘Dit moet altijd doen, wat er ook gebeurt. Je weet wat er anders gebeurt he?’
Ik knik. Dan staat mijn moeder op en loopt ze de deur uit.

Ik was toen 6. En elke dag deed ik wat ze zei. Elke dag. Waarom word ik dan nu toch door haar gestraft?

Verder hih

De vrouw voor me steekt haar hand naar me uit. Ik wil niet, maar alle vormen van verzet zijn in me uit geschakeld. Ik pak haar hand. Ze glimlacht.
‘Rythim, zegt ze tegen me.
‘Zo heet je toch?’
Ik knik.
‘Je kent mij ook?’
Een overbodige vraag. Iedereen kent haar. Iedereen aanbid haar, in de hoop dat ze een gelukkig leven hebben zonder tegenspoed. En iedereen gelooft in haar. Miana is de oppergodin. De godin van het leven, en van mensen. Zij beslist je leven, zeggen de mensen. Daarom moet je haar nooit kwaad maken. Er zijn duizenden tempels voor haar, en elke priester doet elke dag een offer om haar tevreden te stellen.
‘Je lijkt echt op haar,’ merkt Miana op. Ik kijk haar verschrikt aan. Op hààr? Door diegene waardoor ik hier zit?
‘Dat wou je volgens mij niet horen.’
Ze glimlacht. Hoe kan ze nou lachen? Ik ben hier opgesloten, weg van alles wat mij lief was. Wat is daar nou goed aan?
‘Je zult hier niet voor altijd zijn. Je hebt altijd aan mijn gedacht. Ik beslis je leven, weet je nog? Daar ben ik voor.’
Ik zeg niks. Ik wil het niet, en ik kan het ook niet.
‘Je bent niet alleen,’ is het laatste wat ze zegt. Dan vervaagt ze. Haar blonde haar word langzaam grijs en dan is ze weg. Ik sta alleen in de donkere mijn.

Verder?

‘Zou ze oke zijn?’
Er klinken weer stemmen. Maar dit keer draai ik me om. Ik zie 3 mensen achter me staan. Mijn benen begeven het opeens en ik val op de grond. Een meisje komt naar me toe gelopen, maar halverwege grijpt iemand haar arm.
‘Wacht nog even,’ waarschuwt hij. Het is die barse stem weer. Ik zie het meisje met haar ogen rollen.
‘Wacht hier, wacht daar, wanneer moet ik niet wachten van jullie?’
Ze rukt zich los en loopt naar me toe. Ik kijk haar angstig aan.
‘Rustig maar, ik doe je niks.’
‘Milana!’ zegt iemand kwaad.
‘Easy, ik versnel het proces alleen maar.’
Ze gaat naast me staan en geeft een schop in mijn maag. Een golf van misselijkheid komt omhoog en ik geef over. Milana zet net op tijd een stap achteruit. Ik hoor iemand zuchten.
‘Nee hoor, ze doet je niks, mompelt een jongen als hij naar me toe komt. Ik staar naar zijn ogen, of beter gezegd, waar 2 ogen zouden moeten zitten.
‘W-wat, stamel ik.
‘Nee, jij doet het super,’ zegt Milana sarcastisch.
‘Ze krijgt zowat een hartverzakking.’
De jongen negeert haar en knielt naast me neer. Ik kruip bang naar achteren. Hij zucht.
‘Breng haar maar na Ismai

Let op je spelling en interpunctie, maar ik vind het wel leuk! (:

Leuk! Ik wil wel meer lezen!

Interpunctie?

Interpunctie is het gebruik van leestekens (:

Oh zo :slightly_smiling_face:

Ik word naar een kamertje gebracht. Of beter gezegd, naar een soort grot. Mijn ogen moeten wennen aan het licht. Aan de muren hangen olielampen, die een warme gloed geven. Bijna huiselijk. Op een schommelstoel zit een oude vrouw. Haar grijze haar hangt los over haar schouders. Milana tilt met op en zet me op de stoel naast de vrouw. ‘Waar ben ik?’ vraag ik. De vrouw pakt mijn handen vast. Op een of andere manier voel ik me gelijk rustiger en beter.
‘Ik,’ zegt de vrouw.
‘Ik ben Ismai. Ik sta hier beter bekend als de wijste der wijzen. Dat komt ook omdat ik de oudste ben in dit verblijf.’
De wijste der wijzen, waar ken ik die naam toch van?
‘Het is maar wat je een verblijf noemt, mompelt Milana.
De vrouw zucht.
‘Als altijd moet ik je gelijk geven, Milana. Om dan maar eerlijk te zijn, dit is een gevangenis. Maar dat wist je zelf vast ook wel, denk ik.’
Ik knik. De jongen van net komt ook binnen lopen. Ik draai snel mijn hoofd weg.
‘Hoe heet jij?’ vraagt Ismai.
‘Rythim, zeg ik. Ik twijfel even, maar vraag dan toch:
‘Hoe komt het dat hij geen ogen heeft?’ en ik wijs naar de jongen. Een plotselinge schaterlach vult de ruimte. Ik draai me verschrikt om. Er staat een jongen achter me. Ik dacht toch zeker dat daar niemand stond.
‘Gewonnen!’ zegt hij triomfantelijk.
De jongen zonder ogen mompelt wat.
‘Waarom doen jullie dan toch ook zo kinderachtig,’ zegt Milana.
‘Je wist best wel dat Petro die weddenschap zou winnen.’
Petro glimlacht en verdwijnt weer. Ik kijk naar de plek waar hij net nog stond.
‘Rustig maar, we zullen je alles uitleggen.’
Ismai laat mijn handen los en staat met moeite op.

Verder?

veder

verder