[waargebeurd verhaal] Rokend op de straathoek 16+

Hallo allemaal!

Ik kreeg inspiratie om weer te gaan schrijven een jaar of 6, 7 geleden schreef ik namelijk best veel, voornamelijk fantasy. Nu wil ik iets anders doen. Ik ga schrijven over mijn eigen leven. Je hoeft niet te geloven wat ik schrijf, zie het maar gewoon als fictie. Ik schrijf het voornamelijk voor mezelf, maar misschien dat jullie er ook van kunnen genieten.

Ik heb nu het proloog en het eerste hoofdstuk geschreven. De hoofdstukken zullen wat langer worden, maar in het eerste hoofdstuk ben ik maar 6 jaar, en daar kan ik me vrij weinig van herinneren :wink:

Dat is ook iets waar je als lezer aan moet wennen. Ik leef me in, in hoe ik was op een bepaald moment. In het eerste hoofdstuk ben ik zes, dus het moet ook een beetje klinken alsof een zesjarige het heeft geschreven. Naarmate het personage (of ik dus) ouder wordt, zal de schrijfstijl ook volwassener worden. Ik denk niet dat ik heel veel hoodstukken ga schrijven pre-puberteit, dus dat zal ook zo over zijn :slightly_smiling_face:

Ik hoop dat jullie ervan kunnen genieten. Ik ga proberen om minstens 1x in de twee dagen een hoofdstuk te schrijven. Ik ben benieuwd wat jullie ervan vinden.

edit: De namen zijn natuurlijk allemaal gewijzigd.

edit: Ik heb het verhaal 16+ gemaakt. Niet omdat er nu al iets te heftigs gebeurd, maar omdat er later in het verhaal ook seksueel misbruik in voorkomt.

Proloog

Dit is mijn verhaal. Dit is mijn leven. Geloof het of niet, ik heb heel wat meegemaakt. Misschien meer dan de meeste mensen, misschien ook niet. Want er zijn dingen die je geheim houdt, die je het liefst met niemand zou willen delen.

Maar ik denk dat het belangrijk is dat ik mijn verhaal deel. Om het voor eens en voor altijd te vergeten, alles van me af te schrijven. De gebeurtenissen die ik jullie geef zijn echt. Uit mijn perspectief natuurlijk. De precieze gesprekken kan ik me natuurlijk niet herinneren, maar ik zal ze beschrijven zoals ik denk dat ze gegaan zijn.

Er gaan tijdsprongen komen. Sommige dingen zijn belangrijk, andere dingen niet. Er zijn periodes in mijn leven die ik me niet eens kan herinneren. Vroeg in mijn kindertijd natuurlijk, maar ook bijvoorbeeld mijn hele jaar in de brugklas. Ik weet er nu, tien jaar later niets meer van, maar misschien wist ik het ook wel niet toen ik er net uit kwam. Ik weet niet of er in dit jaar iets gebeurd is, of juist niks, ik weet niet wat er is gebeurd. Dat beangstigd me. Misschien heeft dat specifieke jaar er wel voor gezorgd dat ik… ben geworden wie ik ben. Alles in gang heeft gezet.

Toch schijnt het dieper te gaan. Verder terug in mijn jeugd. Ik zal jullie een korte geschiedenis geven.
Ik ben geboren in het begin van 1993. Mijn ouders waren - en zijn – gewoon bij elkaar. Ik had een oudere zus, we schelen anderhalf jaar. Ik was helemaal gezond bij mijn geboorte, niks raars, niks vreemds. Ik was roze, huilde niet meer dan normaal, ik at alleen niet zo goed. Komen daar mijn problemen vandaan? Nee. Dat kwam bij de geboorte van mijn broertje.

Eind 1994 kwam hij ter wereld, toen ik bijna twee jaar was. Ook hij scheen gezond te zijn. Scheen. Zes weken na zijn geboorte bleek dat mijn broertje epilepsie had. Ik wist dit natuurlijk nog niet, maar volgens mijn therapeuten is het daar begonnen. Mijn ouders verdwenen in de medische molen. Ik kreeg wel aandacht, maar blijkbaar niet genoeg. Desondanks is het jaren goed gegaan.

Ik was een vrolijk kind, ging met plezier naar school. Ondanks dat ik altijd klein van stuk ben geweest ben ik hierom nooit gepest. Toen ik in de kleuterklas zat, groep 1, zat mijn zus in groep 3. Ze leerde lezen, schrijven en rekenen. Mijn zus en ik scheelden niet veel van elkaar, dus speelden we graag samen. Wat we ook graag deden, was schooltje spelen. Mijn zus leerde op school, en gaf weer les aan mij. Mijn zus en ik zijn beiden intelligent, en ik pikte het zo langzamerhand op. Aan het eind van groep twee kon ik dus al lezen, schrijven en rekenen. Wat mijn school deed? Ze zetten mij in een ‘speciaal programma’ in groep 3.

Ik moet toegeven… op mijn school wisten ze niet waar ze mee bezig waren. Ze hadden helemaal geen speciaal programma. Het was een kleine, rooms-katholieke basisschool in een klein dorpje. Hun speciale programma was als volgt: Ze zetten mij in mijn eentje in een lokaal waar ik werkjes van groep vier moest gaan doen. Ik zat de hele ochtend alleen, af en toe kwam er een juf kijken. ’s Middags zat ik blijkbaar wel in de klas. Dit kan ik me niet herinneren… ik weet alleen dat ik alleen was. Maar ik deed mijn werkjes goed.
Dit ging zo een paar maanden door. Op een avond liep ik echter naar mijn ouders toe en zei:
‘Mama, ik wil niet meer leven.’ Dit kan ik me niet herinneren, maar mijn ouders schrokken er natuurlijk heel erg van. Omdat ze zo bezig waren geweest met mijn broertje, hadden ze helemaal niet gemerkt dat hun amper zesjarige dochter niet goed in haar vel zat.

Ik moet ze nageven, ze hebben ernaar gehandeld. Ik werd bestudeerd door het ggz (ik heb de kleur- en oefenboekjes van het onderzoek nog steeds – fascinerend), en er werden gesprekken gevoerd met de school.
De oplossing? Ik zou een klas overslaan. Maar ik mocht niet rekenen op extra aandacht, daar had de school geen tijd voor. Ik moest het zelf doen. Mijn ouders beseften dat het geen optie was om mij alleen in een lokaal te laten zitten en gingen akkoord. En zo ging ik, na de carnavalsvakantie, naar groep 4.

Hoofdstuk 1: Enge meester
Ik zit aan mijn tafeltje. Ik ken de andere kinderen niet. Ze zijn allemaal best wel heel erg groot. De meester is iets aan het vertellen maar ik ben zenuwachtig en let niet op.
“Elle!” snauwt meester Kooimans.
“Zit je niet op te letten? Dat is niet zo mooi hè, op je eerste dag?” De andere kinderen lachen. Ik voel me nog kleiner dan ik ben en ik heb het heel, heel erg warm.
“Weet je soms alles al? Waarom zeg je niet de tafel van zes op?” Ik schrik en kijk naar mijn tafeltje. Ik zeg niks. Wat voor tafel? Bedoelt hij deze tafel?
“Nou, ik wacht.” Volgens mij kijkt iedereen naar mij. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik moet bijna huilen.
“Ik… ik… ik weet niet…” stamel ik. Ik staar nog steeds naar mijn tafeltje. Opeens zie ik een geruite buik met knoopjes in mijn ooghoek. De meester staat voor mijn tafeltje! Geschrokken kijk ik omhoog.
“Wat zit jij naar je tafeltje te kijken, Elle? Staat er soms iets interessants op?” De andere kinderen lachen weer. Ik voel me heel klein. De meester buigt zich voorover en bestudeert het bureaublad.
“Nee, maar. Je eerste dag en je zit meteen al je tafeltje onder te kliederen. ” Ik kijk nu nog verder naar beneden. Naar mijn handen. Ze zijn heel wit. Ik heb niet getekend op het tafeltje. Alle tafeltjes zin oud en er is op getekend maar ik heb het niet gedaan. Maar ik durf ook niks te zeggen. Ik knipper heel vaak met mijn ogen want ik wil niet huilen.
Misschien ziet de meester het wel, want hij zegt:
“Nou, eh, Elle, laat ik het niet meer zien.” Dan richt hij zich op de klas en gaat verder met de les. Ik blijf heel stil zitten en kijk naar mijn handen.

Ik zit op de wc. Ik zit graag op de wc op school. De wc is niet mooi wit zoals thuis. Hij is vies wit, en met een zwarte bril met een stuk eruit wat ik heel raar vind. Maar er is verder niemand op de wc dus ik vind het leuk op de wc. Ik pak een stuk wc papier. Dat is ook niet hetzelfde als thuis, want het is ook niet wit, maar grijs en niet zo zacht als thuis. Ik loop met het stukje papier naar de kraan en draai die open. Ik maak het papier nat. En ik leg het op de verwarming. Ik doe het nog een keer en nog een keer en nog een keer.
De verwarming is heel warm. Nu zijn de wcpapiertjes hard. Ik vind dat grappig. Ze waren niet zacht maar nu zijn ze ECHT hard. Ik ben er naar aan het kijken als een ander meisje binnenkomt. Ik schrik.
“Wat ben JIJ aan het doen?” vraagt ze. Ze praat heel hard.
“Spelen.” Zeg ik. Ik praat heel zacht. Ze kijkt even naar het wc papier dat hard is. Het heeft allemaal vreemde vormen maar het blijft zo.
“Hoe doe je dat?” vraagt ze. En ik kijk haar aan en glimlach. En we spelen samen verder.
Opeens gaat de bel. De schoolbel. Elke dag mag iemand van groep acht de bel pakken en daarmee door de school lopen. Ik schrik. We lopen snel de wc uit maar dan komt de meester eraan. Hij ziet er heel boos uit en ik kijk snel naar mijn handen. Hij is boos. Alweer. Het is mijn schuld. Het is altijd mijn schuld.

Hoofdstuk 2: Schimmen

Ik lig in bed, en mijn nachtlampje is aan. Mijn nachtlampje is eigenlijk altijd aan, ook al vinden papa en mama dat heel irritant. Het kost geld, zeggen ze dan. Hoeveel geld kost zo’n lampje nou? Ze vinden ook dat ik te oud ben om met een lampje aan te slapen. Ik ben bijna elf. Ik weet dat het kinderachtig is. Mij maakt het niet uit. Ik zou mijn lampje nooit, maar dan ook nooit uit doen. Want ik weet zeker dat ze dan in mijn kamer staan. Nu kan ik het tenminste zien als ze er zijn.
Ik ben heel moe maar eigenlijk ook heel wakker. Ik kijk op de wekker en zie dat het twee uur ’s nachts is, en ik weet dat ik eigenlijk moet slapen maar ik durf het niet. Stiekem zet ik mijn tvtje aan met de hand klaar op de volumeknop. Zodra de tv aanspringt druk ik als een bezetene op de knop totdat de tv heel zachtjes staat. Ik wil niet dat papa en mama het horen.
Ik zap langs al die vieze zenders snel door naar Animal Planet. Ik kijk altijd Animal planet, ook al is het elke nacht hetzelfde. Altijd weer die ‘Animal Cops’. Ik heb alle afleveringen al wel honderd keer gezien en ik weet wat er gaat gebeuren. Maar zo blijf ik tenminste wakker en het is niet zo stil.
Ze komen ook als het stil is. En donker. Ik ga bijna rechtop zitten. Maar wel met mijn rug tegen de kussens want ik ben echt heel moe. En ik kijk Animal Planet. Ik mag niet in slaap vallen.

Ik word wakker omdat mama op de deur klopt. Ze doet de deur open.
“Lekker geslapen?” vraagt ze. Ik antwoord niet. Ik kijk naar de andere bezoeker. Hij staat middenin de kamer maar mama ziet hem niet. Mama lacht.
“Nog niet helemaal wakker, hè? Ik zie je zo bij het ontbijt.” Ik antwoord weer niet. Ik zou niet eens een geluid kunnen maken als ik zou willen want ik ben ontzettend bang. Het staat daar maar. Ik kan niet zeggen of hij donker of licht is, hoe hij eruit ziet en ik zie geen gezicht… maar het staat daar een kijkt naar me. Kijkt gewoon naar me. Hij doet nooit iets maar hij staat daar wel. Tussen mij en de deur in.
Ik beweeg niet. Ik probeer zelfs om niet te ademen maar ik hou het niet vol en ik haal zo zacht als maar kan adem omdat ik bang ben. Ik ben bang dat als ik beweeg, of geluid maak, het niet alleen bij kijken zal blijven. Het wordt steeds iets lichter in de kamer. Maar de schim blijft. Ik blijf liggen.

Opeens vliegt de deur open en ik begin te gillen, hysterisch te gillen en ik kan niet meer ophouden. Mama komt binnen en rent naar me toe en omhelst me en houd me stevig vast. En ik blijf gillen, want hij staat er nog steeds en het voelt… kwader. Hij is boos. Ik weet niet waarom maar het is gewoon zo.
De tranen lopen over mijn wangen en ik moet wel stoppen met gillen want ik heb geen lucht meer en kan niet meer. Mama wiegt me. Ik ben geen baby meer, dat weet ik wel maar toch voelt het fijn. Mama tilt me op en draagt me richting de deur. Ze gaat dadelijk recht door dat ding. Ik begin te jammeren en knijp mijn ogen stijf dicht. En dan zijn we de kamer uit.

Ik schrik wakker. Ik snap niet waarvan want het is nog helemaal donker, afgezien van wat licht van een straatlantaarn dat door mijn gordijnen schijnt. Donker. DONKER? Dan zie ik hem.
Hij staat niet in mijn kamer. Hij staat naast mijn bed. Over me heen gebogen. Ik voel de angst, ik ben zo bang. Hij kijkt naar me. Hij is zo dichtbij.
Waarom is mijn licht uit, mijn lampje? Als het licht was was hij nooit hier komen staan… dan stond hij gewoon daar, anderhalve meter verderop en niet hier, niet hier zo dichtbij me, o god wat gaat het doen? Wat moet IK doen?
Het lichtje moet aan. Het moet gewoon aan. Maar ik kan me niet bewegen. De klok tikt, en ik beweeg me niet. Hij beweegt zich ook niet. Hij blijft gewoon kijken. Maar ik weet zeker dat als ik me beweeg, hij dat ook doet. Niet als een schaduw want dat is hij niet. Ik weet niet wat hij is, maar hij wil me kwaad doen, dat weet ik wel. Ik weet niet waarom hij dat niet kan als ik me niet beweeg, maar ik beweeg me dan ook nooit als hij er is. Misschien kan hij me dan niet zien. Maar hij kijkt wel naar me.
De secondewijzer tikt en ik tel. Ik zit ergens in de duizend als ik de tel kwijt raak. Hij is er nog steeds. Ik kan niet blijven liggen en niks doen. Dan gaat hij iets doen, ik weet niet wat maar hij gaat iets doen…

Ik moet mezelf redden. Ik durf geen geluid te maken, maar als ik het lichtje aan kan doen… heel, heel langzaam begin ik mijn hand te bewegen, zo langzaam dat je het bijna niet eens kan zien. Het is maar dertig centimeter naar het lichtknopje, maar ik doe heel voorzichtig, de seconden tikken voorbij, minuten tikken voorbij en hij kijkt nog steeds naar me. De angst is zo groot dat ik weer moeite krijg met ademen, maar dan strijkt de top van mijn middelvinger langs het snoertje van mijn nachtlampje. Ik vervolg mijn weg langs het snoertje maar kijk niet, o nee, want als ik wegkijk gaat hij iets doen, dat weet ik zeker. Minuten verstrijken terwijl ik mijn hand om de lichtknop positioneer. Ik raap al mijn moed bij elkaar, mijn laatste hoop. En druk op de knop. Er klinkt een geluid. De schim hoort het en verschuift. Maar geen licht. GEEN LICHT. De schim schuift terug naar mij en komt dichterbij.
Ik gil. Ik gil voor mijn leven, ik gil uit doodangst, iemand moet me redden… ik knijp mijn ogen dicht, ik wil het niet zien niet zien niet zien. En dan hoor ik het gebonk van voetstappen op de trap en de deur vliegt open maar het is donker, nog steeds zo donker en ik trek het niet meer.
“LICHT!” Gil ik. Alsmaar weer.
“LICHT LICHT LICHT LICHT LIIIIIICHT!”
Het grote licht in de kamer gaat aan en daar staat papa en ik stort in, ik stort helemaal in en ben zo moe, zo ontzettend moe. De schim is weg. Ik ben veilig.

Wauw, goed geschreven! Wel ontzettend heftig voor je! Ik hoop dat het nu goed met je gaat (:

Het gaat nu uitstekend met me! Leven helemaal op de rit, vandaar dat ik het voor eens en altijd achter me wil laten door het van me af te schrijven.

Schrijven werkt bij mij ook beter dan praten. Mensen begrijpen me dan vaak niet haha.
Mooi verhaal ik ga dit wel ff volgen!!

je hebt een zeer fijne schrijfstijl, die heel goed weg!
Wat heftig zeg, wat goed om te lezen dat je nu wel alles weer op de rails heb, ik blijf zeker wel nog meelezen!

Bedankt voor alle complimenten! Ik denk dat ik vanavond nog een stukje schrijf, maar mijn vriend komt zo thuis en dan gaan we eerst game of thrones kijken :slightly_smiling_face:

Morgen komt sowieso het vervolg op hoofdstuk 2!

Haha echt erg, ik heb toch nog een heel stuk getypt net. Trouwens, sorry als er spelfouten oid inzitten, meestal maak ik er niet zoveel dus ik typ en typ gewoon en gooi het dan hierop, geen zin om het na te kijken haha :wink:

------------
Vervolg hoofdstuk 2: Schimmen

Mama heeft iets gezegd. Mama heeft gezegd dat ik gewoon moet doen alsof de schimmen niet bestaan. Dat ik er gewoon doorheen moet lopen want ze bestaan niet en ze kunnen niks doen. Ze hebben nog nooit echt iets gedaan, zegt mama, alleen mij bang maken. En als ik niet meer bang ben gaan ze weg. Ik weet niet of ik haar moet geloven. Ik ben wel bang in het donker, en ik vind het ook niet fijn als het stil is want ons huis is oud en het kraakt, en de wind giert tussen de dakpannen en ik slaap op zolder. Mama zegt dat ik het moet proberen.

Dus ik lig in bed en daar staat hij. En het kleintje nu ook. Misschien willen ze me met z’n tweeën zo bang maken dat ik niet door hun heen durf te lopen. Ik ben weer heel bang en haal moeilijk adem. Maar ik voel me ook anders. Mama heeft gezegd dat ze weggaan als ik niet meer bang ben dus ik moet niet meer bang zijn. Dat zeg ik elke keer maar nu ben ik toch iets minder bang. En het is nu ochtend dus papa en mama en mijn zus Nina en mijn broertje Ivo zijn beneden. Ik beweeg heel langzaam, maar ik beweeg wel. Ik wil niet dat ze weten wat ik van plan ben. Ik blijf naar ze kijken zodat ik weet waar ze zijn. Heel, heel langzaam ga ik rechtop zitten, op de rand van mijn bed. Ik blijf ze aanstaren en ze blijven mij aanstaren maar ze doen nog niks. En ik ook niet. Ik blijf zo even zitten en verzamel mijn moed, maar ik word ook steeds banger en ik weet niet of ik het nog wel durf. Dan roept mama mijn naam, en vraagt of ik ook naar beneden kom.

Ik zet me af van het bed, vouw mijn armen om mijn hoofd en ren, ren, ren. Alsof ik door vuur ren of iets anders wat me kan vermoorden en dat doe ik ook. Ik ruk de deur open, ren de overloop over en ruk nog een deur over en gil om mama en mama komt me tegemoet en ik begin te huilen, omdat ik zo bang ben maar ook zo blij, want ik heb het gedaan en nu is het goed.

Het is goed, want ik zie de schimmen niet meer. Heel af en toe. Maar ik ben niet bang want ze kunnen me niks doen. Ik ben veilig. Want ik ben niet meer bang.

Notitie: Later ben ik erachter gekomen dat ons huis inderdaad heel oud is. Het stond er al voor de tweede wereldoorlog, en er hebben joden ondergedoken gezeten op wat toen de hooizolder was. Waar de hooizolder was, is nu mijn oude kamer. Ik weet niet of ik echt iets paranormaals heb meegemaakt, maar later in mijn leven kreeg ik meer psychotische neigingen. Dus waarschijnlijk is dat het gewoon. Al kreeg ik wel kippenvel toen ik hoorde dat mijn slaapplaats, ooit een schuilplaats was. Ik weet niet eens of deze mensen hier zijn overleden, ik weet er verder niks over. Maar ik vraag het me nog steeds af. Vooral omdat ik me nooit op mijn gemak heb gevoeld in de oude delen van het huis (mijn ouders hebben een deel aangebouwd en daar voelde ik me altijd prima). Nog steeds heb ik plekken, waar ik verder niks vanaf weet, waar ik een naar gevoel bij krijg en waar ik niet kan slapen, op andere plaatsen is dat geen probleem. Psychotisch of paranormaal? Ik weet het niet en ik kan er verder ook niks mee, maar ik blijf het me afvragen.

Wow, supergoed geschreven weer! De notitie vind ik ook van toevoegende waarde en echt heel helder. Erg heftig ook allemaal! Goed om te weten dat je nu toch je leven op de rails hebt!

Hoofdstuk 3: Introductie

Volgend jaar ga ik naar de brugklas. Best spannend, vooral omdat mijn beste vriendin Mariëlla niet naar dezelfde school gaat. Ze gaat naar een groene school, maar ik ga havo/vwo doen dus we zouden toch niet bij elkaar in de klas komen. Verder heb ik niet echt veel vriendinnen. Ik ben eigenlijk altijd met Mariëlla. Dat is soms best lastig, want ze is heel populair. Ik niet. Het lijkt net of iedereen vriendinnen met haar wil zijn, en daarom doen ze naar tegen mij. Vooral
Sanne. Maar Mariëlla gaat ook best veel met Sanne om. En omdat ik altijd bij Mariëlla ben is Sanne er ook altijd. Maar ik vind haar niet aardig. Sanne gaat wel naar dezelfde school als ik, ook naar havo/vwo. Ik heb met haar ook de introductiedag. Nog een ander meisje en een andere jongen uit onze klas gaan ook mee en zitten in dezelfde groep.

Bijna heel onze klas gaat naar dezelfde school, want er zijn er bijna geen op fietsafstand. Dus we fietsen met bijna de hele klas naar het Dundam College, voor de introductiedag. Ik ben zenuwachtig en fiets naast Sanne. Ik moet hard trappen want ik ben veel kleiner en heb ook een kleinere fiets. Ik fiets bijna nooit zo ver.
Als we bij het Dundam College aankomen parkeren we onze fietsen in een speciaal, met lint afgezet stuk van het schoolplein. Niet in het gewone fietsenrek. Nu kunnen al die jongeren die al op de school zitten zien dat we brugpiepers zijn. Bijna iedereen hier is groter dan ik, en best veel echt veeeeel groter. Ik zit er niet mee maar voel me ineens wel heel jong. Ik ben sowieso al een jaar jonger dan de meesten hier, en er zitten hier gewoon mensen van achttien op school. Ik besluit om de beste tijd van mijn leven te hebben op mijn nieuwe school, ik ga de populairste van de klas worden en ik ga niet weer zielig achter iemand aanhangen en zelf niemand zijn.

Het gaat goed. We zitten met z’n allen in een klaslokaal. Ik zit naast Sanne en we zijn de grootste grappenmakers met een brutale mond. Iedereen lacht om ons, en vooral om mij. Ik voel me goed. Dit gaat de beste tijd van mijn leven worden.

Na afloop fietsen we terug. We fietsen weer in een hele groep, maar Sanne fiets iets voor mij. Naast het fietspad loopt een voetpad, dus ik race eroverheen om weer naast haar te gaan fietsen. Als ik van het fietspad terug op het fietspad wil, besef ik dat ik een fout maakt. Er zit een klein, rond drempeltje tussen de paden. Voordat ik het weet schuif ik over het gloeiendhete asfalt, en rijdt er een jongen met zijn fiets half over me heen, die vervolgens ook omvalt. Iedereen stapt af. Ik schaam me dood. We zijn nog geen 200 meter van de school af. Ik krabbel overeind, sommige kinderen lachen, maar anderen vragen of het goed gaat. Ik besef me ineens dat ik pijn heb.

Ik bekijk mijn lichaam. Omdat we in een hittegolf zitten heb ik alleen een wit hemdje en een korte broek aan. Tenminste, mijn hemdje was wit. Nu zit er bloed op. Ik heb schaafwonden. Ik heb er een op mijn voorhoofd, op mijn jukbeen, een hele grote bloederige op mijn schouder. Mijn elleboog ligt open en ik heb talloze wondjes op mijn hand, mijn heupbeen is kapot en mijn knie doet ontzettend veel pijn. Ook mijn voet bloedt en mijn witte sok is helemaal vies. De helft van mijn lichaam is kapot en ik bloed.

Iedereen staat naar me te kijken, en tot overmaat van ramp komt daar de rest van alle nieuwe brugklassers aanfietsen. Iedereen stapt af om naar me te kijken en algauw staat er een hele menigte om me heen. Ik schaam me dood, ik schaam me kapot. Het ging zo goed en nu gaat iedereen volgend jaar alleen maar denken dat ik dat kleine meisje ben dat niet eens kan fietsen. Ik word verdrietig maar ook heel boos en begin te schreeuwen;
“Rot op allemaal, rot gewoon op!” Het helpt niet, de anderen beginnen alleen maar heel hard te lachen en ik word nog bozer.
“Flikker allemaal op ofzo, dit is echt niet leuk hoor!” Ik kan geen kant op en de tranen springen in mijn ogen. Snel pak ik mijn mobieltje, wat ik net heb gekregen omdat ik naar de middelbare school ga. Ik toets het nummer van mijn moeder in en bel haar huilend op en vertel dat ik van mijn fiets gevallen ben en dat ik bloed.

Als mijn moeder tien minuten later aankomt staat iedereen nog steeds te kijken. Ik sta daar maar, iedereen in een kring om me heen en ik bloed en jank mijn mooiste outfit onder. Mama wordt kwaad en stuurt iedereen weg. Langzamerhand gaan de mensen weg en ik stap in de auto terwijl mama mijn fiets achterin gooit. Samen rijden we naar de huisartsenpost.

De volgende dag naar school gaan is misschien nog wel erger. Het lijkt net alsof iemand me wilde verkleden als mummie maar halverwege is verstopt. Het ergste is nog dat ik een paar weken niet mag zwemmen terwijl het superwarm is en iedereen naar het zwembad gaat.

En ik heb het weer verkloot voor mezelf, mijn nieuwe begin. Helemaal verkloot.

Notitie: Nu komt er weer een gat van een jaar. Van de hele brugklas, het schoolgebeuren immers, herinner ik me niets meer. Het enige wat ik nog weer is dat ik ben gestopt met turnen. Ik deed aan wedstrijdturnen op de basisschool, samen met Mariëlla en nog twee andere meisjes. Die gingen echter naar dezelfde school als Mariëlla en al snel vormden ze een groepje tegen mij, omdat ik niet op hun school zat. Terwijl we toch drie keer in de week trainden samen. Ik trok het niet meer dat ik buitengesloten werd en ben gestopt met turnen. Waar ik eerst een onzeker, maar vastberaden meisje was toen ik begon aan de brugklas, kwam ik eruit als een onzeker, depressief meisje. Hoe dit zo is gekomen durf ik niet te zeggen.

Wouw wat heftig! Ik ben echt heel benieuwd, dus ik blijf volgen.

;O ik volg hem!

Leuk dat jullie het volgen! Ik ben vandaag vrij maar moet wel heel het huis schoonmaken en de was doen… maar ben wel vastberaden om nog een stukje te schrijven, en misschien wel meer want morgen en overmorgen moet ik werken.

Dus later vandaag staat er weer een stuk op :slightly_smiling_face:

Heftig zeg!

Hoofdstuk 3: De vrolijke gothic

De eerste dag van het tweede schooljaar. Ik ben zenuwachtig, het is weer een nieuwe klas. Misschien dat er wel wat meiden tussen zitten van mijn eerste klas, maar de meesten zijn naar de havo gegaan en ik ga naar 2 vwo. Dus de kans is vrij klein dat er iemand is die ik ken… niet dat het veel uitmaakt, want ik ben toch niet echt bevriend met iemand.
Ik heb echt geprobeerd iets leuks uit te zoeken om aan te trekken, maar ik heb niet veel leuke kleren. Ik heb niet langer tweedehandskleding, sinds de basisschool al niet. Ik heb nu kleedgeld maar niet zoveel, en ik ben pas 12 dus ik kan nog niet gaan werken. Maar ik wist wel precies wat ik wilde dragen: De ketting die ik van mijn vader heb gehad. Het is eigenlijk meer een hanger dat aan een zwart koord hangt. Het is een mooi, groot kruis van zilver en zwart, rijk gedetailleerd, eigenlijk wel een beetje een gothic-look. Ik heb alleen niet echt iets wat erbij past. Ik vind gothic kleding wel mooi, maar heb er nooit eerder aan gedacht om het ook werkelijk te dragen. Daar komt bij – gothic kleding is ontzettend duur. Voor één rokje ben ik al voor een maand kleedgeld kwijt.
Maar deze ketting is heel gaaf dus ik wil hem dragen. Ik doe een rood shirt aan – dat is wel een beetje gothic, toch? Het is alleen jammer dat het nogal een sportief shirt is, met van die witte randen op de zijkant en de mouwen. Het is iets.

Met mijn Eastpak om loop ik het schoolplein op. Iedereen begroet elkaar en maakt een praatje. Ik zeg wel hallo tegen sommige mensen uit mijn vorige klas, maar maak met niemand een praatje, ik weet niet waarom, maar ik denk gewoon dat ze zich daar toch niet in interesseren.
Ik kijk voor de derde keer op mijn rooster in welk lokaal ik moest zijn. Het is één van de aardrijkskunde lokalen, omdat mijn nieuwe mentor daarin lesgeeft. Ik begeef me naar het lokaal, adem diep in en stap binnen. Ik ken vrijwel niemand, en degenen die ik wel ken, ken ik niet goed genoeg. Ik ga aan een leeg tafeltje zitten, waar ik naast niemand zit. Langzaam stroomt het lokaal vol. Bijna op het laatst komt er een meisje binnen wat ik volgens mij nog niet eerder heb gezien.

Ze ziet er echt fantastisch uit. De meeste mensen zouden het niet met me eens zijn, maar ik vind het supergaaf. Ze is volledig in het zwart gekleed. Een zwart shirt met korte mouwen, maar dan van die losse mouwen met kant en lintjes versierd over haar polsen en onderarmen. Ze heeft een rok aan, ook met kant en lintjes, daaronder een kapotgescheurde panty en zwarte kistjes. Ik ben er meteen door gefascineerd. Verder is ze niet bepaald de mooiste. Haar haar is lang maar droog. Ze heeft het zwart geverfd. Ze heeft heel veel make-up op, superzwarte ogen en knalrode lippenstift, maar dat neemt niet weg dat ze een grof gezicht heeft. Ook is ze vrij dik. Dat maakt me niet uit. Ik mag haar meteen, gewoon, hoe ze zich kleedt. Ze ziet me kijken. Shit, hoe laat ik merken dat ik het gaaf vind… ik pers er een klein glimlachje uit, niet teveel want ik wil niet dat ze denkt dat ik haar uitlach. Ze lacht niet terug maar komt wel naast me zitten.

De mentor gaat van start met een inleidingspraatje terwijl ik wat in een gloednieuw schrift teken. Stiekem bestudeer ik het nieuwe meisje. Ze ziet er ouder uit dan ik, maar ook ouder dan de rest van de klas, die allemaal sowieso een jaar ouder zijn dan ik. Mijn blik glijdt vooral naar de armwarmers die ze aanheeft, wat een plaatjes. Maar door het kant zie ik ineens iets. Vage witte lijnen die over haar armen lopen.

Mijn hart stopt. Niet omdat ik het raar vind, of walgelijk. Maar omdat ik het herken. Omdat ik ineens een connectie voel met het meisje naast me. Ik wil haar vriendin worden.
De lijnen zijn bij haar langer en dikker. Nou moet ik zeggen dat ik het ook niet heel erg doe. Meestal met een passer. Meer een kras dan echt een snee. Gelukkig zie je het niet goed, en ik loop altijd met de katten te ravotten dus als iemand er iets van zegt gebruik ik de katten als excuus.
Ik merk dat ik naar haar arm zit te staren en kijk snel weg.

De mentor wil dat we een voorstelrondje doen. Ze gaat de banken af. Als ze bij het nieuwe meisje komt lijkt die niet echt heel happig op het feit dat ze zich voor moet stellen, maar ze doet het toch.
“Ik ben Rianne de Wit, ik ben 14 jaar en ik ben blijven zitten dus zit ik nu weer in 2vwo.”
Meer zegt ze niet. Waar anderen het over hobby’s hebben, blijft ze stil. Dan is het mijn beurt.
“Ehm, ik ben Lotte Klos, ik ben 12 jaar en ik kom uit klas B1k, dat was havo/vwo.”
Als ik mijn naam noem, kijkt Rianne ineens geïnteresseerd naar mij op. Als het voorstelrondje is afgelopen neemt de mentor het woord weer, en Rianne buigt naar me toe.
“Ben jij het zusje van Nina?” vraagt ze op gedempte toon.
“Ja,” zeg ik glimlachend.
“Waar ken je Nina dan van?”
“Ik ben toch blijven zitten? In de brugklas zat ik met Nina in de klas. Wel grappig dat ik nu bij jou in de klas zit.” Ze gniffelt.

En we blijven praten. Als de bel gaat en het wordt pauze wordt het ongemakkelijk. Ik weet niet wat ik nu moet doen. Ik heb niet echt mensen bij wie ik zou willen staan, maar misschien heeft Rianne wel vrienden, daar kan ik toch niet zomaar bij gaan staan. Gelukkig lost Rianne het probleem voor me op.
“Waar sta jij meestal in de pauze?” vraagt ze aan mij. Er zijn verschillende plekken. We hebben een grote aula, maar de tafels zijn al geclaimd door bepaalde groepen. Dan heb je nog de trappen in de aula, die langs alle randen lopen. Verder kun je buiten staan, bij de bushokjes (daar staan de rokers meestal), bij de ingang, bij het grasveld of bij de bankjes. Ook zijn er nog verschillende plekken in de gang. Bij de kluisjes, bij de trappen, en ga zo maar door. Ik weet alleen niet goed wat ik moet antwoorden.
“Ehm, overal en nergens eigenlijk. Ik heb niet echt een vaste plek.”
“En je vriendinnen dan?” vraagt Rianne. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Ik schaam me dood en wordt rood als ik het zeg, maar geef toch toe.
“Die heb ik eigenlijk niet echt.”
“Waarom kom je niet bij mij staan dan?” vraagt ze, en ze glimlach me bemoedigend toe. Ik kan het bijna niet geloven. Ze wil me erbij hebben!

Ik loop achter Rianne aan, en ze loopt linea recta naar de ingang van het hoofdgebouw. Daar zijn twee schuifdeuren naast elkaar, maar één werkt nooit. Dus ontstaat daar een leuk hoekje waar je kunt zitten. Hier zitten de gothics, maar ook de andere outcasts. De puisterige nerds met World of Warcraft t-shirts, een paar skaters die blijkbaar niet met hun ‘eigen’ groep op kunnen schieten. Ik denk dat het zon 10 jongens en 5 meisjes is, met mij erbij.
Ik voel me niet helemaal op mijn plek. Niet omdat zij zo anders zijn, maar omdat ik zo normaal ben. Vinden ze het wel goed als ik er zomaar bij kom zitten? Zullen ze me accepteren?
De jongens praten meer met elkaar, maar Rianne stelt me aan de andere meiden voor. Kim ken ik wel, van horen zeggen. Ze zit in hetzelfde jaar als ik, maar dan op de havo. Ze is heel mager en echt heel extreem maar heel mooi gekleed. Ik wil niet eens weten hoeveel geld die outfit haar heeft gekocht. Het is bijna een tutu wat ze aanheeft, een korset… prachtig. De andere twee meiden zijn wat ouder, allebei zestien. Ze zitten al in de bovenbouw. Ze zijn wat minder klassiek gekleedt en hebben wijde, zwarte broeken aan, kleurloze shirtjes en veel donkere make-up.
Tot mijn opluchting verwelkomen ze me met open armen. En ik voel me voor het eerst sinds een lange tijd weer goed.