Verwarrend Bestaan

Verwarrend bestaan[I]

In dit wreed en verwarrend bestaan
Leeft een liefde niet zo lang
Mensen zo ver bij elkaar vandaan…
Dromen broos, en harten bang[/I]

***

Het was een warme zwoele zomeravond en de wind blies zachtjes langs haar gezicht. De zee kaatste straaltjes maanlicht terug, maar hield zich verder op de achtergrond. Tussen het zachtjes kabbelen van het water hoorde zij een stem zwoel langs haar glijden.
“Mijn liefste.” Haar gezicht wendde zich niet af van het romantische plaatje vóór haar. Pas toen ze zijn lichaamstemperatuur tegen zich aan voelde drukken keek ze op. “Hier is je wijn.”
De rode wijn had dezelfde donkere kleur als haar nagellak. Admira keek even beminnelijk naar de gespierde gestalte die nu tegen de reling hing, zijn eigen glas in zijn brede hand.
“Waar denk je aan?” vroeg hij aandachtig.
Ze schudde haar hoofd. Haar gedachten dwaalden naar het moment dat zij elkaar hadden leren kennen. Vanaf het begin was hij niet zo maar onderdirecteur van het bedrijf waar zij werkte geweest. Toen ze haar lange vingers over het toetsenbord liet razen, stond hij plots voor haar neus. De manier waarop hij zijn woorden zorgvuldig koos, zei haar dat haar adem niet de enige was die stokte. Toch had het haar enkele weken gekost om erachter te komen dat hij hetzelfde voor haar voelde. Hoewel hij niet haar directe baas was, had hij haar bij die eerste ontmoeting bevolen een paar aantekeningen in de computer te typen. Uit zijn stem klonk niets dan gezag, waardoor ze zich weer op haar plaats gewezen voelde.
“Aan mijn moeder,” verzuchtte ze. Arthur glimlachte geruststellend, maar ze voelde zijn afkeuring.
Als het aan haar moeder lag, zou ze niet zijn waar zij nu was. Haar moeder verafschuwde de Martons en stond niet toe dat ze met die arrogante zoon van hen contact zou hebben. Ze wilde enkel, naar haar zeggen, het beste voor haar dochter. Het was onmogelijk dat ze Arthur Marton verkoos boven de vele aardige jongemannen. Rijkere mannen, dacht Admira erachteraan. Voor haar was Admira braaf aan het logeren bij een vriendin die ze nog kende van haar studie.
Na een intense stilte zei hij voorzichtig: “Kom, laten we naar binnen gaan. Je vat nog kou.”
Inderdaad voelde ze nu hoe de kilte om haar heen sloeg. Rillingen van kou liepen over haar rug en de zwoele bries leek een snijdende ondertoon te krijgen die speelde met haar blote schouders. Die avond had hij haar een pakje gegeven met een rode strik eromheen. Het bleek een prachtige blauwe jurk te zijn die reikte tot net over haar knieën. Haar vingers gleden over het zachte stof.
Opeens lieten haar vingers het wijnglas los. Admira deed een paar stappen naar achteren toen duisternis haar overval. Zijn fluisterende stem zorgde ervoor dat haar hart een slag oversloeg en daarna weer zijn normale ritme aannam.
“Wees maar niet bang.” Een trilling trok door haar lichaam toen ze zijn vingers voelde. Hij leidde haar, iets wat ervoor zorgde dat zij haar macht verloor. Ze wist immers dat ze hem kon vertrouwen. “Een trapje af nu. Zo ja.”
Ze slaakte een kreet toen hij de doek van haar ogen afhaalde. De duisternis werd doorbroken door twee flikkerende kaarsen. De zoete geur die in de ruimte hing – ze wist nooit hoe het binnengedeelte van een schip heette – drong haar neus binnen. Arthur liet zijn hand over haar schouders glijden en draaide haar om.
In zijn donkerblauwe ogen zag ze het kaarslicht weerspiegelen. Voor de zoveelste keer boorden zijn ogen zich in de hare en had ze het gevoel dat ze in die ogen verdronk. Hij boog zijn hoofd naar haar toe, zo kon ze alle lijntjes op zijn gezicht bestuderen.
“Admira,” fluisterde hij verlangend. Daarna heerste het geluid van het kabbelende water, sterk afgezwakt nu ze binnen zaten. Zijn lippen omsloten de hare. Eerst triomfantelijk en doordringend, maar al gauw intens en zacht. Alsof haar lippen van satijn waren. Ze streek door zijn haren, over zijn schouders en drukte zich dichter tegen hem aan. Het was niet genoeg om zijn lippen beminnelijk tegen de hare te voelen, of om zijn warmte tegen haar aangevlijd te voelen. Ze wilde bij hem zijn, zo dicht als mogelijk.
Zijn sterke handen brachten haar na het midden van de kajuit en tilden haar op alsof ze van porselein was. Streepjes maanlicht braken door de jaloezieën zodat er een spookachtig licht over het bed gleed. Admira voelde zijn handen over haar schouders strijken, haar masseren en van de wereld trekken. Even stapte hij bij haar weg om de kaarsjes uit te blazen. Het was haar alsof ze zijn adem daarbij kon voelen. Zelfs nu het bijna donker was kon ze de lichtjes in zijn ogen ontwaren. Toen hij zich naast haar vlijde, sloot ze haar ogen.
“Admira,” tussen de kusjes die hij haar gaf fluisterde hij haar naam. Al snel hadden zijn lippen een spoor van hete kussen getrokken van haar hals tot aan haar borsten. Dat was het moment dat zij zich helemaal overgaf.

“Wanneer ga je het je moeder vertellen?” Ze stonden in de berm van de weg, een kleine kilometer voor haar huis. De plek waar hij haar al enkele keren had afgezet, opdat haar moeder niets zou merken. Admira zuchtte en negeerde de hand die hij haar toestak. Op eigen kracht stapte ze uit zijn auto. Arthur wist niet dat ze het haar moeder een tijd terug had geprobeerd te zeggen. Via een omweg wilde ze het taboe omzeilen. Maar haar moeder was al in protest toen ze zei dat ze de secretaresse van meneer Marton junior verving. Daarna durfde ze het onderwerp niet meer aan te snijden.
Ze voelde zijn blik in haar rug branden en sloeg haar ogen op. Hoe kon het dat de vrouw die haar ter wereld had gebracht deze man zo haatte? Zijn ogen waren schitterende parels die nieuwsgierig de wereld gadesloegen, zijn tanden zo wit dat ze zichzelf erin kon zien. De veiligste plek op de wereld was beslist naast hem.
In plaats van antwoord op zijn vraag te geven, doorbrak ze de ruimte die tussen hen zat. Aanvankelijk spanden zijn spieren vervaarlijk, daarna verslapte zijn lichaam en beantwoordde hij haar kus vuriger dan ooit. Hij streek een plukje haar uit haar gezicht en duwde haar tegen zich aan.
Plotseling zag ze twee felle lichten en deed ze haar ogen als in een reflex dicht. Ze voelde hoe hij haar van de weg trok. Grassprieten kriebelden in haar rug en hij liet zich naast haar vallen. Ze keek hem aan en begon spontaan te lachen, maar zijn grijns bleef uit. Na een paar keer met haar ogen te knipperen zag ze waarom; het was de auto van haar moeder.

***

Admira Vivaldi hief haar hoofd op toen de predikant zijn laatste gebed beëindigde. Een mist van kleine druppeltjes daalde op hen neer. Gevolgd door een plotselinge windvlaag die de kleine korrels zand op de steen liet dansen. “Ik dank u voor alles, dominee,” zei ze met heldere stem, “ik weet zeker dat mijn moeder hier blij mee zou zijn geweest.” De man boog zijn hoofd en deed een paar stappen achteruit.
Het geluid van een doffe klap van een dichtslaand portier weerkaatste spookachtig tussen de grafstenen. Admira keek op en schrok toen ze een lange, breedgeschouderde gestalte met vlugge stappen de heuvel op zag gaan. Na al die tijd, zelfs nu ze wist dat hij getrouwd was, bonkte haar hart. Nog een paar minuten hield ze zich voor dat hij enkele grafstenen verder moest zijn, maar toen stapte hij vastberaden op haar af.
“Dominee?” fluisterde ze om bij iemand steun te zoeken, maar zag dat de man naar binnen was gegaan. En toen ze omkeek kon ze de kleine stoppels op de kin van Arthur Marton tellen.
“Admira,” zei hij begroetend. Ze verroerde zich niet en kon hem enkel aanstaren. In drie jaar tijd was hij nog steeds dezelfde halfgod die met haar in het schijnsel van de maan op een boot had gevreeën.
Even leek het alsof hij net zou doen dat er geen jaar verstreken was en haar tegen zich aan zou drukken. Toen keek ook hij naar de vochtige grond voor hun voeten. Zo stond ze een hele tijd tegenover deze bekende vreemde. Plotseling slaakte hij een kreet van verbazing. “Waarom heb je geen trouwring om?”
Met een gezicht dat oprechte verbazing uitstraalde keek ze hem aan. “Trouwring? Ik ben toch niet getrouwd, ik ben nooit –”
Al even verbaasd staarde hij terug. “Je moeder, ze zei dat je getrouwd was, drie maanden nadat we in de berm-” zijn stem stierf weg, maar hij hoefde zijn zin niet af te maken. Admira voelde het, hoe de hoop weer in haar opvlamde. Als was hun liefde vuur dat nooit kon doven, enkel af kon zwakken.
“Arthur? Hoe gaat het met jouw vrouw?”
Nu keek hij haar nog verbaasder aan. “Mijn vrouw? Admira, ik ben nooit getrouwd, hoe heb je dat kunnen denken?”
Ze lachte hardop en wierp zich in zijn armen. Haar moeder had het mis.
“Admira, wat is hier aan de hand?” zijn stem klonk nog even zwoel als altijd.
“Snap het dan, liefste, mijn moeder had me die bewuste dag dat ze ons betrapte verteld dat jij was getrouwd. Dat ik slechts jouw minnares was.”
Nu verscheen ook op zijn gezicht een diepe grijns. Zijn handen omsloten haar en het scheen haar alsof ze een warme deken om zich heen sloeg. “Mijn liefste, mijn Admira.”
Het was verbazingwekkend, dacht ze toen zijn mond de hare vond, maar zijn tranen smaakten zo zoet als honing.

((Zij wist echter niet dat hij haar moeder had vermoord.))

Geschreven voor een Nederlands opdracht: schrijf een bouquetreeksverhaal. Uiteindelijk is het een satire erop geworden.
Met speciale dank aan Anne, die de eerste zin heeft bedacht en waarvan ik de naam Admira ontleend heb.