¨[ Verhaal --> Titel in the making ]¨

Reacties zijn vanharte welkom
( criteria ook natuurlijk xD )

Ik droomde - dat moest wel! Het kon niet waar zijn!
Of… of toch?
Ik graafde door mijn geheugen, naar die ene dag. Die dag had alles veranderd.
Althans dat denk ik toch….
Het begon enkele maanden geleden, ik was zoals gewoonlijk na schooltijd doorgereden naar mijn werk. Ik had werk gevonden in een of ander saai broodjeszaak waar steevast dezelfde mensen, hetzelfde broodje bestelden.
Zo had je Meneer Illy die elke woensdag om zes uur ’s avonds de zaak binnenkwam. Ook al bestelde hij elke week hetzelfde, toch deed hij er een tijdje over vooraleer ik zijn bestelling kon opnemen – een broodje kaas, zonder tomaat en veel, veel te veel mayonaise.
Een uur later kwam Mevrouw Rix binnen. Ze was een van de dikste vrouwen die ik ooit had gezien en het verbaasde me elke keer dat ze heelhuids door de nauwe deur kon. Ze droeg – zoals altijd een niet bij elkaar passende outfit, haar korte mini rok spande rond haar billen, haar roze bloes leek tientallen maten te klein te zijn, maar op de een of andere manier was hij nog niet onderhevig aan scheuren.
‘ Goedenavond Paige.’
‘Goedenavond Mevrouw Rix. Kan ik u helpen?’
‘Een broodje verrassing graag lieve meid, ik heb razende honger!’
Honger? Ze had altijd honger!
Maar waarover ik me het nog meest verbaasde – ik verontschuldig mij voor mijn ongehoorde uitspraken…
De naaldhakken die ze elke week droeg ( rode met glitters die pijn deden aan je ogen als je er te lang naar keek ) leken haar gewicht nauwelijks te kunnen dragen.
Ik had bewondering voor hen – die arme schoenen.
De tijd kroop voorbij, ik had nog meer dan een uur te gaan en ik wist dat er geen klanten meer zouden komen. De enige klanten in de zaak waren Mevrouw Rix die blijkbaar een innerlijke strijd met zichzelf voerde of ze al dan niet een tweede broodje zou bestellen.
In een hoek, aan een ronde tafel zat Meneer Mors – hij was een van de vreemdste mannen die er in de zaak kwamen.
Ik wist niet veel over hem, enkel dat hij aan de rand van de stad woonde met zijn zoon, zijn vrouw was enkele jaren geleden overleden.
Het was een van de vreemdste gebeurtenissen die er in het stadje Little plaats gevonden hebben…
De familie Mors woonde al jaren in Little. In een klein huisje aan de rand van de stad.
Niemand begreep waarom men juist dat ene huisje – of beter gezegd krot, had uitgekozen om in te wonen.
Het was niet bepaald een van de gezondste leefomgevingen. En toch zeker niet voor een gezin met een baby.
Thomas – zo heet hun zoon was anders dan de anderen. Hij huilde bijvoorbeeld nooit, terwijl ik keelgatopener nummer één was. We zagen hen vrijwel nooit in de stad, zelfs niet tijdens marktdag, terwijl iedereen dan naar buitenkwam. Jong en oud.
Maar de familie was niemand tot last en al snel hield het vele geroddel op dat altijd de kop op stak als er iets nieuws gebeurde in de stad.
Vele jaren gingen voorbij…
Het was op een zonnige zomerdag – ja ik weet dat het spannender zou klinken als het op een koude stormachtige nacht had gebeurd, maar zo ging het niet.
Ook al is het al zo’n tien jaar geleden en was ik amper acht jaar toen het gebeurde toch herinner ik me die dag alsof het gisteren was.
Net zoals iedere zondag ging ik samen met mijn ouders naar de kerk. Eerlijk gezegd vond ik het verschrikkelijk saai, maar toch ging ik zonder tegenstribbelen mee. Ik had anders het onbehaaglijke gevoel dat er iets zou gebeuren als ik niet zou gaan.
Noem het gerust bijgeloof in deze moderne maatschappij.
Maar toeval of niet, bijgeloof of geen bijgeloof. Die dag was Mevrouw Mors niet aanwezig in de kerk. Het waren de enige keren dat we haar zagen, ze zat altijd achteraan en droeg steevast een zwart jurk. Het was alsof ze zich wou vermengen met de donkere schaduwen van de kerkmuren zodat niemand haar zou opmerken.
Maar die dag werd ze juist wel opgemerkt –
Opgemerkt door haar afwezigheid!
Meteen kwam de roddel weer tot leven. Sommigen gingen heel ver met hun fantasie en al snel deed het de ronde dat ze een heks in vermomming zou zijn die van de duivel in de kerk moest komen spioneren om vervolgens belangrijke informatie aan hem door te spelen.
Onzin natuurlijk! We leefden immers niet meer in de Middeleeuwen!
Enkele dapperen, althans dat dachten ze van zichzelf. Ik vond het dwazen, bemoeials, privacyschenders! Maar wat kon een klein meisje van acht jaar daar tegen doen?
Niets!
Het waren de drie stoerste mannen die op onderzoek uitgingen.
John Colt was een reusachtige man. Hij had armen bijna zo dik als boomstammen, hij
was ongelooflijk sterk.
Vervolgens had je Peter Lake. Hij was niet zo sterk als John. Hij had eerder een slungelachtige bouw , maar zijn tong was zo scherp als wat. Hij wist op alles een antwoord te zeggen. Vaak werd dan ook zijn mening gevraagd, ook al was hij amper twintig jaar.
Als laatste had je Robbie Brooks, hij was een van de intelligentste mannen van het stadje en het had me verbaasd dat uitgerekend hij deelnam aan zo’n kinderachtige vertoning.
Ik dacht dat hij was meegegaan om John en Peter in de gaten te houden.

Ze bleven enkele uren weg. De hele stad stond met spanning op het markplein te wachten.
‘Mammie,’ had ik gezegd. ‘Wanneer gaan we naar huis? Ik heb het koud en ik heb honger! Het is saai! We staan al uren naar niets te kijken!’
Ik had een reactie verwacht. Misschien een of ander blik dat me zou zeggen dat ik stil moest zijn. Of een waarschuwend kneepje in mijn hand.
Maar ze deed niets, helemaal niets.
Ik probeerde de tijd dan wat te doden met te tellen.
Ik had bijna de duizend bereikt toen er plotseling een gil vooraan de menigte opklonk.
‘Ze zijn terug! Daar zijn ze! Ze zijn terug!’
De menigte kwam meteen in beweging.
De burgemeester Meneer Onyx stapte naar voren – hij was immers de belangrijkste man van de stad, dus was hij de aangewezen persoon om het nieuws in ontvangst te nemen.
‘En wat hebben jullie ontdekt?’ Vroeg hij op een burgemeester – achtige toon.
Hij keek naar de drie mannen, ze zagen er bleekjes uit.
John had zijn armen slapjes naast zijn lichaam gehangen.
Peter zei voor de eerste keer in zijn leven helemaal niets met zijn scherpe tong.
Zelfs Robbie keek alleen maar wezenloos voor hem uit.
‘Wat is er gebeurt?’ Herhaalde de burgemeester.
Uiteindelijk nam Robbie het woord. Zijn stem trilde.
‘ W – we zijn naar het huis van de familie Mors g – geweest. Z – Ze is ….
Zijn stem stokte, even keek hij hulpeloos naar de twee mannen. Beiden hielden hun blik op de grond gericht.
‘Vertel op man, wat is er gebeurd! Als burgemeester van deze stad beveel ik je om te vertellen wat je gezien hebt!’
Hij schreeuwde bijna. Zijn uitpuilende ogen vielen bijna uit hun kassen en zijn dikke snor trilde van woede.
‘Vertel!’
‘ Z – ze is dood!’ Stamelde Robbie. ‘E- er was overal b – bloed. We hebben nog geprobeerd om haar te r - redden, m – maar hét het!’
‘Wat man! Wat?’ De burgemeester keek vragend naar Robbie.
‘ D – duivels, stamelde hij.’ Toen viel hij bewusteloos neer op de grond.

De dood van Mevrouw Mors was een mysterie. Niemand geloofde Robbie toen hij vertelde dat een of ander duivels wezen Mevrouw Mors had vermoord.
Nee, de stad kwam onder leiding van de burgemeester tot conclusie dat haar man Meneer Mors haar vermoord moest hebben.
Meteen had er een delegatie van agenten naar het kleine huisje gegaan.
Maar men kon niets bewijzen tegen Meneer Mors en men liet hem vrijuit gaan.
De jaren verstreken en Meneer Mors voedde zijn zoon alleen op…
‘Paige! Paige!’
Ik schrok op, voor me stond Mevrouw Trust. Eigenares van de broodjeszaak. Ze keek me onderzoekend aan.
‘Paige, wat is er? Je ziet zo bleek, is alles goed?’
Ik tilde mijn hand op om mijn gezicht aan te raken. Ik voelde inderdaad koud aan. Ik voelde door mijn vingertoppen heen dat alle kleur van mijn gezicht was weggetrokken.
‘Gaat het?’
Ze keek me nog steeds met een onderzoekende blik aan.
‘Ja hoor, antwoordde ik eerlijk.’ Alles ging ook goed, ik had nergens last van.
Waarschijnlijk kwam het door de herinnering aan de dood van Mevrouw Mors dat ik er wat bleekjes uitzag.
Maar het was jaren geleden!
‘Nou Mevrouw, als u het goed vind dan zou ik nu graag naar huis gaan. Ik liet mijn blik rondgaan in de zaak om aan te tonen dat het uitgestorven was.
Het was elf uur ’s avonds en ik betwijfelde of er nog klanten zouden komen. Niet alleen om het late uur, maar sinds enkele maanden had er zich een nieuwe broodjeszaak in de straat gevestigd. Al vanaf dag één was onze omzet fors gedaald.
Maar Mevrouw Trust was koppig en bleef haar winkel openhouden.
En ik – ik bleef er werken. Niet omdat ik het zo graag deed, nee hoor. Het liefst had ik mijn ontslag al lang willen indienen. Het was verschrikkelijk saai en eentonig werk. Maar als ik mijn droom wou waarmaken dan moest ik er wel blijven werken.
Ja, ik had een droom. Misschien lijkt het wel dwaas en bestaat kans dat er niets van terecht zal komen.
Maar ik werk eraan.
Ik droom er namelijk van om een reis op mijn eentje te maken. Ik heb geen doel voor ogen, enkel dat ik al vanaf kleins af verlangde om mijn wegen uit te breiden.
Jammer genoeg kost zo’n reis heel wat geld – te veel als je het mij vraagt. Ik begrijp niet hoe sommigen eindeloze reizen kunnen maken zonder zich zorgen te moeten maken of men nog eten zal hebben als men terug thuiskomt.
Ik werk nu al vier jaar in de broodjeszaak. Ik was er via een vriendin van mijn moeder terecht gekomen.
In een klein stadje zoals Little daar kent iedereen wel iedereen.
Zo heb je de pastoor die elke zondag na de mis zijn borrel ging drinken in het oude volkscafé op het marktplein. Daar praatte hij meestal met de postbode die op zijn beurt getrouwd was met de beste vriendin van mijn moeder. Het was al een vicieuze cirkel. Je kon amper de straat op zonder dat je, je naam over de straten hoorde galmen.
‘Paige! Paige! Paige! Dag Paige! Hallo Paige!’
Ik werd er soms gek van! Daarom had ik ook die grote muts en die belachelijke sjaal gekocht, zodat ik rustig over de straten kon lopen zonder herkent te worden
Ja, ik droomde ervan om weg te gaan. Ergens waar niemand me kende.
Ik wou wegen bewandelen die ik me later nog zou herinneren. Ik wou avonturen beleven waarover gepraat zou worden.
Maar wie ben ik? Een eenvoudig achttienjarig meisje dat droomde van een bestaan dat misschien niet voor haar was weggelegd?
De gedachte dat ik mijn hele leven in het stadje zou moeten blijven…
Even zag ik mezelf als een veertiger, ik woonde nog steeds in Little en was eigenares geworden van Mevrouw Trust haar broodjeszaak.
Een meisje van ongeveer veertien jaar nam bestellingen op. Ze had mijn groene ogen en mijn warrig blond haar.
‘Mammie, zei ze.’ Hoe lang werk je hier al?’
‘Al heel mijn leven, lieve schat,’ antwoordde ik.

Ik schrok op uit die gedachte en probeerde het van me weg te slaan door mijn handen wild rond mijn hoofd te wapperen.
Laat het alstublieft niet zo lopen! Maar ik zag nog steeds het beeld van mezelf, jaren later en opgesloten in Little voor altijd!

up xD

reacties ?? xD :stuck_out_tongue:

up

is het niet handig om een inleiding te maken?
want ik weet niet echt waar het over gaat nu…

maarja ga maar verderr (: