Verhaal. Tips?

Hoi, ik ben bezig met een verhaal, maar het is hartstikke slecht, en ik ga er ook nog een hoop aan veranderen, maar toch wil ik er mee door gaan. Ik denk dat ik het wel kan verbeteren als ik tips van iedereen krijg, dus drop een comment alsjeblieft… :blush:

"
Rosies voeten struikelden over elkaar terwijl ze hun best deden sneller te zijn dan de kleine ijskoude golfjes die haar hielen probeerden te raken, en haar haren wapperden naar de zee, alsof ze die wilden uitdagen. De scherpe schelpjes deden pijn aan haar slipperloze voeten, maar dat kon haar niks schelen. Het enige waar ze oog voor had, was de prachtige blauwe zee waarmee ze tikkertje aan het spelen was. En ze won altijd. Ze wacht tot de wind stil ligt en laat zich daarna, als de wind weer begint met gillen, achterover omverwaaien. Haar koraalroodgelakte teen graaft een kuiltje in het zand. De zon verblindt haar en de secondes erna denkt Rosie maar aan één ding: Dat zij het gelukkigste meisje van de wereld wel móét zijn. “Roos?” Ergens aan de andere kant van het strand krijst iemand haar naam. Het kippenvelverwekkende geluid dendert mee op de wind die van het gekrijs schrikt en opeens een enorme windhoos veroorzaakt. Het gekrijs kaatst in Rosies oren, trommelt in haar trommelvlies en bereikt uiteindelijk haar hersens die dit overwelmende gekrijs identificeren als het gekrijs van April. “Roos!” Aprils agressieve stem herken je al vanaf een miljoen meter. De witblauwe lucht verandert al gauw in grauw en grijs, bij elke stap die April dichter naar Rosie toe zet, wordt het donkerder. Een tikkeltje angstig kijkt Rosie April aan, haar vuurrode ogen hebben zo’n glinstering dat het je bang maakt, en haar zwarte droge haar met rode lokken vlamt om haar hoofd heen. Haar lippen zijn bruin als de neervallende herfstblaadjes en haar ongelooflijk witte hoektanden steken daar nogal bij af. Bloesemblaadjes vallen van de lichtgekleurde bomen die langs het strand mooi staan te wezen, langs Aprils gezicht en April wuift ze met een vlot gebaar aan de kant. “Hi” zucht uit Aprils mond. Het klinkt rustig en bedwongen, alsof er achter deze zachte woordjes een sterke persoonlijkheid zit verscholen. En April is een persoonlijkheid. Alles wat ze zegt klinkt krachtig. Soms komt April wel wat agressief over, maar ze doet haar best om niet uit te schreeuwen wat ze allemaal wel niet van de wereld denkt. Als je April beter leert kennen, is ze hartstikke lief, denkt Rosie, maar alsnog kan ze soms een tikkeltje overdonderd door haar worden. “Ik wou even zeggen…” proest April uit met een lichte glimlach op haar lelieblanke gezichtje. April ademt sterk in: “We gaan naar Parijs!” Ieder ander meisje had haar nu vastgegrepen en samen in het rond gedanst, zingend: ‘wij gaan naar Parijs!’ maar April blijft daar staan, met de lieve, maar toch gevaarlijke blik in haar ogen, afwachtend wat Rosie zal zeggen, met haar adem nog ingehouden. “No way!” waait Rosies stem terug naar April, “Echt waar?” Aprils blik verslapt, zoals iedereen doet als je Rosies stem hoort. Hij is zo zacht en de tonen van elk woord dat ze zegt spoelen over je heen. Warm, zacht met veel adem, het klonk als stroop dat uit een flesje glijdt, langzaam en subtiel. Wat zou Rosies geheim zijn? Elke nacht voordat ze naar bed gaat een doosje keel-pastilles leegeten? Rosie gniffelt alsof ze kon weten wat April denkt, en daarna slaat ze haar armen om de hals van April. “Dat wordt leuk!” fluistert ze in haar oor. Aprils gezicht ontspant en kijkt slaperig naar Rosie. “Over drie dagen vertrekken we.” Komt er net iets te hard uit. Rosie kijkt geschrokken. Zo klinkt April altijd als ze iets hards gaat zeggen, maar nu is het niets dan liefs. April laat zich naar beneden zakken om de rits van haar zwarte biker-boots los te trekken, en laat haar kleine voetjes uit haar wit-met-rood-gestippelde sokken glijden. Haar blote voeten klimmen gemakkelijk op de rode rots en daarna springt April met haar stoere, oversized hemd de zee in. Haar haren met de donkerrode highlights botsen op tegen de golven en giechelend springt Rosie achter haar aan. Druipend en ijskoud komt Rosie terug op het plakkerige zand. April springt er nog een paar keer in, en elke keer dat April springt volgt een ongelooflijk grote plons met hoge golven. Daar is Rosie best jaloers op. Normaal zou dat misschien raar zijn, omdat een grote plons betekent dat je zwaar bent, maar bij April lijkt het anders, bij April komt er altijd wel iets groots, of groot, kolossaal! Als April ergens binnenloopt kijkt iedereen om. April is groot. Niet groot qua dik, of lang. Nee, April is gewoon een grote persoonlijkheid. Dáár is Rosie jaloers op. Als Rosie iets wil zeggen, nou ja, beter gezegd; vroeger, toen Rosie nog dacht dat er iemand zou luisteren als ze wat wou zeggen, praatte iedereen door alsof ze niet bestond. Nu wéét ze dat ze niet bestaat. Als April en zij naar de groep gaan, houdt ze gewoon haar mond, Niemand merkt toch dat ze er is, en als ze een persoon van de groep later op school tegenkomt, zijn die altijd verbaast dat ze zoveel weet over het gesprek van de dag ervoor, omdat ze niet hadden opgemerkt dat ze er was. De groep is eigenlijk haar leven. Zielig, want ze maakt niet eens officieel deel uit van de groep. April kan de groep haar vrienden noemen. Voor Rosie is het meer haar leefomgeving. Het is waar ze altijd is, maar niemand praat met haar of heeft haar ooit een ‘vriendin’ genoemd. En als ze niet bij de groep is, is ze op het strand. Tikkertje spelen met haar beste vrienden. De eenzame kat die altijd op het strand paradeert met haar mooie pluisjesstaart volgens Rosie genaamd: Cuddle, en de zee. En natuurlijk moet ze ook de kleine zeesterren niet vergeten die haar altijd complimenteren over haar stem. En soms, als ze niet iets beters te doen heeft, komt April langs. Dan voelt Rosie zich iemand, omdat de grootste iemand van de wereld dan bij haar is. Eigenlijk is Rosie doodsbang voor April. April is angstaanjagend, maar nu Rosie April wat langer kent, of eigenlijk vanaf het eerste moment dat ze April zag, had ze iets bekends. Rosie en April zijn tegenpolen, maar passen perfect bij elkaar.
Op dit soort momenten krijgt Rosie het idee dat ze ongelukkig is, hoewel ze net nog bij zichzelf had gezworen het gelukkigste meisje aller tijde te zijn. Rosie dwingt zichzelf positief te denken, en probeert te genieten van alle gebeurtenissen die er zijn om van te genieten, maar nog krijgt ze dat gelukkige gevoel niet. Die kick die ze zoekt, het gevoel dat je krijgt als je geniet van dagelijkse kleine dingetjes. Rosie wil iets bereiken, had ze zichzelf aangepraat. Dan zal ze die kick vast wel weer krijgen. Iets bereiken, presteren in dingen die voor haar belangrijk zijn. Muziek, media, films?
Maar waarom doet ze dan niets? Willen is niet genoeg. In zichzelf fluistert Rosie wat April altijd zei: ‘Word niet, ben het.’ Zelf maakt ze daar van: ‘Wil niet, doe het.’ Wat ongeveer hetzelfde betekent. Maar voor haar geld ongeveer het omgekeerde. Ze wil het, maar weet dat ze het niet kan. Niemand ziet haar staan, en dus zal ze al helemaal niet uitblinken in haar talenten. Waarom zou ze het dan toch nog proberen? Rosie ziet zichzelf al zitten op haar 80e, in haar kleine flatje, TV kijkend en terugkijkend op haar leven waar ze nooit van genoten heeft. Op TV is Madonna, die ook al de leeftijd van een oma heeft maar wél iets heeft bereikt. Zo zal het zijn, maar April, die zou de nieuwe Madonna zijn. Bij het beeld van April als Madonna moet Rosie lachen. Dat is een teken van geluk!

April en haar oversized kleddernatte shirt flaneren het strand op, de zee uit. Ze ploffen naast Rosie neer in het hete strandzand. ‘Rosie?’ knalt er uit Aprils mond. ‘Eh… ik… eh… waarom heb je een zeester in je jaszak?’ Het puntje van Rosie’s favoriete zeester steekt uit haar witte jas die op de grond ligt. ‘Dat is mijn zeester.’ Vloeit er uit Rosies mond. Haar hart struikelt over zijn eigen slagen. Zenuwachtig dat April haar maar een raar meisje vind als ze vertelt dat dat haar vriend is. Boemerdeboemerdeboemerdeboem. Haar hart vind April maar niks. Telkens als April er is moet het harder kloppen, en Rosie’s hart is daar niet blij mee. Zenuwen rennen gillend heen en weer in Rosies buik. Korte stress. Gelukkig weet Rosie dat korte stress goed voor je is, anders was ze nu helemaal in paniek geraakt. Korte stress zorgt ervoor dat je beter kunt presteren. Beter presteren? Dus ook beter liegen? Liegen dan maar. ‘Ja maar waarom heb je die in je broekzak?’ dondert April verder. Haar blik zegt niets dan minachting. ‘Gevonden.’ Rosie zet haar beste pokerface ooit op en probeert geloofwaardig over te komen, maar haar mooie zachte stem bibbert een beetje. Hopen dat… ‘Je liegt!’ … April het niet opmerkt. Natuurlijk heeft April het opgemerkt, met zo’n volle stem als April hoor je het wel als zo’n stille verlegen stem iets te verbergen heeft. ‘Ik zag je er op school mee praten, en je hield … dat ding… tegen je oor.’ Grijnzend kijkt April Rosie aan. Zo kijkt een leeuw ook als hij een prooi gaat besluipen, zag Rosie vanochtend op Animal Planet. ‘Oja.’ Rosie kan zichzelf wel voor haar kop slaan, zo hard dat haar neus breekt. Die: ‘Oja.’ Klonk alsof ze klein duimpje was die werd ondervraagd door de reus, een muis die word achtervolgd door een kat, een meisje dat word betrapt op liegen door haar moeder, of iemand die bang is voor… April. Zo wil ze niet overkomen. ‘…’ Rosie doet haar mond open om iets te zeggen om haar blunder recht te zetten, maar eigenlijk valt er niet zoveel over te zeggen. April ziet zelf ook wel dat ze gewonnen heeft. ‘Ga je nog antwoord geven?’ April verwacht ook nog dat Rosie nu gaat toegeven dat April de grote winnaar is. Wat een kwelling. ‘Die zeester is mijn vriend.’ Dat voelt goed, voor jezelf opkomen. Eerlijk zijn helpt dus. Onthouden, Rosie! Rosie zet haar benen wijd neer en plant haar voeten stevig in het zand. De zee schuift wat zand aan en Rosie heeft het idee dat ze nu wel stevig genoeg staat, voor als April haar omver wil uitlachen. April houd haar hoofd schuin. Nu komt de belediging, en opeens weet Rosie niet zeker meer of ze niet beter had kunnen gaan liggen, dan kun je immers niet meer omvallen. April ademt in door haar neus, en blaast kleine wolkjes warme lucht tegen Rosie’s ogen aan. Knipperknipper. Tranen vliegen in haar ogen. ‘Vind je die zeester aardiger dan ik ben?’ Rosie waait om. Dit is een wereldwonder. Aprils stem klonk koel en bibberig. Nooit eerder had April andere emoties vertoond dan boos en vurig, succesvol en groots. Als dat emoties waren trouwens. April vraagt als het ware, om respect van Rosie. Als Rosie er eindelijk besef bij heeft wat April net zei, is April alweer geswitched van haar kwetsbare opstelling van net naar haar bikkelharde persoonlijkheid van voorheen. ‘Grapje.’ Proest April keihard uit. ‘Natuurlijk ben ik het aardigst.’ Besluit ze met een dikke knipoog.
‘The rest is still unwritten…’ In Rosies hoofd echoën nog de laatste woorden van de titelsong van haar favoriete soap die ze na het eten zat te kijken, waar ze eigenlijk niet op gelet heeft. Rosie dacht steeds aan dat creepy glimlachje op Aprils belipglossde lippen. Appel-kaneel was het overigens, dat was vroeger ook Rosie’s favoriete lipgloss. De bruinige gloed langs Aprils spierwitte tanden kleeft vast aan Rosies gedachten. Giftig was die grijns, Rosie kon geen tien seconden ergens anders aan denken. Glas water nummer één achterover geslagen. Hielp niet, nog steeds drong Aprils lachje Rosies schild van onzekerheid binnen. Wanhopig klinkt net iets te erg om Rosies situatie passend te beschrijven, vind ze zelf. Waarschijnlijk komen haar chaotische gedachtegangen van vermoeidheid. De donkere wallen onder haar ogen die ze wazig kan zien in de spiegel, bevestigen dat. Tweede glaasje water doet niets anders dan het laatste laagje uitgeschoten lippenstift op haar kin oplossen. Rosie concentreert zich op de puntjes van haar tenen en laat de warmte van haar bezwete hoofd afvoeren naar haar bijna bevroren voetjes. Als puppy’s die tegen hun moeder aankruipen trekt Rosie haar voeten zo dicht mogelijk tegen haar dijbeen aan en slaat de flanellen ochtendjas van haar oma die haar vanuit haar fotolijstje streng aankijkt om haar heen. Kippenvel bloeit op haar onderarm en Rosies voeten schieten wortel op haar goudbruine beddensprei. Als Rosies leven een soap was, zouden alle kijkers nu op het puntje van hun stoel zitten en met hun gigantische koeienogen op het flatscreen beeldscherm wat tegenwoordig zo gewoon is geplakt, in de hoop dat Rosie weer gelukkig zou worden, omdat ze het haar zo gunnen te genieten van het leven. Maar ze kan het niet. Net zoals al die andere soapsterren niet kunnen, maar in de meeste slappe soaps gaat die vorm van ‘niet kunnen’ over een onmogelijke liefde. In de realiteit, is die er niet, verzekerde Rosie het je, als je dat aan haar zou vragen. Rosie gelooft heilig dat er niets bestaat als liefde. Je hebt van iemand houden, om iemand geven, omdat het een stukje van je is. Zoals een echtgenoot, of je familie zonder wie je gewoonweg niet kan. Dan heb je ook vlinders, kriebels in je buik, hoteldebotel halsoverkop verliefd en de hele week slapeloze nachten over die ene persoon die op dat moment zo bijzonder voor je is, maar tegelijk niks voorstelt. Verzinken in die persoon zijn ogen, blauw groen bruin of paars desnoods, alles van jouw grote ‘liefde’ is betoverend. Die vlinders, ofwel tunnelvisie, is voor even. Daarna heb je verkering, dan is er niks leuks, spannends en vlinders meer aan. Maak jij het uit, of je bijna ex- vriendje/vriendinnetje en is het jouwe, of het zijne/hare hart gebroken. Te ingewikkeld vond Rosie, en aangezien haar hoofd al zó vol rimpels zat, wou ze aan de ‘liefde’ ook haar gedachten niet meer besteden. Het echte leven, naast als die drama, is Rosie’s wereld. Het leven is het enige waar ze haar kostbare hoofdje over wil en zal breken. Het is zo’n zonde om zich onnodig te beperken tot het kleine dorpje en het foundation036-kleurige strand waar haar ‘leven’ zich nu afspeelt. Als Rosie haar ogen stijf op elkaar dichtknijpt ziet ze de kleine, maar toch felle lichtjes al die daar op haar wachten en de weg naar geluk verlichten. De lichtjes van grote wereldsteden. New York, Tokyo, ze hoopt dat ze daar de vibe van het geluksgevoel weer zal proeven. Parijs. Een wervelwind draait zichzelf rond en rond in Rosies chaosrijke hersenpan en blijft maar roeren en roeren… Als klap op de gillende keukenmeid duikt Aprils twinkelende lachje weer op en de enige optie om te ontkomen van deze warboel is slapen.
2.
Met haar oor nog diep in het donzige kussen gestoken hoort April de brede rubber banden van Joshua’s beachcruiser die het hagelwitte grind voor de lichtroze villa op komt rijden. Zijn truck zal wel weer kapot zijn, anders kwam hij April altijd in zijn auto ophalen, met de radio zo hard aan dat je het in Parijs zelfs nog zou horen met je oren in een kussen gedompeld, zoals April altijd rond deze tijd lag. Stiekem geniet April het meest van dit soort momenten. In bed liggend, terug kijkend op de dag van gisteren wat overigens anders verliep dan alle andere dagen, en dan horen dat háár vriendje, van haar en niemand anders, haar trouw op kwam halen op de fiets, omdat ze dan lekker dicht tegen hem aan kon kruipen zonder dat iemand doorhad dat ze ook gevoel had. Op school kijkt iedereen tegen haar op, ze was aardig vond ze zelf, heeft een vriendje die knapper was dan prins charming van Doornroosje, ze was voorzitster van de ANH-beweging op haar school en zo kon ze nog wel doorgaan met het opnoemen van dingen waar ze het niet slecht mee heeft gevonden. Arrogant trok April haar neus op zodat ze stiekem net kon zien hoe Joshua zijn beachcruiser zachtjes op het kiezelpad te rusten legde, om April niet wakker te maken, hoewel ze dat al lang was. Zijn wangen leken door het doorschijnende gordijn nog roder dan de appel die April gisteravond aan haar konijnen had gevoerd. April voelde zich als een toren van speelkaarten, een windvlaag verwijderd van het instorten. Joshua hield haar recht op, Joshua was het enige waarvoor ze haar gevoelens toonde, en als hij er niet was zou ze instorten, weet April zo zeker dat je er bijna bang van zou worden. April ziet Joshua overal, misschien herken je dit wel; je zit in de auto, of eerder, je hangt in de auto. Alle zenuwen in je lijf zijn het met elkaar eens, je hebt pijn. De hele dag heb je je ingespannen, en het is zo donker buiten dat je geen verschil ziet als je je ogen dicht doet. Zo slaapdronken als je je dan voelt, zo zit April hele nachten uit het raam te staren naar de maan die verdacht veel wegheeft van Joshua’s hoofd volgens April. Als een veertje vliegen je gedachten rond in de lucht, met als enige bestemming daar waar de wind je weer neerlegt. Maar nergens is vast, want je bent licht genoeg om weer opgetild te worden en meegesleept te worden in die achtbaan van inspanningen. Joshua had haar, ze was aan hem vastgebonden en versmolt in zijn handen bij elke aanraking. En elke kus verstrengelde hun ingehouden emoties wat voelde als prikkeldraad op haar lippen. Zo bestond haar prettig beknopte fabeltastische leven. En uit haar gevoel over dat prettig beknopte leven kon ze opmaken dat ze over het algemeen niets te klagen had. Vooral het fabeltastische deel beviel haar wel. Wat dat fabeltastische deel precies inhield wist ze niet helemaal, maar ze had het gevoel dat Rosie haar daarmee kon helpen. April was namelijk donderdag- om exact twee uur 35 en zo’n zes seconden- haar donkerbruine swatch horloge aan het bewonderen toen haar oog opeens uitschoot en haar blik het gelukkige glimlachje van Rosie opving. Onnozel, om zo van het leven te genieten. Ben je dan te dom om te zien dat het leven vol kleine kutfoutjes zit? Je kan toch niet blij zijn met niets, in ieder geval niet als je zo intelligent bent als ik. Een goed voorbeeld van onterecht blij zijn met iets kleins is afgelopen dinsdag. April kreeg dinsdag een originele zomerhoed van Chanel van Joshua. Een gloed van opwinding en vreugde huppelde in haar borstkas en de enige weg naar buiten voor deze emotie was om als een idioot in haar handen te klappen en een dikke zoen op de spiegel te geven. Wat ze uiteraard in het pashokje deed zodat de verkoper niet zag dat ze zich uitermate amuseerde met haar nieuwe vangst. Ze wilde niet dat mensen de indruk kregen dat ze blij was met iets kleins omdat April van mening was dat dat stompzinnig was, en nu deed ze het zelf. En ze wou niet dat mensen dachten dat ze al te veel om dit ding gaf, dat zou je toch als een onprofessionele shopper overkomen. Maar toen eenmaal in het café – drie straten verderop aan de linkerkant bij dat oude uithangbord – café laPillo’w die by the way bekend stond om zijn overheerlijke zure cheesecake, voelde April zich ietwat anders. Een bloedhete slok koffie met anderhalf schepje suiker deed April pas besef hebben van haar echte vreugde. Ze dacht aan haar buit; de peperdure Chanelhoed, ze dacht aan de mierzoete sinaasappeltaart die ze net had besteld en die haar dus nog te wachten stond en aan zorgeloosheid. Hoewel ze wist dat er niet iets als zorgeloosheid bestond, toch bleef ze er hardnekkig in geloven. Wat was het nou, dat dit tweede gevoel van blijheid zoveel fijner en warmer voelde dan het eerste? Dat dit tweede gevoel haar hart omringde als hoe de rook van haar moeders peuk de bus luchtverfrisser insloot. Dat dit iets wat dat tweede gevoel sterker maakte dat gevoel zo dwangmatig in het hart wou pompen. Dat het ondoordringbare tweede gevoel zo gemakkelijker en harder in het onondoordringbare hart stroomt. Waarschijnlijk zit het hem in het genieten, wist April nadat ze zag hoe iemands mondhoeken zachtjes ontspanden na de eerste hap van de beroemde cheesecake. Het ene moment in de – overigens boordevol stylish items – Chanel-superstore was ze meer bezig met eh… ja, andere dingen. In laPillo’w genoot ze bewust van alles wat haar meezat. Dat was alvast een minuscuul stapje dichterbij de ontdekking van de waarheid achter geluk. Alles moest duidelijk worden, want Aprils hoofd wist niet zeker of ze al die onzekerheid allemaal wel aankon. April moest het weten, en deze ervaring of ontdekking – hoe je het ook wilt noemen – was voor haar al een kleine stap. Nu moet je niet denken dat deze ervaring of ontdekking – hoe je het ook wilt noemen – hetzelfde voor jou geldt, en dat je er daarom zelf niet meer over na hoeft te denken. Dit verhaal is zeker niet heilig en niet alles van wat er in staat is waar, dit boek is niet meer dan mijn zicht op dit alles, mijn nederige mening. Iedereen moet voor zichzelf ervaren of ontdekken – hoe je het ook wilt noemen – wat geluk en al dat soort angstaanjagend belangrijke zooi voor jouzelf inhoudt. Dat kan ik, of dit boek, of April of Rosie niet voor jou volbrengen. We kunnen wel helpen, en je iets geven om over na te denken. Dat doe ik bij mezelf ook, alles wat ik ervaar of ontdek – hoe je het ook wilt noemen – verwerk ik in April of Rosie. Maar ik weet ook niet alles, en dat zal ook nooit zo zijn. Okay: weer back to the point… Het glimlachje van Rosie dat April in de waan liet dat Rosie nieuwe dingen wist en andere speciale leerzame ervaringen te vertellen had. Het enige obstakel om al deze informatie klakkeloos uit Rosie te schudden was Rosie zelf. Een diep gesprek tussen Rosie en April zat er nog niet echt in, want April kon zien dat Rosie gefascineerd was door de sparkeling in Aprils ogen, wat betekende dat ze diezelfde ogen vol argwaan aankeek. Nee, vertrouwen had Rosie niet in April, absoluut niet, en dat was nou juist wel wat ze nodig had om Rosie haar hart te laten luchten. “April?” Joshua’s lieve koppie kwam gelijk met kleine puntjes zonlicht haar deur binnenwandelen. “Slaap je nog?” Joshua schopte behendig binnen twee seconden zijn schoenen uit en dook als een papegaaiduiker op het grote bed. “Aaaaapril?” Zijn hoofd draaide zich om April en blies frisse adem van buiten tegen Aprils oor. “Ja?” “Oh je bent al wakker.” “Nee.” “Nee?” “Nee,” “Oh.” “Ik slaap nog.” “Oja.” Ook al lag Joshua uit Aprils beeld zag April Joshua’s grote grijns. April sloeg de dekens om en stak haar kleine teen uit bed. Koud. Geschrokken schoot de kleine teen snel weer warm terug onder de dekens en schoof tegen de deken aan om het snel weer warm te krijgen. Braaf schoof Joshua geruisloos uit de donzige dekens op het hoge hemelbed. “Wat doet ie nou? Gaat ie weg?” Schreeuwde Aprils hart hard. Haar hart, wat altijd zo vertrouwd en rustig tikkelde, bonsde nu zo heftig dat ze het in haar hals nog kon voelen. Maar haar zorgen waren keihard onnodig, verzuchtte haar gevoel, toen ze Joshua’s handen haar twee warme sloffen voor haar gezicht zag laten slingeren. Hij was gewoon doodleuk haar sloffen voor haar aan het pakken. Het bonzen verdoezelde weer weg tot het tikkelen was. En zo tikkelde het lekker verder. “Dankjewel”
“Zet je je helm wel goed op?” April prikte met de punt van haar zwarte biker-laarzen in het oneindig diepe kiezelsteentjesmeer op de hagelwitte oprit. Joshua’s wenkbrauwen zaten zoals elke morgen verstrikt in een hevige frons, omdat hij honderd procent zeker moest weten dat Aprils helm veilig op zat. Zijn armen waren enkele decimeters verwijderd van haar lichaam, en hij stond er bij alsof hij verwachtte dat ze elk moment kon omvallen en dat hij haar dan – stoer als een held – zou opvangen. Maar dit alles was alleen maar om op elk moment te kunnen toeslaan als April de helm losliet, zodat hij hem vliegensvlug nog wat strakker om kon doen. Daarbij probeerde hij April vooral niet in de ogen aan te kijken, want dan zou hij smelten, en als een gesmolten hoopje drap – zo iets wat net zo trilt als de pudding die zijn tante altijd in de vriezer zet, in plaats van in de koelkast – zou hij al helemaal niet in staat zijn om de helm veilig op haar mooie hoofdje te zetten. April ontsnapte uit zijn armen en ging brutaal op het zadel van de beachcruiser zitten. Dat deed ze met zo’n blik waarmee ze wou zeggen: “Pak me dan, als je kan…” Sierlijk tilde Joshua April van de cruiser af en zette haar zachtjes op de stang, en zelf plaatste hij zijn derrière op het zadel. Hij tilde Aprils tas op met één hand en zette hem achterop, zachtjes zodat de broodjes die er in zaten niet geplet zouden worden. En toen reed hij weg, met zijn armen op Aprils schouders en zijn handen op het stuur, op het witte grind en langs de bomen die wanhopig alle blaadjes probeerden vast te houden, terwijl ze één voor één bruin, rood of geel naar beneden kwamen dwarrelen. Ze reden het chique laantje waar April woonde uit – wat by the way ook nog eens de mooiste laan uit heel Rosethorne was – en sloegen het parkpaadje in. Daar slingerde Joshua elke ochtend om geen eenden aan te rijden en April moest daar ook elke morgen weer om gniffelen. Vooral zijn gezicht – half open mond en verschrikte ogen – die wanhopig alle eenden probeerde te signaleren was erg gniffel-opwekkend. Over het houten bruggetje langs de spoorbaan vol volgespoten wagonnetjes met graffiti er op. Joshua remde en gaf April een hand om de cruiser af te stappen. Daarna duwde hij de cruiser op de grond en graaide een spuitbus uit zijn rugzak. Hij fluisterde iets in de cap, en klikte hem vast aan de spuitbus. ‘Apri & Josh forever’ spoot hij enorm groot over alle andere pieces en tags heen op de wagon. Hij boog zich achterover en grijnsde trots naar April die er verbaasd naar zat te kijken. April beantwoorde met een glimlach en zei met haar ogen dat ze het mooi vond. Joshua liep naar haar toe, en liet de spuitbus op de spoorbaan vallen. Daar stonden ze drie en één halve seconde te knuffelen, toen ze geritsel hoorde in de wagon. Een stoel schoof opzij en de deur kraakte open op een kiertje. Een klein gerimpeld groen oog vol wallen scande het terrein en bleef hangen op April en Joshua die zenuwachtig stil bleven staan, in de hoop dat ze dan niet gezien zouden worden. De deur ging dicht en er werd haastig geritseld aan allerlei sloten. “Thorners, ik zal ze. Ze moeten maar uitkijken, ik ga ze bijten! Ik zal ze! Ik zal ze bijten!” Hoorde ze een agressieve stem mompelen. Joshua tilde zijn cruiser op en wenkte April dat ze moest komen zitten, maar hij hield zijn blik strak gericht op de deur die elk moment slotloos kon zijn en open zou kunnen zwaaien. Ze hoorde het geklik van een slot dat opensprong en de deurklink zakte enkele millimeters naar beneden. “April ga snel zitten!” Joshua wende zijn hele gezicht haar kant op zodat ze zijn bezorgde frons kon bewonderen. April sprong zo snel als ze kon op de stang en hield haar tas stevig tegen zich aan. Joshua vloog op het zadel en plante zijn nikes op de pedalen, de deur van de wagon waaide wijd open. “Trappen! Trappen!” April gilde dat ze weg moesten komen toen ze het gerimpelde gezicht van de man uit de wagon recht aankeek. Zijn ogen schoten vuur. “Blijf hier! Thorners! Ik zal jullie bijten! Kijk maar uit! Vannacht kom ik naar je toe, ik zal je bijten, Joshua!” Joshua schoot vooruit en trapte zo hard als hij kon. Toen hij zijn naam hoorde verstijfde hij. De man bewoog zijn hand – waarin zijn botten meer dan zichtbaar waren – en greep het randje van Joshua’s jas. April gilde het uit van angst. “Ga weg, enge oude man! Josh, trappen! Nu!” Joshua trapte verder, hard. Keihard reden ze weg, zonder één eend te raken. De oude man scheurde een stuk van Joshua’s jas af, en bleef achter bij de bekladde wagon.
3. “En dat is het binaire stelsel.” Beëindigde Mr. Snapjas zijn oneindigdurende verhaal. Typerend hoe de klas deze uitleg bijwoonde. Kyra en Fabiënne zaten streepjes en rondjes in hun schrift te krassen, April hakte een hartje in de schooltafel met haar rode zakmes met leren handvat, en Nate zat met Joshua en Christiaan te fluisteren over wie nou de beste voetballer van de klas was. Rosie was ijverig aan het werken. Nee eigenlijk deed ze niets, want haar werk was al een kwartier af. Ze verwonderde zich over dat de klas toch maar een stelletje kinderachtige pubers was. Ze was de enige die zich een beetje volwassen gedroeg. En April ook wel een beetje, hoewel dat waarschijnlijk alleen zo leek omdat April er gewoon heel volwassen uitzag. “Waar wachten jullie op, luilakjes!” Giechelde Snapjas. “Luilakjes” herhaalde April minachtend. “Ouderweeeets!” beantwoorde Joshua met zijn befaamde schuine glimlachje. In het pad tussen de twee rijen tafeltjes staken twee handen uit die elkaar stevig vastpakten. April en Joshua konden hun ogen niet van elkaar afhouden, en hun handen blijkbaar ook niet, zelfs niet in de instructie op school. “Jongelui, jullie worden over vijf minuten verwacht bij koken, zorg dat je niet alweer te laat bent.” Snapjas’ ogen bleven even hangen op Christiaan, die er meestal in de pauze vandoor gaat en dan pas bij het blok Frans weer terugkomt. “Sure.” Christiaan rolt met zijn ogen en leunt nonchalant met zijn stoel tegen de muur aan. De bel gaat. Het klaslokaal stroomt vol met de volgende klas die onderuit kan gaan hangen op de stoelen.
“Wiskunde is nergens voor nodig! Ik ga toch iets creatiefs doen, daar heb ik geen wiskunde voor nodig. Ik kan mijn tijd wel beter gebruiken. Voor het doorbreken als kunstenares bijvoorbeeld!” Praat Rosie tegen zichzelf, terwijl de groep mensen om haar heen er drie keer zo hard overheen brult. “Maar als dat nou niet lukt?” Rosie lacht. Ze praat blijkbaar ook onbewust terug naar zichzelf. Of was ze dat niet? Nee. Iemand praat daadwerkelijk tegen haar. “Hoe bedoel je?” Hopelijk antwoord de persoon en kan ze dan zien waar het geluid vandaan komt. “Nou, misschien breek je wel niet door als kunstenares.” Rosie draait met een zwiep van haar haar om en ziet Nate. “Dat weet ik niet.” Rosie kijkt naar Nates mond. Komt daar iets uit wat gericht is naar haar? “Ga daar maar eerst eens over nadenken.” Het leek even of Nates mond bewoog op het ritme van de woorden die ze hoorde, maar alles ging zo snel, en Kyra stond ervoor. Waarschijnlijk was het niks. Niemand praat met Rosie, behalve de koningin zelve, April. Zo stond Rosie in haar witte blouse en grijze rokje verward op het schoolplein, terwijl alle anderen – inclusief Nate – al waren weggelopen naar lokaal 103; koken. Kyra’s armband was het enige wat nog op het schoolplein lag. Waarschijnlijk gevallen, dus Rosie pakte het op en wou het terug brengen naar Kyra.

Dit is het tot nu toe…

Ik heb niet het hele verhaal gelezen, want ik ben té lui op dit moment(ik ga het een ander keertje wel lezen).
Maar het eerste stukje;
Rosies voeten struikelden over elkaar terwijl ze hun best deden sneller te zijn dan de kleine ijskoude golfjes die haar hielen probeerden te raken, en haar haren wapperden naar de zee, alsof ze die wilden uitdagen. De scherpe schelpjes deden pijn aan haar slipperloze voeten, maar dat kon haar niks schelen. Het enige waar ze oog voor had, was de prachtige blauwe zee waarmee ze tikkertje aan het spelen was. En ze won altijd. Ze wacht tot de wind stil ligt en laat zich daarna, als de wind weer begint met gillen, achterover omverwaaien. Haar koraalroodgelakte teen graaft een kuiltje in het zand. De zon verblindt haar en de secondes erna denkt Rosie maar aan één ding: Dat zij het gelukkigste meisje van de wereld wel móét zijn.
Vind ik al heel mooi! <3

Zet er alsjeblieft wat alinea’s in, want zo gaat niemand het lezen.

ALINEA’s PLEASE :stuck_out_tongue: Ik ga het zo niet lezen, dan krijg ik hoofdpijn