[Verhaal] Sapphiria

[center]

`In een wereld waar werkelijk alles anders is, moet de 17-jarige Icis vluchten van haar huis en overleven in de wildernis terwijl ze samen met haar lotgenoten het pad aflegt naar het onbekende Sapphiria.`


Dit verhaal is ook te lezen op:

  • Wattpad. (link komt nog)

Genres:
Actie, Fantasy, Drama, Science Fiction.

Triggers:
Zoals het er nu op lijkt is geweld is vrijwel de enige trigger die er in dit verhaal zal voorkomen. Wel raad ik je aan om dit verhaal niet te gaan lezen als je heel erg trigger gevoelig bent of jonger bent dan twaalf jaar.

Informatie:
In tussen alweer het vierde verhaal van mij hier op Girlscene. Ik heb hier helaas maar twee van afgemaakt, maar ik heb de hoop nog niet opgegeven! Dit verhaal is weer een genre dat nieuw voor me is. Over het idee heb ik behoorlijk lang gepeinsd - meer dan twee jaar om precies te zijn. Het is sinds de laatste paar maanden dat mijn ideeën uitgegroeid zijn tot basis waar ik daadwerkelijk wat mee kan. Ik weet zeker dat ik lang nog niet alles uitgewerkt heb, want tijdens het schrijven kom ik altijd weer op nieuwe ideeën, maar ik ben in elk geval behoorlijk enthousiast! Over de frequentie waarin ik post, het zal afhangen van mijn inspiratie en wellicht ook enigszins jullie en mijn enthousiasme. Ik durf hier niets over te zeggen, maar we zullen het vanzelf zien. Onderbouwd advies is welkom en ik hoop dat jullie het wat vinden!

Jaaa Kel :heart:

`HOOFDSTUK 1.1`


De deur van mijn slaapkamer vloog open en enkel dat was genoeg om me te wekken. Het horen van mijn naam schudde me alleen maar meer wakker. “Icis!” Het was een kunst hoe een fluistering zo dringend, maar toch ook kalm kon zijn. Dat was iets wat alleen Carden zo kon. Met gefronste wenkbrauwen tilde ik mijn hoofd op om een poging te wagen iets door mijn knipperende ogen te kunnen zien. Mijn vermoeide geest begon zich zorgen te maken. De lange jongen in de deuropening smeet een rugzak voor zich op de grond. Hij was gekleed in zijn strakke trainingsoverall en er was geen spoortje slaap in zijn gezicht te herkennen. Zijn witblonde haren zaten keurig in model gekamd en zijn helderblauwe irissen waren strak en alert op me gericht. Ik kon dus wel met zekerheid zeggen dat hij niet geslapen had en dat baarde me alleen maar meer zorgen.
“Pak je spullen, we hebben drie minuten om het bos in te verdwijnen. Je wapens vooral, de rest heb ik. En we komen niet meer terug, begrijp je dat?” vroeg Carden articulerend en vastberaden. We kwamen niet meer terug? Wat was er in hemelsnaam aan de hand? Hoe graag ik ook antwoorden wilde, ik wist dat dit geen moment was om vragen te stellen of om in paniek te raken. De blik in Cardens ogen was bloedserieus en het was meer dan duidelijk dat dit menens was. Plus, ik wist dat ik mijn broer blindelings kon vertrouwen.
Ik krabbelde moeizaam overeind. Het feit dat er zoveel informatie in een hele korte tijd bij me binnen was gekomen en dat ik gelijk al rechtop in bed zat, maakte me een beetje duizelig. “Begrepen,” bevestigde ik met een slaperig klinkende stem. Carden was binnen een fractie van een seconde weer verdwenen en terwijl ik mijn loodzware benen in beweging probeerde te krijgen, voelde ik de adrenaline in mijn lichaam toenemen. Was er iets met Jasch gebeurd? Of was er iets of iemand het kamp binnengedrongen? Duizenden scenario’s schoten mijn gedachten binnen terwijl ik de doos onder mijn bed vandaan trok en mijn trainingsspullen in de rugtas propte. Ik hoorde Carden naar buiten gaan en had werkelijk geen flauw idee wat hij aan het doen was, maar ik kon me daar nu niet mee bezig houden. Mijn focus moest gericht blijven op het geen wat me opgedragen was. Wanneer ik in mijn gedachten na probeerde te gaan wat nog meer belangrijk was om mee te nemen en mijn ogen daarbij de kamer scande, viel mijn blik stil op de ladekast. Ik sprong rechtovereind en probeerde de stroeve, houten lade in beweging te krijgen. Als er iets was wat ik niet moest vergeten, dan was dat het meest dierbare voorwerp dat ik bezat. Een opening was snel gecreëerd en ik stak mijn hand zodra het kon in de lade om er vervolgens een fragiele, metalen doosje uit te vissen.
“Icis!” hoorde ik van boven. “Kom, nu!” Zo snel ik kon, haastte ik me weer naar de rugzak toe. Ik deed mijn best om mijn snelle ademhaling te temmen en mijn lange, sneeuwwitte haren uit mijn gezicht te houden.
“Ik kom eraan!” gilde ik terug. Ik was in bezorgd. Bang door mijn onwetendheid, maar daar kon ik me niet aan toegeven. Nadat ik het doosje in de rugtas had gedaan, deed ik de rits dicht en zette ik het op mijn rug. Haastig stapte ik in mijn schoenen zonder de moeite te nemen om ze vast te binden. Ik greep naar mijn pijlenkoker en boog, voor ik de kamer uit vluchtte waarbij ik mijn pijlenkoker om mijn schouder wierp. De kans was zo groot dat ik iets belangrijks vergat, maar daar was nu niets meer aan te veranderen. Hoe weinig ik op dit moment ook wist; Carden had duidelijk gemaakt dat er geen weg terug meer was en op dit moment lag mijn lot in zijn handen.

Oeeh ik volg! :slightly_smiling_face:

Heeey you! Long time no see haha
Thanks! :hugs:

`Hoofdstuk 1.2`


Ik klom in alle haast de trap op naar buiten. Huppend van de ene trede naar de ander en met mijn blik naar het gat boven mijn hoofd, werd ik door een plotselinge weerstand bij mijn voet uit evenwicht gebracht en kwam ik met een smak in het zand terecht. Die verdomde schoenveters. “Kom, sta op,” zei Carden en bij het opkijken zag ik de hand die hij naar me uitgestoken had. Zodra ik de mijne optilde, greep hij me vast en trok hij me overeind waardoor ik gelijk weer op beide voeten stond. “Klim op je ranner, we moeten gaan,” beval hij en knikte naar een van de twee viervoeters terwijl hij de andere benaderde. Mijn ranner? De beesten waren niet van een zadel voorzien, maar toch wist Carden er binnen een fractie van een seconde op te klimmen. Ik volgde zijn bevel op en wendde me tot het spierwitte dier dat onrustig naast het hek stond. Vlug maakte ik de teugels los en lanceerde ik me op het enorme beest. Zijn lange, dikke manen zaten in een strakke vlecht gebonden en zijn spitse oren gingen alle kanten op. Hij was waarschijnlijk net zo verward als ik.
“Shit, daar zijn ze al,” waarschuwde Carden op een bezorgde toon en ik keek op om te zien wie hij bedoelde met ‘ze’. Een groepje ranners - voorzien van mensen met de soorten wapens die je met een oogflits zouden kunnen vernietigen - kwam recht op ons afstormen. Een korte blik was genoeg om te zien dat ze niet kwamen om vrienden te maken. Hun snelheid was zo enorm dat de grond ervan begon te trillen en het dunne zand dat ze achter zich lieten in wolken omhoog kwam. Terwijl mijn hart in mijn keel schoot en ik mijn evenwicht op de rug van het dier nog moest zien te vinden, zette Carden al een galop in om weg te stormen en volgde mijn ranner zijn pikzwarte soortgenoot onmiddellijk, waardoor ik me moest vastgrijpen aan de hals van de viervoeter om te kunnen blijven zitten. De krachtige hoeven van de dieren stampten op de grond om vaart te maken en ik moest alle spieren in mijn lichaam aanspannen. De angst om er af te vallen was sterk aanwezig, gezien ik wist dat de groep die ons volgde ons dan zeker weten in zou halen en wie wist wat er dan gebeurde. Binnen enkele seconden gingen we al zo vlug dat de omgeving voorbij flitste en alles wat ik voor me zag zo snel dichtbij kwam dat het moeilijk was om erop te kunnen reageren. Voor ik het wist hadden we het kamp al achter ons gelaten en moest ik mijn best doen om de takken van de bomen te ontwijken. Op dat moment draaide mijn maag zich om bij het besef dat het bos 's nachts verboden terrein was en het er alles behalve veilig was, maar ik riskeerde dat liever dan dat ik oog in oog kwam met het gevaarte achter ons. Door de snelheid zag ik weinig, maar ik hoorde van alles om me heen wat ik niet kon plaatsen. Ik klemde me aan de ranner vast terwijl ik gestroomlijnd op de bewegende spiermassa probeerde te blijven zitten. De rit leek steeds intensiever te worden naarmate de tijd verstreek. De ranners galoppeerde op hun maximale tempo; zo’n honderdtien kilometer per uur in deze omgeving. Het was dus ook geen wonder dat het lastig was om - ondanks dat ik er niets mis was met mijn conditie - op mijn plek te blijven.
“Carden!” riep ik wanhopig uit een schreeuw van angst. In tegenstelling tot mij zat hij stabiel op zijn viervoeter en dat terwijl hij met zijn zwaard het bos open knipte om te voorkomen dat de takken ons hinderden.
“Ze kunnen ons horen, dus we moeten sneller zijn dan zij. Anders gaan we er aan, hoor je?!” Zijn stem was luid en ondanks alles had ik geen moeite hem te verstaan, al waren zijn woorden niet bepaald geruststellend. Ik probeerde mijn oriëntatie vinden om te achterhalen waar we waren en welke kant we op gingen, maar op dit moment leek alles op elkaar. Het enige wat ik echt waarnam was dat we steeds steiler omhoog gingen en dat het pad - als je het zo zelf noemen kon - steeds smaller werd. Mijn paniek groeide, want mijn kracht nam met de seconde af en de consequenties van stoppen of vallen was voor mij geheel onbekend. Tranen sprongen in mijn ogen onder andere door de gemengde emoties, maar voor een groot deel ook door de snelheid, die ervoor zorgde dat de wind recht in mijn gezicht blies.
“C-carden, ik -” stamelde ik moeizaam, maar mijn stem was niet hard genoeg. Mijn greep probeerde ik opnieuw te verstevigen, maar het was niet genoeg om na een licht hupje nog op het dier te kunnen blijven zitten. Ik kantelde op het hals van de ranner en voor ik het wist voelde harde trap tegen mijn zij terwijl ik op werd gezogen door de zwaartekracht.

Ik volg!

`Hoofdstuk 1.3`

“Icis!” Ik was mijn oriëntatie verloren door de val, ondanks dat het voor mij in slow motion was gegaan. Een kreun verliet mijn mond terwijl ik roerloos op de grond lag. De klap die ik had gekregen door zo’n vier meter naar beneden te vallen was pijnlijk, maar ik kon het aan. Er was alleen geen enkele kans dat ik binnen een paar seconde weer op de ranner zat.
“Ga!” blèrde ik naar mijn broer toe en ik keek zoekend omhoog, wetende dat ik snel reageren moest. “Ga alsjeblieft!” Er was geen tijd om te twijfelen. Carden wist dondergoed dat hij geen andere keuze had dan mij hier achter te laten, maar dat maakte het niet gemakkelijk. Het was het enige wat ons nog kon redden. Ik lag enigszins uit het zicht en mijn ranner zou hem trouw volgen zoals dat ze getraind was. Als hij zou blijven zou dat er gegarandeerd voor zorgen dat ze ons beide te pakken hadden.
“Verstop je, oké? Ze zullen je niet vinden daar. Ik kom terug zodra ik kan, ik beloof het je,” hoorde ik hem zeggen met pijn in zijn stem. Ik hoorde hem niet vaak emotioneel en ondanks dat ik hem niet goed kon zien, raakte het me.
“Ga Carden!” smeekte ik, waarna de hoeven van de beide ranners zich vrijwel gelijk in actie zette om weg te draven en terwijl zij langzaam verdwenen, kwam een grotere groep ranners in opkomst. Het kortdurende verdriet over dat Carden me moest verlaten, verruilde zich voor pure angst dat kriebelde door al mijn aderen en zich in een rap tempo verspreidde door mijn hele lichaam. Mijn hart bonkte als een gek tegen mijn ribben aan en ik kroop zo dicht mogelijk tegen de rotsachtige wand aan. Vluchtig schoten mijn ogen om zich heen, maar er was weinig te zien in het donker en uit mijn waarnemingen kon ik vaststellen dat het om seconden ging voor ze boven me waren, dus vouwde ik mijn hand over mijn neus en lippen en deed ik mijn best om me te verschuilen in de schaduw, terwijl ik mijn adem geheel inhield. Ik huiverde, vrezend voor mijn leven. De rotswand begon dreigend te trillen en ik zag hun schaduwen al in het magere licht van de maan. Zagen ze me? Het voelde zo. Ik voelde hun ogen op me branden en hun pas leek vertragen. De paar seconden leken uren te duren en de trillingen van hun ranners werden steeds heviger en heviger, tot ze het punt er waren dat ze weer afzwakte en ik kon concluderen dat ze me gepasseerd waren. Langzaam maar zeker groeide het gevoel van opluchting, toen ze in de verte verdwenen. Ze waren me voorbij. Ik was er zo van onder de indruk dat ik bijna vergat om weer te ademen, al kon ik mijn adem nog vele malen langer inhouden. Diep inhaleerde ik van de frisse lucht en met gesloten ogen ontspande ik mijn lichaam weer, echter ik was nog niet geheel zorgeloos.
Na een paar seconde bijkomen, ging mijn gedachten weer terug naar Carden - die nog steeds moest maken dat hij wegkwam en ik hoopte met heel mijn hart dat dat goed ging. Ik zou er kapot van zijn als er iets met hem gebeuren zou. Mijn blik ging weer terug naar waar de achtervolgers zojuist verdwenen waren, terwijl ik me afvroeg waarom ze dit deden. Ik had hun gezichten nooit kunnen zien, maar was er vrij zeker van dat ik er in elk geval een paar zou herkennen als dat wel het geval was geweest. Kamp Spades was namelijk slechts een kleine populatie. Eén van de vier die was overgebleven op Aarde. En dan had je nog tientallen, honderdtallen of misschien wel duizendtallen die rondzwierven in de oneindige bossen. Niet dat we die nog mensen mochten noemen. Het was een ander soort geworden. Kwaadaardig en genadeloos. Sommigen geloofden dat zij of hun voorouders een pact met de duivel hadden gesloten en daardoor voort waren blijven bestaan of misschien zelfs wel onsterfelijk waren. Anderen geloofden dat ze door middel van mutaties en een snelle evolutie waren zoals ze nu waren. Hoe dan ook, ze vormden de restanten. De restanten van de Verwoesting die zich exact 631 jaar geleden heeft afgespeeld en op dit moment waren zij mijn grootste zorg.

Interessant verhaal, maakt me echt nieuwsgierig naar hoe het verder gaat. Ook echt goed geschreven, Kel! (:

Thank you! ^^

Upje!

Als er mensen zijn die verder willen lezen, laat het vooral weten! Ik post het alleen als dat het geval is namelijk.

Ik ben nog steeds je stille volger :angel:

`Hoofdstuk 1.4`

Ik reikte naar mijn pijlenkoker die op de grond lag en stak de pijlen die eruit waren gevallen er weer in, terwijl ik mijn omgeving scherp in de gaten hield. De geruchten gingen dat de restanten 's nachts het bos onveilig maakte en ik geloofde dat maar al te goed. Ik had twee keer eerder een restant gezien, beide keren was het tegen het avonduur. Ze zagen er op het eerste oog uit als een normale mensen al waren ze opvallend. Allebei hadden ze haren zwarter dan wie dan ook in Kamp Spades en door hun bleke huid viel het alleen maar meer op. Daarnaast waren hun kristal blauwe ogen kenmerkend, die zodra ze me aan hadden gekeken me het gevoel hadden gegeven alsof er twee messen door mijn ribben schoten. Het was haast alsof ze me onder hypnose hadden, zo verbluffend was het geweest. Uit het niets was ik vergeten hoe ik moest ademhalen en hoe ik met mijn ogen moest knipperen. Het was beangstigend.
De restanten waren geheel gewetenloos, gevaarlijk en sterker dan een normaal persoon. Ik kon het weten; mijn vader - Jasch - was een van de bewakers van het kamp en had daarmee het gevaarlijkste beroep denkbaar. Zonder hen zou het gehele kamp vele jaren terug uitgeroeid zijn op het moment dat de deuren van de bunker open waren gegaan. De bunker die de onze voorouders had beschermd tegen de Grote Verwoesting en ervoor gezorgd had dat niet de gehele mensheid was uitgeroeid of veranderd naar de wezens waarvoor ik nu moest vrezen.

Nadat ik mijn pijlen weer allemaal in mijn pijlenkoker had verzameld en ik mijn spierwitte haren in een lange vlecht had gebonden, ging ik naar de eerste de beste boom en met behulp van het licht van de maan wist ik er een paar takken af te trekken. Niet veel later had ik een kleine verzameling, genoeg om me mezelf mee te kunnen verstoppen. Terwijl ik tegen de rotswand aan ging liggen en het vochtige zand in het katoen van mijn pyjama voelde trekken, legde ik de verzameling van bladeren tegen me aan zodat ik gecamoufleerd was en ik zeker wist dat ik niet ontdekt zou worden als er iemand voorbij liep. Ik kon verder nergens heen. Dit was de plek waar Carden me had achter gelaten en als hij aan de groep ranners was ontsnapt, dan zou hij me hier komen zoeken. Ik moest hier blijven. Terwijl ik in stilte luisterde naar de geluiden die door het donkere, vochtige bos klonken, wachtte ik op mijn broer en vocht ik tegen een plots opduikende vermoeidheid. Het kwam in me op dat ik ik hier niet voor eeuwig kon blijven liggen en dat er een redelijke kans was dat hij om wat voor reden dan ook niet meer hier terug kon keren. Het bos zat bovendien vol met gevaren, maar daar wilde ik niet aan denken. Ik drukte die gedachten dan ook zo gauw als ik kon ook weer weg. Carden was de enige hoop die ik momenteel had en ik moest erin geloven.
Minuten begonnen als uren te voelen en mijn ogen werden steeds zwaarder. Het was een gevecht die ik niet kon winnen en langzaam gaf ik me eraan over. Het verzadigende gevoel van leegte nam me over en beetje bij beetje kwam mijn lichaam steeds dichter bij de uiterste ruststand, tot ik het bestaan van mijn omgeving geheel vergat en ik wegviel in een lichte slaap.

Beetje laat oepsie