[Verhaal] Profundo

Ik zit op de rand van de pier. Mijn Vans heb ik uitgedaan en naast mijn geplette dijbenen neergezet. Precies op het randje. Het vloeibare ijs likt aan mijn enkels en doorweekt de zoom van mijn broek. Het maakt mijn voeten gevoelloos. Die verdoving doet me goed. Ik heb hem nodig.
Ik kijk achter me, waar de haven zich als een hoefijzer om mij heen uitstrekt en er overal zeilscheepjes en motorbootjes zijn aangelegd. De huizen kijken me dreigend aan vanaf de kade. Het is tijd, fluisteren ze. Ik slik en er gaat een rilling door mijn voeten, waarvan ik dacht, waarvan ik hoopte, dat ze gevoelloos geworden waren.
Ik pak de balustrade achter me vast met mijn linkerhand en trek mezelf met al mijn weemoed omhoog. Ik hijs mijn voeten uit het water. De zee is niet te vertrouwen. Ik trek mijn Vans weer aan en strik de veters met een dubbele knoop. Door mijn kletsnatte huid zijn het twee sponzen aan mijn voeten.
Het is tijd, denk ik terwijl ik over de pier terugloop naar de boulevard. Het is donker, en de eerste sterren zijn al verschenen, fonkelend aan de hemel. Voor velen zijn de sterren een teken van geluk. Voor mij zijn ze vanavond het teken van een brandend hellevuur.
In de haven is het uitgestorven. Ik strompel over de boulevard en luister naar de geluiden van de nacht. In de verte rijden auto’s. Ik hoor ergens een sirene loeien. De zee spuugt tegen de aangelegde bootjes, alsof hij hen duidelijk wil maken dat ze moeten oprotten. De zee houdt er niet van dat hun motoren zijn water door elkaar ratelen, en het vervolgens ondankbaar weer verwerpen, om daarna een nieuwe lading tot zich te nemen. Mensen willen altijd maar méér, méér, méér. Het zal nooit genoeg zijn.
Mijn natte voeten laten een glibberig slakkenslijmspoor achter op de tegels. Het is alsof ik op twee smeltende ijsblokken loop. In het licht van een lantaarnpaal zie ik een man met een Labrador voorbij wandelen. De man heeft een hoed op en zwaait naar me. Ik zwaai beleefd terug. De Labrador kijkt me met samengeknepen oogjes aan. Het is tijd, blaft hij.
Gelukkig is het beest aangelijnd. Ik loop snel verder. De nacht vreet de dag langzaam op en de maan staat boven het water. Hij is sikkelvormig. Als een glijbaan. In mijn gedachten roetsj ik ervanaf en suis ik als een skydiver door de lucht omlaag. Voor niets of niemand bang.
Ik voel de oogjes van dat zwarte hondebeest in mijn rug priemen. Ik zet het op een lopen en ren langs tientallen lantaarnpalen de kille leegte in.
Het is tijd, fluistert die leegte.

Mooi!

Mooi! Vooral het stukje: “het vloeibare ijs” moest ik echt even over nadenken, bijzondere schrijfstijl!

Bedankt allemaal! :flushed: :grinning:

Heb nu even geen inspiratie maar schrijf denk ik morgen verder hieraan :slightly_smiling_face:

Update: had vandaag onverwachts een heel drukke dag! maar morgen komt het sowieso :slightly_smiling_face:

Het donkere fluweel strekt zich tot in het oneindige voor me uit. Felle speldenprikjes zijn door het kille zwart heen geregen. Zij vormen kleine herinneringen aan de lichtpuntjes van alle vervlogen tijden.
Het water aan mijn zompige schoenen vermengt zich met het zand. Samen vormen ze de modder waarin ik me voortsleep. Terwijl ik het gestipte fluweel met langzame tred nader, zie ik de zee. Met die voeten voel ik het; ik ben er. Ik kijk onder me. Daar bevindt zich de grens. De grens tussen de oppervlakte, en alles wat daaronder is.
Als de wereld een ijsberg is, bevind ik me nu slechts op het topje. Ik sta op het punt mijn lichaam over te dragen aan het veel grotere, nog onbekende daaronder. Wie weet gaat mijn ziel wel met hem mee.
Wie weet.
Ik kijk over de rand van de klif naar het water, zeker twee flatgebouwen lager. De woeste golven dreunen tegen de rotsige wand. Het is tijd, dreigen ze.
Ik voel de lucht langs mijn armen suizen. De zee trekt me naar zich toe. Hij snakt naar mijn gezelschap.
Ik ben gesprongen.

Ik volg!

Yes! Superleuk :grinning:

Ik beef. Iedere vierkante centimeter van mijn vel wordt door ijzig vocht bedekt. Alles wat ik aanraak is drijfnat, maar de ruimte om me heen is niet met water opgevuld. Ik krom mijn tenen, waaraan de zanderige schoenen ontbreken. Ik heb niet gevoeld hoe de neuzen van mijn All-Stars zich door het wateroppervlak heen boorden, en de zee mijn huid insloot. Wat heeft die zee dan wél gedaan?
Van schrik veer ik op. Ik gooi het zeiknatte dekbed wild van me af en het belandt op de grond, die bedekt is met drupjes. Mijn hele matras is doorweekt, met hoeslaken en al. Mijn haren zijn nog net zo nat als ze waren toen ik gisteravond onder de douche vandaan kwam, en ze zijn kóúd.
De gordijnen zijn open en het ochtendlicht omsingelt me. Regen spat tegen de ramen. De wind geeft het water een duwtje in zijn rug. Een heimelijk lentebuitje.
Ik zet mijn handen af tegen het doordrenkte matras en sta op. Een plens water klettert uit mijn nachtjapon op de vloerbedekking. Ik kijk naar de stof op mijn buik, die daar als half opgedroogde lijm aan zit vastgeplakt. Het katoen glimt en probeert mijn lichaam met zijn gewicht omlaag te trekken.
Ik loop naar de badkamer, waar ik in de douchecabine ga staan en mijn haren uitwring. Ze voelen aan als gebroken stro dat urenlang in een buitenzwembad heeft gelegen. Met een zwart elastiekje van de plank onder de spiegel bind ik alle plukjes in een paardenstaart. Terwijl ik dat doe, staar ik in het zilverig reflecterende glas. Een lijkbleek meisje kijkt naar mij terug. Ze is blond, en heeft ogen zo groen als pas gemaaide grasvelden. Wanneer ze haar wenkbrauwen naar me optrekt, ontstaat er een kuiltje rechts bovenin haar voorhoofd. Zou zij weten wat er gebeurd is?
Ik trek de glimmende nachtjapon over mijn hoofd heen en kwak hem in de badkuip. Met een handdoek die ik van hat kastje pak droog ik me af. De ruwe stof sluipt over mijn naakte lichaam.
Daarna ga ik terug naar mijn slaapkamer en trek ik droge kleren aan. Een effen zwart T-shirt; daaroverheen een donkerblauw bloemetjesvest. Met een zwarte skinny jeans kapsel ik mijn verkleumde benen in. Die twee arme pootjes troost ik tenslotte met een paar wollen Primarksokken.
Ik ga de trap af naar beneden. Mijn All-Stars liggen naast de deurmat op hun kant, met de gekronkelde veters naar mij toe. Zelfs vanaf de trap kan ik zien dat ze nat en vies zijn, want de stof is donkerwit en op sommige plekken bruin van het zand. Ik heb mijn schoenen gisteren bij de verwarming uitgedaan. Hoe is dat gebeurd?
Op mijn hoede open ik de deur van de huiskamer en werp ik een blik door het kiertje. Daar is niks veranderd. De schilderijen hangen nog aan de muur en het meubilair is niet verplaatst. Ik loop naar binnen. Op de eettafel ligt een omgekeerd bonnetje van de Kruidvat. Tussen de prijsjes door staat een tekstje in papa’s boodschappenbriefjeshandschrift.

Hee lieffie,
Veel suc6 vandaag. Zet ‘m op!
Xxx Papa

Mijn maag voelt als een theedoek die wordt uitgewrongen. Misschien was die ook wel nat geworden.
Ik verfrommel het plastic-achtige papier en gooi het in de prullenbak.
School. Ik werp een schuchtere blik op de klok naast het aanrecht. Het is vier over half tien. Vandaag heb ik de eerste twee uur vrij. Daar hecht ik geen waarde aan, maar toch werkt tijd nu in mijn voordeel. Déze keer wel.

De fietspaden glanzen als gedweild marmer. Kuilen in de weg worden opgevuld door troebele poedels. Het is vast al erg lang aan het miezeren.
Zoals altijd had ik met Vicky afgesproken dat we samen zouden fietsen. Tien uur op de hoek van de Wilhelminastraat, bij Café Roses. Om twee over tien was ik er. Ik heb nog tot tien over tien gewacht, maar ze is niet gekomen. Ik weet niet waarom het nou weer nodig is dat ik teleur word gesteld. Als ik hard trap, kom ik denk ik nog wel op tijd; de les begint om half elf. Nederlandse literatuurgeschiedenis. Ugh.
Mijn voeten drukken de geribbelde trappers om en om omlaag. De druppels tikken tegen mijn haren; ze geven ze geen enkele kans om op te drogen. Ze geven klopjes op mijn schedel, en die tikjes resoneren door in mijn hersenen. Of verbeeld ik me dat?
De hele tijd breek ik mijn hoofd over wat er nou is gebeurd. Het was een droom, maar het was echt. Dat kan helemaal niet. Een droom speelt zich slechts af in je hoofd, en dringt niet door je schedel heen tot de werkelijkheid door. Als al dat water uit mij zou zijn gekomen, was mijn lichaam nu niet meer dan een verschrompelde, droge rozijn geweest. Heeft iemand dat water misschien over mij heen gekieperd? Papa misschien? Nee, dat kan niet. Ik ben dan geen lichte slaper: dat zou me zeker weten wakker maken. Was het de regen? Nee, mijn ramen waren dicht. En bovendien zou er wel meer zeiknat zijn geworden dan alléén het matras.
Modderplas in zicht. Angstvallig wijk ik uit naar rechts, maar het is al te laat en ik roetsj door de derrie heen. De fietsbanden verdwijnen onder het water en mijn broekspijpen worden nat gespetterd. Fijn.
Het schoolgebouw wenkt me vanuit de verte. Het is nog een paar honderd meter fietsen. De bomen staan als soldaten in strakke rijen aan weerszijden van de weg. Achter me hoor ik luid getring en mijn hart slaat over. Een wielrenner scheert langs me en water spettert vanaf zijn achterste fietsband op mijn enkels. De druppeltjes van de motregen tikken nog altijd gestaag tegen mijn hersenpan aan. Ben ik nou wel wakker uit die droom, of zijn er nog elementen uit die donkere wereld aanwezig? Was het water in mijn kamer wel echt, of was dat ook zo’n illusie?
Ik fiets het schoolplein op. In de fietsenstalling is het moeilijk om nog een plekje te vinden, maar op de zesde rij heb ik al een stukje leegte gespot. Ik stap af en zet mijn fiets tussen een rode Sparta en een donkerblauwe Gazelle. Nadat ik de sleutel in het slot heb geklikt, wend ik me tot het schoolgebouw. Zijn donkere ramen staren me aan als duizenden ogen van een monster. Ik tel de stappen die ik zet; negenennegentig tot de ingang. Dit is precies zoals ik op sommige momenten dacht compleet te zijn, maar dat nét niet was; nét geen honderd.
Ik trek de deur open en stommel het gebouw binnen. Het is nog pauze, en in de aula stikt het van de mensen. Er wordt luidruchtig gepraat en in de buurt van de kantine zelfs met voedsel gegooid. Niemand kijkt op of om.
Met gebogen hoofd dool ik naar de kluisjesruimte aan de rechterkant. De mijne bevindt zich, van achteren gezien, in het tweede blok; op de bovenste rij. Ik moet altijd op mijn tenen staan om erbij te kunnen, en zelfs dan reiken mijn vingertoppen nog niet tot de ijzeren achterzijde.
Mijn Eastpak-rugzak trekt aan mijn schouder. De rijen kluisjes zijn net als honderden kleine kooitjes. Links van me staat een hijgend stelletje wat te flikflooien. Hier en daar wisselen vrolijke vriendengroepjes wat woorden. Er is geen kostbare ziel die acht op me slaat.
Ik sla rechtsaf, want ik ben er. Uit mijn jaszak haal ik mijn sleutelbos weer tevoorschijn. Met bibberende hand klem ik de glimmende kluisjessleutel tussen mijn vingers, steek ik de tandjes ervan in het slot en draai ik hem om. Het deurtje piept terwijl ik het opentrek. Onmiddellijk glijden drie boeken me tegemoet. Als snowboarders van een schans vliegen ze tegen me aan en vallen ze op de grond. Die zijn tenminste wél enthousiast me te zien. Gehaast pak ik ze op en prop ik ze terug tussen de troep, behalve Néé-der-lands, want dat heb ik nu. Ik werp een snelle blik in de boekenkooi en vis ook mijn BiNaS en scheikundeboek er tussenuit. Ik rits mijn tas open en stop de boeken erin. Dan rits ik mijn jas open, trek ik hem uit en duw ik hem diep in mijn kluisje.
Met een krachtige zwaai sluit ik het deurtje; ijzer klapt tegen ijzer. Even vrees ik dat de kinderen links van me zullen opkijken. Dat doen ze niet.
Ik gooi mijn rugzak weer over mijn schouder en richt mijn blik op de grond. Bedrukt begeef ik me naar de trappen die naar kerkers en torenkamers van onderwijs leiden.

Als ik boven aankom, staat mijn hele klas al voor het lokaal. Het hoofd van Elena steekt boven de groep uit. De bel is net gegaan; alle gangen beginnen langzaam maar zeker vol te stromen. Ik wring me tussen babbelende leerlingen door en baan me een weg naar haar toe.
‘Jonge, kijk eens uit!’ Een kindje met varkensoogjes een rugzak als een rotsblok werpt me een vuile blik toe.
‘Sorry.’, mompel ik terug, en ik buig me nog verder voorover.
Elena en de anderen staan in een soort scheve kring, maar ik kan me er niet zo tussen persen. Ik zie Vicky naast Anne staan en er wordt weer aan mijn maag geschroefd. Ik loop om Elena en Anne heen en tik Vicky op haar schouder.
‘Hee!’, Waarom ben je weggefietst? Als je me niet aardig vindt, kan je het ook gewoon zeggen, hoor.
‘Hoi!’, antwoordt ze met een glimlach, en ze kijkt gelijk weer weg.
Vicky en de anderen zijn aan het praten over een serie die ik nog nooit gezien heb. Ik voel me een beetje ongemakkelijk, en dus tuur ik maar wat om me heen. Naast het trapgat rennen twee jongetjes uit waarschijnlijk de brugklas schaterend achter elkaar aan. In de verte komt een in bloemetjesgordijn gehulde mevrouw Schuurmans aangewaggeld. De jongetjes scheren voor haar langs en het scheelde maar een haartje, of de achterste was tegen haar merkloze tas aan geknald.
Ik loop weer om Elena en Anne heen en ga naast de deur staan. Ik kijk naar mijn nagels, die allemaal verschillende lengtes hebben. Mijn linker wijsvingernagel is het langst; er zit een restje paarse nagellak op, minstens drie weken oud.
Mevrouw Schuurmans maakt het lokaal open en lacht naar me.
‘Hoi!’
‘Hallo, mevrouw.’
Ze trekt de deur open en maakt een gebaar van ‘ga-jij-maar-eerst’. Ik knik en loop naar de achterste hoek van het lokaal, waar ik op de stoel naast het raam ga zitten. De anderen lopen ook de klas in en verspreiden zich, van achteren naar voren, over de zitplaatsen. Er is niemand die naast mij komt zitten. Ik weet best dat een aantal het oké zouden vinden om me als gezelschap te hebben, maar ik ben te verlegen om voor mezelf op te komen op dit soort gebieden. Met mijn kantige nagels tik ik op het tafeltje, waar schunnige tekeningetjes en vulgaire tekstjes in gekrast zijn. Ik kijk naar buiten. Een oude man met een baard en een regenjas fietst voorbij. Op zijn dooie gemak ontsnapt hij aan alle ogen van het schoolgebouw.
In je leven heb je eigenlijk maar twee niet-zo-hectische periodes. Je kindertijd is natuurlijk de eerste. Dan maak je heksensoep maak van modderwater en is een schaafwondje op je knie het ergste wat er bestaat. Na deze kindertijd komen de échte drama’s; geluk wordt gebaseerd op dingen als status, geld en uiterlijk. Dat gaat zo ongeveer door tot de verlossing van je pensionnering. Zo af en toe kan je buiten het hoogseizoen op vakantie, en je kunt in bed liggen wanneer je dat wil. Hoe zijn we die onbezorgdheid van onze jeugd kwijtgeraakt, en waarom vinden we hem in de laatste levensfase pas weer terug?