[Verhaal] Oorsprong

Nou, de eerste keer dat ik verhaal plaats op girlscene (:
weet niet of jullie het wat vinden, maar ik hoop van wel natuurlijk.
Als iemand schrijf/stijlfouten ziet wil ik het graag weten, zodat ik het kan veranderen.
Kritiek is altijd welkom, zolang het maar wel een beetje beschaafd blijft.
<3

Ik ben ontzettend slecht in inleidingen, daarom maar direct het eerste stuk.
Het is een fantasie verhaal, maar gaat ook enigszins over de liefde tussen de hoofdpersoon en Demian, maar dat is meer een bijzaak.

1. Dorpelingen

De radio van Kalistos’ witte Audi cabrio stond zacht aan. Een warme bries scheerde langs onze huid en onze haren wapperden rond ons gezicht. Langs de eenzame weg was weinig te zien. Hier en daar stonden wat bomen in het vergeelde gras waar enkele dieren op graasden. Vogels cirkelden door de lucht boven ons waar enkel een paar pluizige wolkjes te zien waren, ruim verspreid over de blauwe vlakte met de zon in zijn midden.
‘Hoe lang rijden we nu al?’
Ik keek vanuit mijn boek op naar Essifia die half gedraaid op de bijrijderstoel naast Kalistos zat.
‘Geen idee,’ antwoordde Kalistos.
Essifia wierp een blik op mij maar ik haalde mijn schouders op en keek weer in mijn boek. Waar was ik? O, ja.

‘In elk geval,’ zei Elinor, om te verkomen dat mevrouw Jennings haar zusters gedachten even duidelijk zou lezen als zij, ‘weet ik bijna wel zeker dat Sir John en Lady Middleton tegen het eind van de week in de stad zijn.’
‘O, zeker, lieve juffrouw, dat kan ik u vertellen. Mary krijgt altijd haar zin.’
En nu, bedacht Elinor in stilte, stuurt ze vandaag nog een brief naar Combe…

nog een stukje??

onze haren wapperdeN
dieren op graasdeN
Vogels cirkeldeN

Veranderd (: dankje

Terwijl ik verder las waren Essifia en Kalistos een discussie begonnen. Weer keek ik op uit mijn boek om te luisteren naar wat ze te zeggen hadden.
‘Waarom gaan we überhaupt de natuur in?’ klaagde Essifia.
Kalistos zuchtte. Daar had hij wel gelijk in, dat had hij de afgelopen dagen al zo’n twintig keer moeten uitleggen. ‘Essifia, vorig jaar zijn we geweest naar waar jij heen wilde, dit jaar gaan we het bos in.’
Ik schudde mijn hoofd, legde mijn boekenlegger tussen mijn boek en ging anders zitten.
‘Is er nog wat te drinken?’
Zonder de discussie te stoppen boog Essifia zich voorover en gaf mij een blikje aan.
‘Dank je.’
Ik opende het blikje en keek over de vlakte. Verderop – het was nog nauwelijks te zien – kwamen er meer bomen in zicht. Ik luisterde naar het nummer op de radio en tikte met het ritme mee tegen het portier terwijl ik Essifia en Kalistos negeerde. Ik moest toegeven dat ook ik geen flauw idee had wat ik vijf dagen in een bos moest doen. Ik was geen geboren kampeerder. Maar ach, we kunnen er vast wel iets van maken.
De bomen langs de weg kwamen steeds dichter op elkaar te staan en al snel was er niks anders meer te zien dan de grijze weg voor en achter ons, de blauwe lucht vanboven en de bomen als muren van groen aan de zijkanten. Ik sloot mijn ogen. Essifia en Kalistos waren ook stilgevallen en alles wat er nog te horen was was het zachte geluid van de radio en de tjilpende vogels vanuit het bos.

ik vind het wel leuk (:
ga maar verder!

Na een half uur lang over hobbelige bospaadjes te hebben gereden kwamen we aan op een kleine open vlakte wat voor de kampeerplaats door moest gaan.
‘Ik vind het hier maar niks, dit is echt zo’n plaats waar nietsvermoedende kampeerders, zoals wij, worden meegesleurd het bos in en sadistisch worden gemarteld en vermoord,’ klaagde Essifia terwijl ze op haar pumps de modder instapte. Ik schoot in de lach en keek over de vlakte. Kalistos nam geen moeite om daar nog op in te gaan en haalde de tent uit de achterbak van de auto.
‘Goed, wie gaat me helpen opzetten?’
Ik stak mijn hand op en liep met hem mee tot ongeveer het midden van de vlakte. Hij haalde de stokken en het tentdoek uit de opberghoes en legde alles uitgespreid op het gras.
‘Essifia, ga jij maar even verderop kijken of je een winkeltje of een dorpje of iets kan vinden,’ commandeerde Kalistos terwijl hij mij een tentstok aangaf.
‘Alsof iemand hier ook maar in een straal van honderd kilometer woont. Geen enkel normaal…’
‘Essifia!’
‘Goed, goed ik ga al, als ik niet meer terug kom ben ik vermoord door een of andere maniak,’ mopperde ze, en wankelend liep ze over het bospad tussen de bomen door. Ik gniffelde en hielp verder met het opzetten van de tent.
Binnen twintig minuten was de tent opgezet. Ik liep naar de auto om de tassen, de slaapzakken en de kussen, die opgepropt bij mij op de achterbank hadden gelegen, te pakken. Met de bagage onder mijn armen geklemd liep ik terug naar de tent en gaf het aan Kalistos zodat hij alles zijn plaats kon geven. Terwijl hij bezig was besloot ik het bos in te lopen om een aantal takjes te zoeken die dadelijk voor het vuur gebruikt konden worden.
Het viel hier eigenlijk nog best mee. Het was rustig, de zon scheen en er waren overal dieren. Vogels, eekhoorns, konijnen en ik zag zelfs in de verte een klein hert wegsprinten. Het zou hier ideaal zijn voor een natuurliefhebber, maar de drang om zoveel mogelijk tijd in de natuur door te brengen heb ik nooit gehad.
Met de takken in mijn armen liep ik terug naar de open plek. Tijd voor een wandeling zou er nog genoeg zijn. Ook Essifia was terug en ze had plaatsgenomen in een stoel die voor de tent was neergezet.
‘O Nymfida daar ben je! Je zult het niet geloven, er is serieus een dorpje hier vlakbij! Het is er heel klein en er wonen nauwelijks mensen, eigenlijk… de mensen die er wonen zijn een beetje vreemd,’ begon ze te ratelen. Ik liep naar haar toe en ging in de stoel naast haar zitten. ‘Er waren een paar oude mensen… en eh een meisje en een paar jongens, die overigens veel te lang naar me staarde…’ Essifia rilde.
Ik schoot in de lach, ‘Alsof je dat niet vaker gebeurt.’
Met een giechel haalde ze haar schouders op toen Kalistos de tent uit kwam.
‘En, geen enge, sadistische, psychopathische moordenaar tegengekomen?’
Essifia stak haar tong uit en sloeg het tijdschrift dat op haar schoot lag open. Ik legde de takken op het gras en stond op om mijn boek uit de auto te pakken.
Terwijl Essifia en ik lazen begon Kalistos aan het avondeten.
Na het eten maakten we samen van de takken een klein kampvuur en gingen in de stoelen er omheen zitten. We overlegden over wat we de komende dagen konden gaan doen en hadden in geen tijden zo gezellig bij elkaar gezeten. De gesprekken duurden voort tot diep in de nacht, tot we vermoeid besloten dat het tijd was om de tent in te kruipen.

sorry dat ik zo langzaam reageer, ik wist niet of er nog iemand was die het las (A) daarom nu maar een wat langer stuk

Na het eten maakteN we samen van de takken een klein kampvuur en gingen in de stoelen er omheen zitten. We overlegdeN over wat we de komende dagen konden gaan doen en hadden in geen tijden zo gezellig bij elkaar gezeten. De gesprekken duurdeN voort tot diep in de nacht, tot we vermoeid besloten dat het tijd was om de tent in te kruipen.

voor de rest leuk (:
ga maar verder !

Ik verander het binnenkort even (: kom net terug van m’n werk en ben echt doodop :’) x

De volgende morgen werd ik al vroeg wakker. Zo stil mogelijk kroop ik uit de tent en liep met mijn slippers aan mijn voeten over het vochtige grasveldje. Vlakbij de auto zette ik een stoel neer en ging zitten. Eerlijk gezegd was het hier best fijn. Ik had goed geslapen de afgelopen nacht, ondanks dat mijn eigen bed een stuk comfortabeler ligt. Het was weer eens wat anders, zo’n tent. Ergens was ik best benieuwd naar het dorpje waar Essifia het over had gehad. Misschien zouden we daar vandaag heen kunnen gaan, ik tenminste.
‘Goedemorgen,’ klonk een krakende stem vanaf de andere kant van het veldje. Essifia kwam in haar pyjama uit de tent gestapt. Haar gekrulde blonde haar pluisde enorm en stond alle kanten op rond haar smalle porseleinkleurige gezicht. Ik schoot in de lach.
‘Hallo, goed geslapen?’
‘Jawel.’
Ik knikte en sloot mijn ogen terwijl ik verder praatte, ‘Ik wil vandaag naar dat dorpje gaan, heb je zin om mee te gaan? Jij weet tenslotte al waar het is.’
Het bleef even stil en ik deed mijn ogen weer open om te kijken waarom. Essifia keek het bos in en liet haar blik toen rustte bij mij. ‘Goed. Ik ga wel mee, en Kalistos?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Geen idee.’
‘Ik ga ook mee!’ klonk het vanuit de tent.
Kalistos kwam de tent uit, liep naar Essifia en ging naast haar staan. In tegenstelling tot Essifia had hij pikzwart gekruld haar dat tot rond zijn oren kwam. Ik was de enigste van ons met stijl haar, stijl donkerbruin haar. Soms was ik jaloers op mijn broer en zus, vanwege die prachtige, perfecte krullen. Wat ik zelfs niet voor elkaar kreeg met een krultang. Maar hoe verschillend onze haarkleuren ook waren, we hadden alle drie dezelfde lichte porseleinkleurige huid.
Ik stond op uit mijn stoel en liep richting de tent.
‘Goed, ik ga me maar even aankleden en daarna ontbijten. Dan kunnen we zodirect vertrekken.’
Essifia en Kalistos stemde ermee in en zo gezegd, zo gedaan.
Een uur later liepen we tussen de bomen door en over kronkelende paadjes opzoek naar het dorpje waar Essifia zei dat ze gister was geweest. Maar na zo’n tien minuten gelopen te hebben begon ik te twijfelen of ze er wel echt was geweest. Zo lang was ze gister toch niet weggeweest? Maar net toen ik ernaar wou vragen stapten we tussen de bomen uit en kwamen er een aantal huisjes tevoorschijn. Abrupt stopte Kalistos en ik met lopen.

ben ik de enige die dit leest??
ik vind het leuk (:

Ja blijkbaar wel, nou ik ben er wel blij mee dat überhaupt iemand het leest (A)
dus nog een stukje!
als ik meer moet gaan posten enzo wil ik dat wel doen, moet je maar even zeggen of je dat handiger vind of gewoon liever elke dag een klein stukje leest?

‘Nou, ik zei het toch,’ zei Essifia zelfvoldaan.
‘Hmhm…,’ murmelde Kalistos. Ik had daar weinig aan toe te voegen.
We kwamen weer in beweging en liepen dichter naar de huisjes toe. Bij één van de huisjes zat een oude vrouw in een schommelstoel op de veranda. Ze keek ons onderzoekend aan en kreeg een glimlachje op haar gezicht. Ik glimlachte terug.
‘Hallo,’ zei de vrouw met een vreemd accent.
‘Hallo mevrouw,’ antwoordde ik beleefd.
Kalistos was naast me komen staan en Essifia was opzoek gegaan naar een winkeltje. De kans dat ze die zou vinden schatte ik niet erg groot.
‘Wat leuk om eens mensen in ons kleine dorpje te zien, er komen niet zo heel veel mensen hier langs zie je,’ begon de vrouw.
‘We kamperen voor een aantal dagen hier in de buurt. Toen mijn zus gister een stukje ging lopen kwam ze hier langs.’
‘O ja, dat dunne meisje met dat blonde haar.’
Ik glimlachte. ‘Ja, Essifia.’
Het gezicht van de vrouw vertrok en ze kreeg denkrimpels in haar voorhoofd. Automatisch trok ik een wenkbrauw op en keek vragend naar Kalistos. Hij schudde zijn hoofd en wees richting een aantal andere huisjes. Er stonden twee jongens en een meisje opgewekt met Essifia te praten.
‘Dat zijn Demian, Achi en Camilla,’ zei de vrouw.
Plots keken ze alle vier onze kant op. Essifia begon te zwaaien en kwam onze kant oplopen met de drie dorpelingen achter zich aan.
‘Er is hier geen eens een winkel,’ klaagde ze zodra ze bij ons stond. ‘Ik snap niet hoe jullie het overleven,’ zei ze verbaasd, zich weer omgedraaid naar de jongens en het meisje. Ze schoten in de lach. Ik bekeek de drie aandachtig. Het meisje had honingblond haar en felblauwe ogen. Ze had een perfect figuur en droeg een simpele zwarte broek met daarboven een blauw T-shirt. De jongen aan haar linker kant was misschien meer dan een kop groter dan ik. Hij had kort, zwartbruin kleurig haar en goudbruine ogen. Zijn huid was prachtig lichtbruin getint. Zo’n kleur waar ik al snel jaloers op word omdat ik het nooit zou krijgen, hoe lang ik ook in de zon zou zitten. De andere jongen was een stukje kleiner dan hem maar nog altijd groter dan mijn één meter achtenzestig. Hij had bruin haar wat bijna naar zwart neigde en donkerblauwe ogen waar ik even in bleef staren voor ik doorhad dat ik weg moest kijken. Hij glimlachte.

Ik vind steeds kleine stukjes wel goed hoor (:
gewoon zoals het nu is zeg maar.

De jongen aan haar linker kant was misschien meer dan een kop groter dan mij ik

super leuk (:
ga maar weer verder!

Ik vind het wel tof, ook al is het niet echt mijn ding.

Klein puntje: Eerste stuk staat er Kalisto’s audi. Zou dat niet Kalistos’ audi moeten zijn?

YAY, nog een lezer! En oja, dat was een foutje, verbeterd!

‘Hallo, ik ben Demian, dit is Achi en zij is Camilla,’ zei hij terwijl hij het jongen en het meisje aanwees.
‘O eh… nou oké…,’ zei ik terwijl ik naar de grond staarde. ‘Mijn broer en zus, Kalistos en Essifia. Maar haar ken je al.’ Ik keek op en wees met mijn wijsvinger richting mijn broer en zus terwijl ik hun namen opzei. ‘En ik ben Nymfida.’
Ik keek op naar de jongen en zag dat hij nog steeds glimlachte.
‘Mooie naam.’
‘Dank je,’ pruttelde ik verlegen.
‘Goed goed!’ kirde Essifia, ‘Er zijn hier dus helemaal geen winkels!? En… wat is hier dan wel te doen vijf dagen lang?’
‘Kom maar mee,’ zei Camilla, ‘We hebben hier misschien geen winkels maar ik heb troep genoeg, misschien kunnen we wat verzinnen.’
Essifia’s gezicht klaarde op. ‘Goed! Kom op!’ zei ze enthousiast.
‘Gaat er nog iemand mee?’ vroeg Camilla beleefd.
Kalistos en ik schudden ons hoofd. ‘Nee, ga maar.’
Camilla en Essifia liepen weg richting de huisjes.
‘Wil je echt niet met ze mee?’ vroeg Kalistos verbaasd.
‘Nee hoor, ik vind het buiten veel fijner.’
Hij haalde zijn schouders op en keek naar de jongens.
‘Hebben jullie misschien zin om te… kanoën?’ vroeg Achi.
‘Is er hier water in de buurt? En hebben jullie wel genoeg kano’s?..,’ reageerde Kalistos.
‘Hier verderop is een meer, je kunt er ook vissen. En ja, wij hebben genoeg kano’s.’
‘Dat klinkt goed!’
‘Nann, wij gaan kanoën.’ zei Achi tegen de vrouw in de schommelstoel op de veranda.
‘Natuurlijk,’ ze knipoogde naar de jongens en mij.
De jongens liepen voor ons uit het bos in en Kalistos en ik liepen snel achter ze aan. We moesten een stukje door het bos voor we uitkwamen bij een immens meer. Het was een prachtig uitzicht. Het meer was omringt door bomen en aan de overkant was een grote groene heuvel waar herten op het gras lagen. De zon weerkaatste in het heldere water van het meer waar je zelfs een aantal vissen in kon zien zwemmen en, boven dit alles, vlogen allerlei soorten vogels.

Kalistos en ik schuddeN ons hoofd.
O dat geeft niet. haha wat geeft niet??

verder!! :grin:

Oh, haha wat stom :’) Eerst had ik bij die zin “Maar wij hebben geen kano’s”
en dat heb ik toen veranderd, maar dat eronder niet… xD

‘Wauw,’ stootte ik uit.
Demian keek met een grijns om terwijl hij richting de kano’s liep die aan de zijkant van het meer lagen. ‘Ja, dat is weer eens wat anders hè?’
Ik knikte instemmend en bleef om me heen kijken. ‘Het is hier prachtig!’
‘Het is hier zeker mooi,’ kwam Kalistos ertussen.
We waren bij de kano’s aangekomen en Achi en Demian trokken ze het water in.
‘Nou, kom op,’ zei Achi vrolijk. Hij stapte in een kano en wenkte Kalistos en mij. Kalistos liep ook voor een stukje het water in en stapte in een kano. Twijfelend bleef ik aan de rand van het meer staan en keek naar mijn broek. Hij had driekwarts pijpen maar ik was er niet helemaal zeker van of ik tijdens het kanoën om zou vallen of niet. Achi en Kalistos waren al op weg naar het midden van het meer maar ik begon ijsberend heen en weer te lopen. Demian stapte uit zijn kano en bleef ernaast in het water staan.
‘Kom je nog?’
‘Nou eh… ik weet eigenlijk niet of ik wel ga.’
‘Waarom niet? Ben je bang dat je omvalt?’
Hij liep door het water naar me toe en ging aan de rand van het meer zitten.
‘Ja, eigenlijk wel.’
Ik ging naast hem zitten en staarde naar Achi en Kalistos die bezig waren met een wedstrijd naar de overkant.
Demian grijnsde en stapte terug in het water.
‘Dat gebeurt niet, kom nou maar.’
Hij stak zijn hand uit. Zonder zijn hand te pakken trapte ik mijn slippers uit en stapte het water in. Het viel best mee, het was niet eens zo koud. Ik liep met grote passen naar de kano’s – omdat ik bang was dat ik op een vis of iets dergelijks zou trappen – waardoor de spetters om me heen vlogen. Eenmaal bij de kano begon ik van de ene op de andere voet te trappelen en dacht na over hoe ik er het beste in kon springen zonder hem om te gooien.
‘Dank je,’ klonk het met een sarcastische toon achter mij.
Ik draaide me om en zag dat ik Demian helemaal nat gespetterd had. Ik sloeg mijn hand voor mijn mond.
‘O sorry!’ Ik stampte terug en merkte dat het daardoor niet echt beter werd, aangezien al de spetters nu weer opnieuw in het rond vlogen. Ik bleef stilstaan en keek Demian zwijgend aan. Stel nou dat hij zo iemand is die om dit soort dingen boos wordt? Stel nou dat hij een… een…
Demian schoot in de lach. ‘Het geeft niet.’
Hij liep naar me toe en bleef een meter van me af stilstaan. Voor ik het wist vlogen de waterdruppels in het rond. Ik schopte woest met mijn voet om terug te kunnen spetteren maar verloor mijn evenwicht en ging onderuit. Proestend kwam ik boven en liep wankel door het water terug naar de kant. Toen ik weer bijna omviel greep een hand mijn pols vast en trok me mee naar de kant. Lachend ging ik op het gras liggen en keek naar Demian. Doordat ik in de lach was geschoten merkte ik dat ik water had ingeslikt en kokhalzend proestte ik het uit. Demian schoot daardoor ook in de lach en kwam naast me liggen.

Stel nou dat hij zo iemand is die om dit soort dingen boos wordt
verder maar weer (: