Verhaal; nog géén titel..

Proloog!
Angst. Beelden. Alles kwam zo snel op me af. Zoveel herinneringen. Wat was er aan de hand? Wilde ik dit echt. Had ik mijn eigen behoeftes over voor mijn zus. Ik deed mijn ogen dicht. De hoofdpijn drong nóg meer door. Wilde ik hier wel zijn? Het ging er niet om of ik hier wel wilde zijn, het ging er om dat ik hier moést zijn. Als ik van mijn zus hield zou ik hier moeten staan. Maar hield ik van haar? Naar alles wat ze me had aangedaan. Kón ik hier staan voor haar? Ik zou moeten doorbijten. Moeten denken aan de goede herinneringen aan haar. Ik moest hier staan. Ik zal hier staan.

Hoofdstuk 1
Argwanend kijk ik naar mijn zus. Fiona. Fiona was mooi. Dat waren we allemaal. Nouja, niet echt allemaal. Ons ‘soort’. Ik erger me aan Fiona. Ik erger me niet aan haar prachtige bruine haren. Niet aan haar amandelvormige ogen. Niet aan haar strakke kaaklijk. Niet aan haar lange benen. Nee, zelfs niet aan haar postuur. Ik erger me aan iets veel ergers; de manier hoe ze kijkt naar hem. Taylor. Hoe vaak heb ik die naam al niet gehoord uit Fiona’s mond? In de 117 jaren dat we leven hebben we ons nooit iets aangetrokken van de aandacht die we kregen. Als vampier was je mooi. Dat was een feit. We zijn het gewend. Ik heb geen behoefte aan die aandacht. Fiona wel. Dat blijkt. Ze kan niet zonder Taylor. En Taylor niet zonder haar. Ik wou dat we nooit vegetarisch waren geworden. Dan kón ze niet met hem zijn. Maar nu kunnen we niet meer terug. We eten geen mensen, alleen dieren. Niks weerhoudt haar om bij hem te zijn. En hij is overdonderd. Ik snap niet wat zo anders is aan hem dan aan alle andere jongens die we gezien hebben in ons 117 jaar bestaan. Ik snap het niet. En ik zal het ook nooit snappen, volgens Fiona dan. Ze zegt dat er ‘iets speciaals’ is tussen hen. Ik kan haar niet tegenhouden. Maar het ergert me dat ze geen enkel idee heeft hoe veel gevaar we nu wel niet lopen. Taylor weet niks van ons leven af. Als hij het te weten komt is de kans groot dat hij vermoordt moet worden door de Volturi. En áls dat al niet zou gebeuren, dan kon het nog altijd zijn dat Taylor het vertelt. Het vertelt aan zijn vrienden of familie. Natuurlijk vertrouw ik Taylor, maar dit was zo anders. Hoe moet ik weten of hij het voorzich zelf kan houden. Áls hij het te horen krijgt. Fiona staat erop. Maar ik wil het niet. Te veel risico. De bel. Eindelijk. Ik sprint iets té snel naar de deur. Fiona kijkt me boos aan. Ik kan er niks aan doen. Waarom moet ik me gedragen als Fiona zoveel gevaarlijker bezig is dan ik? In de aula zit ik aan de vaste tafel. Fiona komt naast me zitten. Dat is uitzonderlijk, meestal zit ze bij Taylor. Ik kijk haar boos aan en negeer haar. Ze tovert een appel tevoorschijn uit haar leren tas en kauwt. Teminste, het lijkt nét echt. Maar ik weet wel beter. ‘Kun je daar mij stoppen?’ vraagt ze aan me terwijl ze weer een ‘nep’ hap neemt van de appel. ‘Waarmee?’ brom ik laag. Ik leun naar achter en merk dat mijn rug pijn doet. Die beer die ik gisteren te pakken had, was erg wild. Helaas voel ik het nu nog steeds. Vreemd. ‘Met die acties! Dadelijk veraad je ons nog’! Haar ogen spuwen vuur. Ik weet dat ze boos is. Maar ik houd me voor de gekke. ‘Hoe bedoel je?’ vraag ik schijnheilig. ‘Je snapt heus wel wat ik bedoel! Je hoeft toch niet expres hard te lopen, álle antwoorden goed te hebben en niks uit de katine te halen’? snauwt ze naar me. Ik haal me schouders op. ‘Misschien ben ik wel een nieuw olimpisch kampioen snelwandelen, ben ik heel slim en doe ik aan een dieet!’ Fiona draait met haar ogen. ‘Je brengt ons veel meer in gevaar dan dat ik doe!’ zegt ze zacht. Ze staat boos op en loopt vloeiend naar de deur naar buiten. Naar Taylor. Natuurlijk. Ik zucht. Waarom moet ze zo moeilijk doen. Ik wil zo graag lang in dit stadje blijven. We zitten nu in de zesde klas maar we kunnen , als we geslaagd zijn, het nog 5 jaar volhouden. Tenzij mensen achterdochtig worden. We moeten toch óóit ouder worden. Ik kijk naar buiten en zie mijn weerspiegeling. Ik zie er moe uit, zoals altijd. Mijn hazelnoot bruine haren heb ik in een staart gebonden. Praktisch. Ook zoals altijd. Ik wilde net doen alsof ik naar de wc ging toen ik een kreet hoorde. Bloed. Heel sterk bloed. Ik zie een meisje met een snee in haar hand aan de tafel links van me. Ik sta op en houd mijn adem in terwijl ik niet te opvallend naar buiten loop. Ik loop naar Fiona en Haar ogen staan niet meer zo boos maar blij is ze niet. Ik grijp haar arm. ‘We kunnen beter even gaan’ zeg ik fluisterend. Ze kijkt me boos aan maar ze begrijpt me gelukkig wel en loopt naar Taylor. Ze flusitert iets in zijn oor en loopt richting onze auto. Een bwm M3, Fiona uitgekozen. Als hij maar rijdt. Eigenlijk ren ik liever, maar ik kan natuurlijk niet rennend naar school… Dus dan maar de bmw M3. Ik Loop eerst naar de schoolbalie en meld ons af. Dat gaat vaak erg makkelijk. Tandarts deze keer. Mevrouw Weusten gelooft het, zoals altijd. Ik loop naar de auto, nog steeds met mijn adem ingehouden, en trek het portier open. Fiona zit al achter het stuur en ik ga zitten met een zucht. ‘Rijden maar’ beveel ik.

Goed geschreven, alleen het doet me heel erg denken aan Twilight.

Idd je hebt erg veel inspiratie uit twilight gehaalt
maar wel leuk ^^

(en misschien kan je proberen de zinnen soms wat langer te maken ipv heel veel korten zinnen & punten)

Doet me denken aan twilight.

Dankjewel. Ook voor de tips (:

Hoofdstuk 2
We zitten in de auto en rijden hard over de snelweg. Waar zou Fiona heenrijden? Aan haar donkere ogen te zien zijn we op weg naar het bos. Gister heb ik alleen een beer kunnen vangen, Fiona had minder geluk. Ik besluit niks te vragen, ik heb ook best dorst dus ik wel best nog een keer gaan. Als er ongelukjes gebeuren waarbij bloed aan de orde komt, smeren Fiona en ik hem meestal zo snel mogelijk. We kunnen ons best beheersen, maar voor de zekerheid melden we ons steeds af op school. Niet dat het zo vaak gebeurd… We slaan een bospad in en na een korte minuut zet Fiona de auto aan de kant. We lopen naar de rand van het bos. Ik hoor onze voetstappen over de knisperende bladeren. ‘Kate, ik ga vandaag voorop, gister heb jij die beer voor mijn neus weggekaapt. Ik ben nu aan de beurt’. Ze grijnst en springt met een onnoemelijke snelheid het bos in. Ik zucht maar ik volg haar op de voet. Ik ben al lang blij dat ze niet meer zo boos is. Fiona is altijd al sneller geweest, ook toen we nog geen vampieren waren. Kennelijk is dat nog van haar overgebleven. De afstand tussen Fiona en mij wordt steeds groter. Ik ruik om me heen en na een tijdje ruik ik iets dat ruikt als een hert. Ik rem resoluut af en sluip over de grond. En inderdaad, het is een hert. Ik zie Fiona verder rennen en ik concentreer me op het hert. Ik leun op de hielen van mijn voeten en zet me af. Het is een routine geworden. Ik spring op en zweef door de lucht, het hert heeft nog niks door dankzij mijn doodstille bewegingen. Maar dan knal ik hard tegen iets aan in de lucht. Een hard geluid ,weerkaatst door de kale bomen, galmt door het bos. Met een harde knal val ik op de grond en ik zie het hert uit mijn ooghoeken geschrokken wegsprinten. ‘Sorry!’. Een stem zweeft boven mijn hoofd. Ik probeer op te krabbelen, maar dat gaat me slecht af. Een hand verschijnt in mijn zicht. Zonder naar het bijbehorende lichaam te kijken pak ik hem aan. Koude handen, witte huid. Natuurlijk weet ik genoeg; vampier. Alsof dat niet duidelijk was. Als ik tegen een mens was opgebotst, was het mens waarschijnlijk overleden aan zijn verwondingen. Ik kijk de persoon die voor me staat aan. Een jongen of man, ik weet het niet precies, kijkt me geschrokken aan. ‘Gaat het wel?’ Bezorgd kijkt hij naar mijn broek die kapot is. ‘Ja hoor’ lieg ik. ‘Ik ben heus wel aan wat gewend hoor’ ik strek mijn rug en zoek om me heen. Fiona had ons toch moeten horen botsen? ‘Fijn, daar gaat mijn avondeten’ klaag ik hardop. Hij lacht. ‘Sorry, ik had beter moeten opletten’ verontschuldigt hij zich. ‘Ik zoek wel iets nieuws voor je.’ Hij glimlacht naar me. ‘Ik ben Marts’ hij steekt een hand naar me uit. Ik kijk de hand iets te lang aan waardoor hij hem al wilt terugtrekken. Snel grijp ik de hand. ‘Kate, Kate is mijn naam’. Ik kijk de jongen aan. Hij heeft een bleke huid, donkere haren en diep zwarte ogen. ‘Hmm je bent vast niet lang vampier…’ vraagt hij zich hardop af. ‘Hoezo dat?’ reageer ik nors. Nooit leuk om te horen, alsof ik een controleloos persoon ben. ‘ Kate is een vrij moderne naam, niet iets wat je vijftig jaar geleden veel zou horen…’ hij kijkt me onderzoekend aan. Wat een stomme theorie is dat. ‘Ik heet ook eigenlijk Katherina’ fluister ik zonder hem aan te kijken. ‘Aha! Dat verklaart een hoop’! Hij glundert bij zijn ontdekking. ‘Wat doe je hier? De dichtstbijzijnde vampieren wonen honderd km verderop.’ Hij zucht. ‘We zijn net verhuisd, we waren te lang op dezelfde plek. We werden gewaarschuwd door de Volturi; de mensen werden achterdochtig’. Ik zie de verdriet in zijn ogen. ‘Het is altijd moeilijk om weer verder te gaan’. Ik knik. ‘Met hoeveel zijn jullie?’ hoor ik mezelf vragen. ‘Met vier; Oliver, Patrick, Allie en ik.’ Hij snift met zijn neus. ‘Woon jij hier alleen dan?’ hij kijkt me vragend aan. Net als ik antwoord wil geven springt Fiona voor me. ‘Blijf van haar af!’ geschrokken deins ik achteruit. Fiona sist naar Marts alsof ze een wild dier is. ‘Het is goed Fioon’ stel ik haar gerust. Teminste, dat hoop ik. Fiona herstelt zich snel. ‘Wie is hij?’ ze knikt met haar hoofd richting Marts. ‘Ik hoorde een harde knal en ben meteen terug gekomen’ zegt Fiona dan tegen niemand in het bijzonder. Net als ik wil antwoorden reageert Marts. ‘Ik knalde tegen je zus Kate aan’. En het spijt me heel erg, maar ik lette gewoon niet goed op. Ik ken het gebied nog niet zo goed.’ Marts schuifelt met zijn voeten. ‘Oh, oke’ ze kijkt me aan met de vraag in haar ogen of het echt oke is. Ik sla mijn ogen neer. ‘ Dit is mijn zus Fiona’ antwoord ik Marts gestelde vraag. ‘We wonen hier al vijf jaar en zitten in de zesde klas’. Marts richt zijn blik op Fiona. ‘Hallo, ik ben Marts.’ Weer steekt hij zijn hand uit, maar dit keer naar Fiona. Fiona kijkt hem minachtend aan maar schudt toch de hand met hem. ‘Fiona’ antwoordt ze. Er breekt een ongemakkelijke stilte aan. ‘Dus jullie zijn ook vegetarisch, goh dacht dat wij de enige waren…’ verbreekt Marts de stilte. Ik slik. ‘Ja, we willen zo veel mogelijk onder de mensheid zijn. Anders word je zo snel eenzaam.’ Marts knikt. ‘Ik ken het gevoel’ lacht hij. ‘Zijn de andere drie ook mee jagen?’ vraag ik dan maar. ‘Nee, ik wilde het gebied even verkennen. Maar het is hier erg groot’. Fiona kijkt geschrokken. ‘Andere?!’ Ik knik. ‘Marts is hier komen wonen met drie andere vampieren’ leg ik haar uit. Fiona kijkt Marts onderzoekend aan. ‘We kunnen je wel het bos laten zien’ stel ik voor aan hem. ‘Je hebt me nog een hert te goed’ spot ik. Zijn gezicht klaart met de seconde op. ‘Ja natuurlijk! Ik kan je niet laten gaan zonder je hert terug te geven! En het is fijn om het bos te leren kennen!’ gaat hij verder. Fiona kijkt me boos aan maar draait zich om en sprint weg. ‘Zo die is snel!’ roept Marts verbaast. ‘Dan moeten we maar snel achter haar aan gaan’ roep ik terwijl ik al begin te rennen. Ik hoor Marts achter me lachen maar dan hoor ik hem vlak achter me rennen. ‘Op naar een hert!’ roept hij.

Hoofdstuk 3

Zaterdagochtend vroeg in de morgen zijn Marts, Fiona en ik uitgejaagd. We hadden een grote buit: 4 herten, 2 beren en ten slotte ook nog een das. Het smaakte goed zoals altijd, niet denkend aan het alternatief. Lachend lopen we richting onze auto. ‘Ik denk dat ik maar naar huis ga rennen’ zegt Marts als we bij onze auto aankomen. ‘Straks worden de anderen nog ongerust’ zucht hij. Ik knik. ‘Nee, je hoeft niet te rennen. Wij brengen je wel!’ stelt Fiona dan voor. Ik kijk haar vragend aan. Sinds wanneer wilt ze Marts plezieren? Het duurde lang voordat ze was gestopt met rennen gisteravond. Marts en ik hielden het amper vol. Toen ze eindelijk wat bedaart was, stopte ze met rennen. Daarna was het heel gezellig geweest, maar Fiona was nog steeds niet helemaal haar zelf. Het verbaasde me dat ze Marts naar huis wilde brengen, niet dat ik daar mee zat. ‘Ja, dat doen we!’ voeg ik toe, zodat het niet lijkt alsof ik het er niet mee eens ben. Marts glimlacht. ‘Oke dan’ en hij springt in onze auto. Op de terugweg is het lang stil. Ik zit achter het stuur. ‘Wat ik niet snap’ begint Marts nadat we tien minuten zwijgend rijden, ‘hoe kan het dat jullie alleen wonen? Minderjarige, want dat zijn jullie officieel, mogen toch niet alleen wonen?’. Hij kijkt verward, dat ziet er grappig uit. ‘Onze vriendin Bethea komt af en toe langs, ze denken dat zij onze moeder is. Maar ze reist erg veel dus veel zien we haar niet’ antwoord ik Marts. Hij knikt. ‘En daar doen ze niet moeilijk over op school?’. ‘Nee niet echt, we bellen Bethea als we oudergesprek hebben ofzoiets. Als ze kan komen dan komt ze natuurlijk en speelt ze het toneelstukje mee. Als ze het te druk heeft verzinnen we een smoes’ Fiona glimlacht bij het laatste stukje van haar antwoord. ‘Zit jij niet op school?’ vraag ik aan Marts. ‘Nee, ik ben als negentienjarige gestorven dus mensen geloven het als ik zeg dat ik al werk… Alhoewel ik soms ook naar school ga, dit keer heb ik daar niet voor gekozen’. Op dat moment rijden de straat van Marts in. ‘Mooi huis’ zeggen Fiona en ik tegelijk. Ze kijkt me verwaand aan. ‘Dankjewel’ zegt Marts. Het huis is erg groot. Het heeft een witte kleur en ziet er plat uit. Het ligt midden in het bos en het heeft veel ruiten. ‘Mijn broers en ik hebben het bedacht, mijn zusje heeft de inrichting mogen doen’ hij glundert. ‘Het is echt heel erg mooi’ hoor ik Fiona dromerig zeggen. Hij knikt. We lopen sneller dan menselijk naar de voordeur en hij doet de deur open. ‘Kom binnen’ hij duwt de deur voor ons uit en laat ons eerst binnen. ‘Wauw het is zo ruim!’ zeg ik. Op dat moment kom er een mooi meisje aan met lange blonde haren. ‘Allie, dit zijn twee vriendinnen die ik heb ontmoet tijdens het jagen’ hij wijst naar mij. ‘Dit is Kate, ik ben heel hard tegen haar aangebotst. En dit is Fiona, haar zus.’ Allie knikt naar ons beide. ‘Hoi ik ben Allie!’ zegt ze met een prachtige zachte stem. ‘Allie is mijn zus’ verklaart Marts. Hij ziet de vragende blik in onze ogen. ‘Onze hele familie is 98 jaar geleden aangevallen door vampiers, onze ouders hebben het niet overleefd maar mijn zus Allie, mijn broers Oliver en Patrick en ik wel.’ Hij kijkt triest naar de grond. ‘Kom maar mee naar de huiskamer!’ glimlacht Allie naar ons. Ze trekt Fiona aan haar hand mee en ik loop achter hen aan. Op de bank liggen twee jongens te stoeien. Zodra ze ons zien stoppen ze. ‘Gosh, kunnen jullie je voor een keer niet voorschut zetten?’ zegt Allie geërgerd terwijl ze met haar ogen draait. Een hoofd wat exact op dat van Marts lijkt, komt te voorschijn. ‘Deal, als jij ons dan waarschuwt als er twee mooie dames binnenlopen’ slijmt de jongen die precies op Marts lijkt. ‘Sorry hoor’ verontschuldigt Allie zich naar ons toe. ‘Ook al leeft hij al 118 jaar, in werkelijkheid is hij drie’ zucht Allie. ‘Dit is Patrick, mijn broer’ zegt Marts. Patrick geeft Fiona een handkus en daarna ben ik aan de beurt. De charmeur. ‘En hij is Oliver, mijn broertje’ hij wijst naar de jongen die op de grond ligt. ‘Hallo!’ roept hij terwijl hij op probeert te staan. Ook hij stelt zich voor. ‘Wat brengt jullie hier?’ vraagt Patrick terwijl hij knipoogt naar Fiona. ‘Ik ben ze tegengekomen in het bos, ze waren zo aardig om mij welkom te heten’ zegt Marts trots. ‘Mooie vondst’ ik hoef niet te kijken wie dat zegt, natuurlijk Patrick. Allie en Marts laten ons dan het huis zien en het is werkelijk prachtig. In elke kamer kan je van het uitzicht genieten. De woorden ‘wauw’ en ‘prachtig’ ontglippen regelmatig mijn lippen. Ook Fiona lijkt het mooi te vinden. Na nog een uurtje gekletst te hebben besluiten Fiona en ik maar eens te gaan. De hele familie zwaait ons uit. ‘We komen snel bij jullie langs!’ roept Marts ons na als we naar buiten lopen. ‘Moeten jullie zeker doen’ gil ik terug. Ik zie ze allemaal weer naar binnen gaan, behalve Patrick. Fiona en ik stappen in onze auto. Net als ik de auto start komt Patrick aanrennen. Hij klopt op Fiona’s raampje, en Fiona draait het open. ‘Dag beautiful!’ hij aait haar over haar wang en sprint weer terug. Fiona kijkt hem stralend na. ‘Heeft er iemand een teiltje?’ floep ik eruit. ‘Je hoeft niet zo jaloers te zijn hoor’. Ik knik. ‘En ik heb trouwens Taylor al dus wees gerust’. Weer knik ik maar ik hoor aan haar stem dat ze daar nog niet zo zeker van is…

http://freshome.com/wp-content/uploads/2008/10/villa-1-powerhouse-company-1.jpg

http://medias.jiwa.fm/artist/210/11049.jpg

Kate (links) Fiona (rechts)

Huis van Marts, Allie, Patrick en Oliver

http://www.touchemodels.com/m/fs/1166266530_009.jpg

Allie

http://www.stormmodels.com/images_models/3299/Simon_18.jpg

Oliver

http://www.stormmodels.com/images_models/3576/Dallas_16.jpg

Patrick

http://www.stormmodels.com/images_models/3674/Adam_Cowie_22_B.jpg

Marts