[verhaal] Mysterious

Slenterend liep ik de schooltrappen af, mijn zware schooltas op mijn rug dragend. Ik voelde me misselijk en had hoofdpijn. Ik wou net het portier van m’n auto openen toen ik achter me mijn naam hoorde roepen.
‘Isa! Ik zocht je al.’
Achter me stond Tim, hijgend en puffend van het harde rennen.
‘Ik had een vraag:’ hij stopte even om op adem te komen. ‘Zou je me naar huis willen brengen? Mijn auto is kapot en zoals je weet woon ik ver buiten de stad en, nouja, je snapt me wel.’
Hij moet de blik in m’n ogen gezien moeten hebben waardoor hij zei:
‘Het hoeft niet hoor, maar ik dacht: het is maar een kleine moeite om me heen te brengen.’
Hij was even stil.
‘Maar dan ga ik maar weer.’
Hij liep weg, en ik ving nog snel een glimp van zijn bedroefde gezicht op. Het deed me pijn om hem zo verdrietig te zien, en ik zei:
‘Tim, kom maar, ik breng je wel thuis.’
Hé, verdorie, waarom zei ik dat nou.
Met een ruk draaide hij zich om en ik zag een brede lach op zijn gezicht.
Ik deed het portier aan de bestuurderskant open en ging zitten. Tim deed zelf zijn portier maar open –hij mocht blij zijn dat hij überhaupt met me mee mocht rijden.
Tim stapte in en knalde het portier iets te hard dicht waardoor mijn hoofd weer begon te bonken.
Ik keek even peinzend maar draaide toen de sleutel om en drukte met mijn voet op het gaspedaal. Ik keek nog snel even naar Tim die tevreden uit het raampje keek en reed de parkeerplaats af.
Een tijd lang was het even stil. We reden door de drukke straten, waar allerlei auto’s rondreden; van kleine roestbakjes tot de mooiste praalwagens met mensen erin waarvan sommigen nors voor zich uit keken, anderen druk aan het bellen waren en weer anderen de muziek te hard aan hadden staan –je zag het aan de bewegingen.
Tim was de eerste die de stilte verbrak en zei:
‘Je weet waar je moet zijn, toch?’
Ik was zo diep in gedachten weggezakt, dat ik niet merkte dat hij iets aan me vroeg. Pas toen hij een zucht van ergernis slaakte drong het tot me door dat hij wat gezegd had.
‘Oh, sorry. Eh, wat zei je net?’
Ik voelde me knullig en had het gevoel dat ik rood werd.
Tim keek me weer aan, glimlachte vergevend, en herhaalde zijn vraag nog eens:
‘Of je weet waar ik woon.’
Ik keek hem even kort aan, met een blik in m’n ogen die voor hem al genoeg betekende.
‘Oh, domme vraag?’
‘Een heel domme vraag.’
Verbeterde ik. We lachten.
Ik sloeg een zandpad in en we reden langs een rij grote huizen, de ene nog mooier dan de andere. Bij het 4e huis stopte ik. Tim deed het portier open en stapte uit. Hij pakte zijn tas, deed het portier weer dicht, liep voor de auto langs naar de voordeur en zwaaide nog even. Ik zwaaide terug, met een glimlach rond m’n mond. Ik keerde op de oprit en reed terug. De hoofdpijn was ondertussen weggetrokken; zo’n ritje in de auto doet je goed. Ik zette de radio aan, maar deed hem ook meteen weer uit. De hoofdpijn was waarschijnlijk toch niet helemaal weggetrokken en greep z’n kans mijn dag weer te verzieken. Ik reed weer over de drukke straat, maar lette niet op de auto’s rond me heen. Ik hield mijn aandacht op de weg.
Ondertussen dacht ik aan mijn eigen warme, gezellige kamer, waar ik lekker mijn ‘luie kleren’ aan kon doen en met een kop warme chocolademelk lekker keiharde muziek kon luisteren.
Maar mijn gedachten verdwenen toen ik ineens stil kwam te staan. Ik zag dat de meeste mensen de auto uit stapten om te kijken bij de oorzaak van deze mini-(intussen al groot geworden)file. Er spookten meteen allerlei nare gedachten door mijn hoofd. Wat moest er zo erg zijn dat iedereen ging kijken? Is het iemand die ik ken? Misschien is het wel een vriend van me! Ik stapte snel de auto uit en rende naar de plek waar iedereen heen ging. Ik wurmde me door de menigte en kwam uiteindelijk op een plek te staan waar ik alles goed kon zien. Nouja, niet dat ik iets zag hoor. Er was namelijk helemaal niks te zien!
Ik zuchtte geïrriteerd en liep terug naar m’n auto, gaf een slinger aan het stuur en ik kwam op de meest linker rijstrook; daar zat tenminste nog een beetje beweging in.
Een half uur later –het viel me nog mee hoe lang het duurde- kon ik weer met een lekker gangetje over de straten racen. Ik reed langs de winkels, waar het, zoals gewoonlijk, weer heel druk was. Ik sloeg linksaf over de brug en kwam toen bij m’n eigen huis aan. Ik deed het portier open, greep m’n zware tas waarvan het me niks zou verbazen als hij 100 kilo woog, en stapte uit, ramde het portier dicht en liep het stenen pad op naar de voordeur. Ik zocht in mijn tas naar de sleutels, en toen ik ze had gevonden drukte ik ze in het sleutelgat. Ik stapte binnen en sloot de deur achter me. Ik slenterde meteen de trap op, op weg naar m’n kamer, waar ik kon nadenken over alles wat ik deze dag had gezien. Over alles wat raar was.

hmm lijkt me leuk, meer ?

verder!