[Verhaal] Kinderen van de nacht

Inleiding:

Het verhaal gaat over de 20 jarige Meagan die ruim 70 jaar geleden door haar ‘vader’ is gecreëerd. Haar vader is het wezen achter de nacht. Hij is degene die het duister laat invallen, de contouren van voorwerpen laat vervagen en een angstaanjagende sluier over de wereld heen legt, elke nacht weer. Al jarenlang is hij verwikkelt in een strijd tegen het voortplanten van de mensheid, wat in rasse schreden gaat en het einde van de wereld gaat betekenen als er niets aan gedaan wordt. Deze strijd is de reden van het bestaan van zijn kinderen, zij worden geselecteerd en opgeleid in het doden van de juiste mensen. De mensen die het teken hebben.

Meagan en haar broer Brandon hebben de keuze gemaakt samen uit huis te gaan en een leven op te bouwen ver weg van hun broers en zussen. Ze verhuizen naar een buitenwijk in Londen en zijn van plan daar de komende jaren te verblijven. Al gauw blijkt dat ze zich gesetteld hebben in een wijk waar de ‘dragers’ van het teken massaal in opkomst zijn. Dit zorgt voor de nodige spanning maar brengt ook vriendschappen met zich mee. Meagan komt voor een moeilijke beslissing te staan: blijft ze trouw aan haar soort of worden de twijfels over haar bestaan en de taken die het met zich mee brengt haar te veel?

Laat maar weten of het jullie wat lijkt, dan zal ik het proloog posten :slight_smile:

Oeh, lijkt me leuk :grinning: Posten!

Klinkt apart en interessant !

Proloog

De pijn was overweldigend, nog nooit in mijn hele bestaan had ik zoiets mee gemaakt. Ik lette nauwelijks op het vuur dat om mij heen raasde en alle spullen die mij dierbaar waren tot as vergaarde. Ik hoorde het ijzige en wanhopige geschreeuw van mijn familieleden niet. Het enigste wat ik deed, wat ik kon doen, was kijken. Mijn ogen zaten vastgeplakt aan de persoon recht voor me, die kronkelend op zijn knieën lag. En hoe graag ik het ook wilde, ik wist dat ik niets kon doen. Hij hief zijn hoofd op en zijn ogen vonden de mijne. Ze waren getekend met wanhoop, wanhoop en pure angst. Met moeite wende ik mijn ogen af toen ik de gedaante achter hem in het oog kreeg. Ik had geen idee hoelang hij daar al stond, al had ik niets anders verwacht. Hij, de heer en koning van het duister, was de oorzaak van al deze ellende. Zijn kille stem ging door merg en been toen hij tegen mijn sprak, maar het waren zijn woorden die mij deden rillen.
‘Je weet wat je te doen staat Meagan, daar is geen twijfel over mogelijk. Wij hebben een doel voor ogen, en het is onze taak in dit leven om dat doel zo goed mogelijk na te streven. Het is geen keuze, dat is het nooit geweest. Het is de reden van je bestaan. Dood de jongen, en je zult triomferen tot de dood je komt halen. Doe je het niet, dan zijn de consequenties geheel voor jouw rekening.’
Ik keek in de vuurrode ogen die nog feller gloeide dan het vuur waardoor we omringd werden. Ik wist dat ik geen keus had. Dit was mijn lot, en ik moest het met opgeheven hoofd ondergaan. Ik deed mijn best om niet te vallen terwijl ik vooruit strompelde – naar de jongen toe. Mijn handen trilde terwijl ik ze uitstak, tastend naar zijn nek. De wanhopige ogen vonden de mijne weer, en dit keer keek ik niet weg. Het enige wat tot mij doordrong was de aanwezigheid van deze jongen, mijn grote liefde, die ik het leven moest afnemen. Ik kon er niets tegen in brengen, er was niets wat ik kon doen om zijn leven te redden, niet nu hij oog in oog stond met zijn geboren vijanden. En dat waren wíj, de kinderen van de nacht.

Ik volg! :slightly_smiling_face:

Ik keek in de vuurrode ogen die nog feller gloeide … → gloeiden

Zal morgen weer een stuk posten. En jullie gaan nog wel vaker dat soort foutjes tegenkomen ben ik bang… werkwoordspelling is echt iets waar ik beschamend slecht in ben :’) Dus feedback is wat dat betreft altijd welkom.

Geeft niks haha, zolang je verhaal maar goed is :slightly_smiling_face:
Nieuw stukje? c:

Ja sorry dames ik moest gisteravond onverwachts hospiteren en heb nu stage tot 5. Maar het nieuwe stukje staat al klaar om gepost te worden dus beloof dat die er vanavond op komt te staan
:upside_down_face:

Jeuj! Werkse nog :slightly_smiling_face:

Ongeïnteresseerd en ietwat ongeduldig tik ik met mijn voeten tegen het dashboard kastje aan terwijl ik naar de langzaam rijdende rij auto’s voor ons kijk. Het was tien over half acht in de ochtend en wij stonden in de file. Super. Het verbaasde mij enigszins dat de dagelijkse gang van zaken gewoon doorging, terwijl ik op het punt stond mijn leven een hele andere wending te geven. Bij de gedachten alleen al voelde ik de bekende kriebels opkomen in mijn buik en ik werp een steelse blik op de persoon naast me. Met een hand losjes aan het stuur en de andere draaiend aan de volume knop van de radio zat mijn broer – en tevens huisgenoot – Brandon. Al waren we biologisch gezien geen familie, er was niemand op de wereld met wie ik een hechtere band had dan met Brandon. Ik voel een grote genegenheid voor mijn broer, die in veel opzichten op mij lijkt en me vanaf het begin af aan altijd beschermd heeft tegen alles en iedereen. Ja, ik was echt zijn lievelingetje, en dat was ik altijd al geweest. Het feit dat ik prima voor me zelf kan zorgen laten we maar even achterwege. Hij is goed in zijn vaderlijke en beschermende rol, en ik heb hier vaak profijt van gehad. Wat mij betreft een ideale win-win situatie. Terwijl grijze wolken zich boven ons verzamelde begon de stoet auto’s meer vaart te maken. Dat werd tijd.
‘’Zeg Bran, hoe lang duurt deze grap nog? Mijn achterwerk voelt aan als een blok hout’’ en ik schuifel hopeloos heen en weer op mijn stoel.
Geen reactie.
‘’Bran? Hallo?’’ Soms schiet het er bij me in dat Brandon zo nu en dan totaal in zijn eigen wereld kan zitten. Helemaal prima, maar niet als ik antwoord wil. Vlot draai ik een kwartslag in mijn stoel en zwaai mijn benen door het luchtruim heen zodat ze zijn zicht geheel blokkeren.
‘’Jezus Meagan, doe normaal! Wat bezielt je!’’ Brandon schrikt zichtbaar en geeft een ruk aan het stuur. Grijnzend ga ik weer in mijn vorige houding zitten.
‘’Ach stel je niet zo aan, we rijden hooguit 30 kilometer per uur. Ik vroeg hoelang het nog ging duren voordat we er zijn. Mijn kont doet pijn weetje.’’
‘’Ongeduldige lastpost ben je soms ook,’’ moppert Brandon. ‘’Ik gok niet lang meer. De file lost al op zie je?’’
Ik neem genoegen met dat antwoord en rommel in mijn tas op zoek naar de zak snoep die ik daar ingestopt had. Eenmaal gevonden begint ik genietend de snoepjes een voor een in mijn mond te proppen terwijl mijn gedachten afdwalen. Al gauw denk ik terug aan het grote witte landhuis wat Brandon en ik achtergelaten hebben. Het huis wat vol zit met onze broers en zussen die onder het strenge maar liefhebbende oog van Dorothea wonen. Dorothea was onze huismoeder. Een schat van een vrouw van nu ergens achterin de vijftig. Ze begint dan misschien aardig op leeftijd te raken, maar met haar valt niet te spotten. Ze zorgde ervoor dat iedereen altijd netjes zijn bord leeg at, dat de kamers netjes waren, dat niemand zijn of haar krachten misbruikten als de zon achter de horizon verdwenen was en ze gaf beter advies dan wie dan ook. Maar zelfs Dorothea kon niet op tegen de vaak vijandige sfeer die in en rondom het huis hing. Mijn broers en zussen zochten massaal aandacht en genegenheid bij vader, terwijl dat mij echt gestolen kan worden. Ze wilden allemaal de beste zijn, en dat lieten ze vaak ook merken. Het is vaak genoeg gebeurd dat een van óns werd aangevallen in plaats van het huidige doelwit. Ik grijns bij de herinnering aan onze laatste opdracht, toen Michael gillend het huis in kwam rennen omdat Alicia hem met een stok op plaatsen had bewerkt waar je als jongen zijnde geen stok wilt hebben – als meisje zijnde trouwens ook niet.
Met een ruk kom ik overeind als het oorverdovende geluid van een claxon mijn oren bereikt.

  • TUUUUUUUUUUUU -
    ‘’Jezus Brandon!’’ Gil ik. ‘’Ben je gek geworden?!’’
    ‘’Ach stel je niet zo aan,’’ grijnst Brandon breed. ‘’Ik wil je ook wel in de auto laten zitten voor de rest van de dag. Dan ga ik wel alleen naar binnen.’’
    ‘’Naar binnen?’’ Op dat moment dringt het tot mij door dat we stil staan. Ik kijk uit het raampje en zie een omhoog lopende straat met herenhuizen aan weerszijde. Brandon springt de auto uit, is binnen no-time aan mijn kant van de auto en opent mijn portier.
    ‘’Welkom thuis zusje.’’

Leuk! Alleen in het begin haal je verleden- en tegenwoordige tijd door elkaar, moet je maar eens herlezen.
Verder! :slightly_smiling_face:)

Up!

Wat een leuk verhaal! Ik volg!

Haha ik zie het. Heb het herschreven dus heb dat over het hoofd gezien, zal het gauw even fixen :’)

Zal deze week weer een stuk posten ^ Denk morgen of dinsdag.

Het is morgen geweest en nu dinsdag! upje