[Verhaal] Inside - Water

Hallo,

Ik ben meer dan drie jaar geleden begonnen met dit verhaal en ongeveer een jaar geleden heb ik het herschreven. Het verhaal is nog niet af helaas, wegens gebrek aan tijd en (soms) inspiratie. Toch vind ik het leuk om jullie het te laten lezen, zodat ik misschien wat meer gestimuleerd word om het verhaal af te maken.

Ik heb een tijdje geleden ook een topic geopend met een verhaal waar ik aan begonnen was, alleen heb ik daar op dit moment niet genoeg inspiratie voor. Ik hoop dat jullie dit verhaal willen volgen en er veel plezier aan beleven.

Zoals ik al zei, het verhaal is nog niet af. Ik ben nog zoekende naar een goede titel en sommige benamingen in het verhaal. Mocht er iets niet kloppen, of zijn er opmerkingen/vragen, dan hoor ik het graag!

Hierbij alvast de proloog:

Proloog

Ik ben verdoemd, is de eerste gedachte die bij me opkomt wanneer de koningin der Engelen, Ellowyn, naar me toe zweeft. Haar lange witblonde haren wapperen mee met het kleine briesje dat is ontstaan door haar aanwezigheid. Alles lijkt te groeien, te leven.
“Het spijt me,” was het eerste wat in me opkomt. Ik wilde nog niet dood, maar ik had het verdiend. Ik had mijn eigen volk verraden, maar ook dat van Ellowyn. Zonder iets te zeggen zweefde ze nog steeds naar me toe, haar ogen brandden diep in de mijne. Ze keek me aan met een vreemde, onbekende blik in haar ogen. Geen haat, maar… vastberadenheid.
“Aiden…” Het was een gefluister, een streling voor mijn oren. Zoals een moeder haar kind riep. Die gedachte raakte me als een mokerslag.

Hoewel ik niet zo van dit soort verhalen hou, spreekt je schrijfstijl me wel heel erg aan!

Dank je wel! Ja, dit is ook pas mijn eerste fantasy verhaal en ik moet er nog steeds aan wennen haha.

Hier alvast een stukje van het eerste hoofdstuk:

H1

“Ally, schiet nou op! Connor wacht op ons,” hoorde ik mijn vriendin Audrey Daniels in het donker naar me toe sissen. Ik zuchtte diep en overwoog mijn opties. Het liefste draaide ik meteen om en maakte dat ik wegkwam. In plaats daarvan leken mijn benen wel van lood en bleef ik staan waar ik stond. En dat zorgde ervoor dat Audrey me geërgerd stond toe te sissen.
“Ik weet dat je niet van donkere enge plekken houd, maar Connor rekent op ons. Het is mijn schuld dat hij daar zit.”
“Waarom haal je hem er zelf dan niet uit?” probeerde ik.
“Nee, ik heb je hulp nodig.”
“Oké, ik kom al,” gaf ik toe. Misschien vond ik het ook wel een klein beetje spannend. Maar de gedachte dat we eventueel gepakt konden worden, stond me niet aan. Voorzichtig probeerde ik mijn benen toe te zetten om in het gat te klimmen, waar Audrey zo-even in was verdwenen. Nog iets waar ik een hekel aan had: nauwe doorgangen. Ik kan me eigenlijk niet meer herinneren waar ik geen hekel aan had.
“Ally! Kom dan!” hoorde ik Audrey weer fluisteren, dit keer een stuk harder.
“Jaja, ik kom al.” Snel keek ik naar de gammele houten trap die tegen de muur aan stond. Het was de enige manier om bij het gat te komen. Ik raapte al mijn moed bij elkaar en pakte de spijlen beet. Het hout was nat en gaf zwarte strepen af op mijn handen. Voordat ik me kon bedenken, klom ik zo snel als ik kon omhoog, naar het donkere gat. Audrey hielp me en voor ik het wist stonden we aan de andere kant van de stenen muur. We waren binnen.
“Godzijdank! Ik dacht echt dat je ervandoor ging en dat ik in mijn eentje in dit enge gebouw op zoek moest naar Connor.” Ik keek mijn vriendin aan.
“Dat had je ook verdiend,” zei ik. Schuldbewust keek Audrey naar de grond.
“Ik weet het. Als ik me niet zo had opgedrongen…”
“Maak je nou niet zo druk, we gaan hem bevrijden en dan zijn we hier zo weg,” probeerde ik haar gerust te stellen. Het laatste wat we nodig hadden, was een huilende Audrey.
Ik pakte haar hand beet en kneep er even in. Het gaf haar moed.
“Dank je,” mompelde ze. Ik keek om me heen en probeerde in te schatten waar we heen moesten. Helaas zag ik geen steek voor ogen. De maan scheen vanavond niet, dus we hadden ook geen licht van buitenaf. En aangezien het gebouw ergens afgelegen in een bos lag, stonden er ook geen lantaarnpalen. Oftewel, we waren aan ons lot overgelaten.
“En nu?” vroeg ik, ietwat onzeker, aan mijn vriendin.
“Deze kant op.” Het verbaasde me dat Audrey deze plek leek te kennen.
“Ik kwam hier wel eens met Connor om te… eh… je weet wel,” lichtte ze blozend toe. Tenminste, voor zover ik dat kon zien. Het verklaarde ook dat ze wist waar het gat zat.
“Ik hoef het niet te weten,” mompelde ik, wanneer een vrijende Audrey en Connor voor mijn geestesoog verscheen. Snel drukte ik die gedachtes weg. We liepen een tijdje hand in hand en ik probeerde me te oriënteren. Gelukkig heb ik een goed richtingsvermogen, dus mochten we ooit in de problemen komen – wat hoe dan ook stond te gebeuren – wist ik tenminste waar we heen moesten. Opeens hoorde ik Audrey een kreetje slaken.
“Hier staat die bank!” riep ze uit. Ik schrok van haar schelle stem. Wat? Welke bank?
“Je gaat toch niet uitrusten he?! Ik wil hier zo snel mogelijk weg!”
“Nee eh… waar ik met Connor –”
“Ik zei dat ik het niet hoefde te weten,” onderbrak ik haar. Geërgerd slaakte ik een zucht en liep door.
“Ally wacht!” hoorde ik Audrey roepen, maar ik negeerde haar. Op haar tempo vonden we Connor nooit. Toen, op datzelfde moment, wenste ik dat ik naar haar had geluisterd. De pijn gierde door mijn hoofd en toen viel ik achterover.

Leuk geschreven! Je hebt zeker mijn interesse gewekt, dus verder :wink:

(o ja, omdat je om verbeteringen vroeg en omdat ik een perfectionistische nerd ben die het niet kan laten…)
- Nog iets waar ik een hekel aan had; nauwe doorgangen. → ‘;’ staat voor ‘en’ dus heel heel heel officieel zou het hier ‘:’ moeten zijn, omdat je iets aanwijst/opnoemt en niet iets opsomt. Of zoiets.
- Snel keek ik naar de gammele houten trap dat tegen de muur aan stond. → ‘dat’ moet ‘die’ zijn, want het is ‘de trap’ en niet ‘het trap’ (de=die en het=dat).
- De pijn gierde door mijn hoofd en viel ik achterover. → laatste deel van deze zin klopt niet echt, het moet of ‘en ik viel’ of ‘en toen viel ik’ bijv. zijn…

Dank je! Ik heb het meteen veranderd!

Leuk!

Dank je! Ik heb weer een nieuw stukje.

Een deur. Ik ben gewoon tegen een deur aangelopen. Ik hoorde iemand achter me, rollend over de vloer, proestend van het lachen.
“Audrey, dit is niet grappig. Had je dat niet even kunnen zeggen?” mopperde ik. Mijn hoofd deed zeer.
“Misschien heb ik wel een hersenschudding,” voegde ik eraan toe.
“Ach kom op. Ik help je wel even.” Ik voelde warme armen om me heen en voor ik het wist stond ik weer – wankelend – op mijn benen.
“Dank je,” mompelde ik. Zonder iets te zeggen, maar wel lachend, liep Audrey voor me uit, zodat ik niet weer een blunder beging. De deur waar ik tegen aan was gelopen, lieten we achter ons.
“Wat zit er achter die deur?” vroeg ik.
“Geen idee, Connor en ik hebben al talloze keren geprobeerd om het open te krijgen, maar op de een of andere manier lukte het ons niet. Ik denk dat die deur een kogel of een bom nog af zou ketsen.”
“Oké… en nu wil je beweren dat het een magische deur is?” Deze keer kon ik het niet laten om te proesten van het lachen.
“Stil eens! Volgens mij hoor ik iets?” Meteen hield ik op. Het was weer serieus. Ik probeerde me zo stil mogelijk te houden en probeerde net als Audrey te luisteren naar de geluiden. Helaas suisde het bloed in mijn oren zo, dat ik mijn eigen ademhaling niet eens kon horen.
“Wat hoor je dan?” fluisterde ik angstig.
“Ssst!” Ik hield me weer stil en keek rond. Er was niets opvallends te zien. Toen hoorde ik het ook. Metaal schraapte op metaal. Ik keek Audrey aan en ik zag dat ze hetzelfde dacht. Connor! Snel liepen we in de richting van het geluid en bij elke tik gingen de haartjes in mijn nek recht overeind staan. Wat nou als hij het niet was? Ten slotte was dit wel een enge afgelegen gebouw waar een moordenaar zo zijn slachtoffers kon vermoorden. Ik wilde daar niet aan denken en probeerde het van me af te zetten. Helaas kreeg ik het beeld van een bloedbad niet uit mijn hoofd. Opeens stopten we voor een grote deur. Audrey duwde er tegen aan. De deur gaf moeiteloos mee, waardoor ik zeer sterk begon te twijfelen of dit niet inderdaad een spookgebouw was. De ene deur gaf nog geen krimp en deze zwaaide onderhand open wanneer we naar binnen wilde.
Zacht schuifelend liepen we de grote donkere kamer binnen. Er kwam nauwelijks licht door de hoge ramen naar binnen, waardoor we ook in deze ruimte geen hand voor ogen zagen. Gelukkig waren onze ogen al gewend aan het duister, dus eventuele contouren konden we zo onderscheiden. Helaas zagen we zo snel nog niet waar het geluid vandaan kwam. Ik keek mijn beste vriendin even aan, en ook zij trok haar wenkbrauwen op bij deze ruimte. Ik kon aan haar blik zien dat ze hier nog nooit was geweest. Fijn.

En nog een stukje!

Gedachten aan een eventuele seriemoordenaar kwamen weer op en licht huiverend pakte ik de hand van Audrey. Aan haar trillende hand te voelen, was zij net zo bang als ik. Wanneer ik ook nog eens een licht briesje in mijn nek voelde, gingen de haren in mijn nek recht overeind staan. Ondanks dat ik geen goede ruiker was, rook ik toch een vreemde muffe geur. Ook voelde ik dat we in de gaten werden gehouden.
“Ik wil hier weg,” mompelde ik tegen Audrey.
“Nog even wachten. Volgens mij is Connor hier ergens. Hoor maar, het geluid is sterker geworden.” Zo zachtjes mogelijk liepen we in de richting van het geluid. Opeens hoorde ik Audrey weer een kreetje slaken. Deze keer van geluk.
“Connor! Wat ben ik blij om je te zien!” Ik keek toe naar het tweetal en moest toch toegeven dat Connor er ontzettend grappig uitzag. Zijn haar zat helemaal in de war, zijn mond was dicht getapet en zijn handen zaten vastgebonden. Normaal gesproken zou ik hier echt niet om kunnen lachen, maar vandaag wel. Ik schreef het toe aan de zenuwen. Toen ik beter naar Connor keek, zag ik de schrammen en blauwe plekken op zijn armen en gezicht. Hij was flink toegetakeld. Daardoor verstomde mijn gelach meteen. Ook de blik in zijn ogen baarde me zorgen.
“Wat is er liefje? Je zit onder het bloed!” hoorde ik Audrey verbijsterend roepen. Toen ze de tape op zijn mond eraf haalde, kreunde hij.
“Jullie moeten hier weg. Er is hier nog iemand!” Hij had moeite om de woorden uit zijn mond te krijgen.
“Wie dan? Heeft diegene dit bij jou gedaan?” Audrey schreeuwde bijna. Ik hielp haar om Connor te bevrijden, aangezien haar handen nogal hard begonnen te beven. Misschien van angst of van woede?
“We laten je hier niet alleen. We zijn hier niet voor niets gekomen,” zei ik. Audrey keek me dankbaar aan en toen Connor eindelijk los was vielen die twee elkaar meteen in de armen.
“Schat, het spijt me zo!” hoorde ik Audrey gesmoord tegen hem zeggen. Connor duwde haar weer van zich af.
“We moeten gaan.” De blik in zijn ogen was weer veranderd. Deze keer stond het hard en kil. Iets wat ik nog nooit eerder in zijn ogen had gezien. Het zorgde ervoor dat ik me onrustig begon te voelen. Ook zijn hele houding leek groter en sterker.
Ik zag dat Audrey zijn hand probeerde te pakken, maar hij wees haar af.
“Meekomen,” gebood hij. Ik trok verbaasd mijn wenkbrauwen op. Sinds wanneer deelde hij bevelen uit? Ik zag dat Audrey aan hetzelfde dacht en zij snapte er ook niets van. Zonder commentaar volgde we hem naar de uitgang. Audrey pakte mijn arm vast, zodat we elkaar niet uit het oog zouden verliezen. Connor liep voor ons en keek niet eens achterom of we hem wel volgden. Er klopte iets niet. Dit was Connor niet.
“Wie is hier nog meer?” vroeg ik aan hem in de hoop om meer te weten te komen wat er met hem was gebeurd. In plaats van antwoord te geven, liet hij een laag gebrom horen.
“Vlucht,” fluisterde hij tegen ons. Verbijsterend staarde ik hem aan. Vluchten?
“Ga dan!” bromde hij. Ik deed wat me gezegd werd, en draaide me om. Audrey volgde me op de voet. We liepen een tijdje voor ons uit en ik zag een laag muurtje aan de zijkant van de ruimte staan. Ik keek over mijn schouder of Connor ons in de gaten hield, en dat was niet het geval. Ik trok Audrey mee naar het muurtje.
“Wat doe je?” fluisterde Audrey in mijn oor. Ik begreep er net zo weinig van als zij.
“Ik wil weten wat hier aan de hand is. Connor staat bij de uitgang. Hoe kunnen wij dan in hemelsnaam vluchten?” Ik zag Audrey bedenkelijk kijken.
“Daar had ik nog niet aan gedacht,” antwoordde ze.
“Maar je denkt toch niet dat Connor…” Ze viel stil. De reden daarvan waren twee stemmen vlakbij de uitgang. Connor praatte met iemand. Helaas stonden we te ver weg om ze te kunnen horen wat ze zeiden.
“Dit is belachelijk. We gaan terug,” fluister ik, meer tegen mezelf dan tegen Audrey.
“Dat kan niet! En sinds wanneer ben je niet meer bang?” Audrey had mijn arm vastgepakt en keek me smekend aan.
“Ik wil naar huis. Ik ben moe en het is nu twee uur in de nacht. Ik ben dit echt zat, Audrey. Ik ben meegegaan voor jou, maar nu ben ik er klaar mee,” zuchtte ik. Seriemoordenaar of niet, ik stond op en liep in de richting van de twee stemmen. Toen ik ze in het vizier kreeg zag ik dat Connor met een andere man stond te praten. Ik voelde Audrey achter me naar adem happen. Ik kon niets anders dan met haar mee doen. De man was… knap. Knap in de zin van kort zwart haar, helderblauwe ogen en het meeste gespierde lichaam ooit. Ook was hij een halve kop groter dan Connor. Hij had zwarte kleding aan; een t-shirt waarbij de mouwen strak gespannen om zijn armen heen hing. Een broek en legerkistjes. Zou hij in het leger zitten?
“Waar zijn ze nu?” hoorde ik de man vragen.
“Gevlucht. Ik verzeker je dat je geheim veilig is bij mij. Je hebt me tenslotte gered.” Sorry? Gered? Ik dacht toch echt dat wij dat hadden gedaan!
“Waarom staan ze ons dan op een afstandje aan te gapen?” Ik schrok. Connor keek met een ruk om. Ook zijn blik stond geschrokken. Oh oh…

Ook ik volg😃

Yes, al drie volgers! :upside_down_face:

En nog een stukje om de Herfstvakantie in te luiden. Na dit stukje begint hoofdstuk twee alweer.

“Wat doen jullie hier? Wat had ik nou gezegd?!” schreeuwde Connor. Ik deinsde achteruit. Voordat ik iets kon zeggen zag ik nog een andere gedaante opdoemen achter het tweetal. Deze was vermomd. Het had een grote zwarte gewaad om met een capuchon waardoor ik zijn gezicht niet kon zien. In zijn handen zag ik twee vlijmscherpe messen waar de vreemdeling vast heel goed mee overweg kon.
“Rennen!” hoorde ik Audrey roepen. Ik twijfelde geen moment en rende achter haar aan. Achter me hoorde ik hard gevloek en nog meer rennende voetstappen. Connor pakte mijn arm beet en spoorde ons aan om nog harder te rennen. Ondanks zijn vreemde gedrag, voelde ik dat hij toch aan onze kant stond. Evenals de man die het tegen de vreemdeling opnam.
“Hierheen!” riep Audrey en leidde ons richting een deur.
“Dat is niet de uitgang! Audrey!” Connor probeerde haar tegen te houden maar was te laat. Hij probeerde mij de andere kant op te trekken, maar helaas voor hem liet ik mijn vriendin hier niet achter. Ik trok me los en rende achter Audrey aan. De ruimte waarin we begaven zag er hetzelfde uit als waar we vandaan kwamen, alleen stond er in plaats van rotsblokken en halve muurtjes, een grote tafel met twee kristallen erop. Ze gaven licht in de duisternis en we werden ernaartoe getrokken als magneten.
“Wacht niet doen!” hoorde ik een onbekende stem roepen. Ik draaide me om en keek recht in de helderblauwe ogen. Ze smeekten me om te doen wat hij zei, maar ik kon het niet laten. Het was een soort onbekende aantrekkingskracht. Audrey was eerder dan ik en baadde plotseling in een fel licht dat pijn deed aan mijn ogen. In plaats van achteruit te deinzen, reikte mijn handen al naar de tweede kristal. Toen ik het aanraakte leek het alsof de wereld stilstond. Mijn voeten voelden licht aan, maar ik stond nog op de grond. Waterstralen verschenen rondom mijn lichaam en het leek alsof ik zou verdrinken in de grote oceaan. Ondanks dat kon ik toch ademen. Ik probeerde te zwemmen alsof mijn leven ervan afhing. Twee paar blauwe ogen staarden me kwaad aan. Ik kon ze eerst niet thuisbrengen, maar toen ik zijn hele gezicht zag wist ik het weer. Ik probeerde zijn uitgestoken hand te grijpen, maar hij was te ver weg.
“Het is je eigen schuld. Ik kan je niet meer redden,” hoorde ik hem fluisteren. Zijn blauwe ogen veranderen in zwarte gaten vol vuur. Ik voelde de hitte op mijn huid, die brandde van de pijn. Ik probeerde te gillen, maar er kwam geen geluid over mijn lippen. Het laatste wat ik meekreeg voordat ik het bewustzijn verloor, was de teleurstellende blik. Toen werd alles zwart.

Leuk!!

Verder, ben benieuwd wat er komen gaat :slightly_smiling_face:

Dank jullie wel! :flushed: Misschien dat ik vanavond nog een stukje post, en anders morgen.

Wow, dat had ik niet verwacht! Verder :grinning:

In goede of slechte zin, haha? Ik hoop vanavond echt weer een nieuw stukje te posten. Dat word dan het begin van hoofdstuk 2 alweer. :upside_down_face:

In goede zin, omdat het juist een verassende wending is! :slightly_smiling_face:

Gelukkig haha, dank je wel in ieder geval! Zoals beloofd, post ik het eerste stukje van hoofdstuk 2.

H2

Ik schrok met een ruk wakker. Rechtovereind zat ik in bed en twee paar handen probeerden me weer terug te trekken.
“Rustig aan. Je bent nog te zwak,” hoorde ik een vrouwenstem me geruststellen. “Je hebt een nare droom gehad.”
“Waar ben ik?” bracht ik vermoeid uit. Ik bekeek het interieur en constateerde dat ik in een ziekenhuis lag. Alleen zag ik geen ramen.
“Je bent in Abelyn. Het rijk van Ellowyn dat ons geschapen heeft.” De man met de helderblauwe ogen.
“Ik ben dood he? Ik ben echt dood! Dat komt door die kristallen! Of heb je me soms neergestoken? Was jij soms die vreemdeling? Wat heb je trouwens met Connor en Audrey gedaan? Zijn zij ook dood?!” ratelde ik. De man lachte.
“Connor vertelde al dat je snel in paniek kon raken. Niet echt een goede eigenschap,” hoorde ik hem mompelen. Sorry?
“Hebben jij en Connor over mij gepráát? Waarom?” vroeg ik verbijsterd.
“Maak haar nu niet overstuur. Ze heeft een nachtmerrie gehad en ze moet rusten. Haar lichaam moet nog wennen,” diende de zuster de man van repliek.
“Het spijt me Isis. Ik zal jullie alleen laten.” De man verliet de kamer zonder mij nog een blik waardig te keuren. Wat een arrogante kwast!
Ik hoorde de zuster dat blijkbaar Isis heette, zacht grinniken.
“Je moet beter leren je gedachten onder controle te houden. Maar je hebt gelijk. Aiden is niet de meest aardige kerel hier.”
“P-pardon?” bracht ik uit.
“Ik kan je gedachten horen,” legde ze uit. “Ik ben een… waterwezen, net als jij. Maar dat word je allemaal nog wel uitgelegd. Met je vrienden gaat het trouwens goed. Audrey is een paar uur geleden bijgekomen en is alleen nog een beetje moe en geschrokken. Net als jij neem ik aan.”
“En Connor?”
“Met hem gaat het ook goed, ondanks de omstandigheden. Nou, kom op. Ga liggen en neem je rust.” Isis duwde me weer zachtjes achterover in de zachte kussens en meteen viel ik in een droomloze slaap. Blijkbaar hadden haar handen een rustgevende uitwerking op mijn lichaam.
Na een paar uurtjes opende ik mijn ogen weer. Het was donker in de kamer. Ik vond een lichtschakelaar en knipte het licht aan. Meteen hapte ik naar adem. Het was een andere kamer, veel groter. Boven in het plafond zag ik het meest mooiste aquarium dat ik ooit had gezien. Het liep in een toog om mijn bed heen, en verschillende kleurrijke vissen wensten me gedag. Het leek wel alsof ik ze kon verstaan. Ik schudde mijn hoofd en trok mezelf overeind aan het nachtkastje. Mijn hoofd bonkte als een gek en reikte naar het glas water dat op het kastje stond. Dit moest een droom zijn. Of ik ben dood of ik ben gek geworden.

Nog een verrassende wending haha, verder!

^Dank u haha!

“Allebei niet,” hoorde ik een stem zeggen. Isis verscheen aan mijn bed. Deze keer kon ik haar beter bekijken. Ze had lang bruin haar en lichtblauwe ogen waarin je de zee kon zien als je dat wilde. Haar lichaam was gespierd, alsof ze elke dag aan de gewichten hing.
“Ik zwem veel,” zei ze. Ik trok een wenkbrauw op.
“Kom op, uit bed. Je vrienden wachten op je en jullie hebben een uitleg wel verdiend.” Ik liet me door Isis uit bed helpen en werd aangekleed. Het waren niet mijn eigen kleren, maar een normale donkere spijkerbroek met een zwart T-shirt erboven op. Gelukkig kreeg ik wel mijn zwarte All-Stars terug.
Vervolgens liep ik achter Isis aan naar de anderen. Ik hoopte maar dat alles goed ging met Audrey. Connor kon me niet veel schelen, maar het welzijn van mijn beste vriendin wel. Gelukkig ging ik ze zo zien.
Isis opende een zware houten deur en daar achter bevond zich een klein kantoortje. Er stonden een mahoniehouten bureau, drie lederen zwarte stoelen waarvan er twee bezet waren en een grote mahoniehouten kast. In de hoek naast de deur stond een grijze bank. De muren waren strak wit geverfd. De man met de helderblauwe ogen dat Aiden heette, keek me strak aan vanachter zijn bureau.
“Dank je Isis, maar we gaan naar buiten. Het is veel te mooi weer om binnen te zitten.” Vertwijfeld zag ik Isis naar me kijken.
“Allysa kan prima voor zichzelf zorgen, Isis. Wil je ons dan nu alleen laten?” Kwaad keek ik Aiden aan.
“Ik kan ook prima voor mezelf praten.” Audrey grinnikte en Connor keek me kwaad aan. Wat is er toch met die jongen?
“Daar twijfel ik geen moment aan. Ga zitten.”
“Ik dacht dat we naar buiten gingen?”
“Nadat jij even naar me hebt geluisterd.”
“Ik hoef geen uitleg.”
“Luister je nooit naar anderen?”
“Dat kan ik ook aan jou vragen.” Stilte. Glimlachend keek ik hem aan. Zijn helderblauwe ogen vernauwden zich tot spleetjes.
“Oké, als je het zo wilt stellen. Dan gaan we nu naar buiten. Maar ik verzeker je; wanneer je mijn uitleg hebt gehoord, zou je hebben gewild dat je naar me had geluisterd.”
“Dat betwijfel ik.” Audrey en Connor stonden op en meteen liep ik naar mijn beste vriendin toe en omhelsde haar stevig. Ze zag eruit alsof het goed met haar ging, maar in haar ogen las ik verdriet. Had Connor het uitgemaakt? Alleen maar omdat het haar schuld was, dat hij vast had gezeten? Audrey maakte me duidelijk dat ze het er later over zullen hebben, wanneer we alleen waren. Blijkbaar had ze mijn bezorgdheid gevoeld. Ik liet het rusten en liep achter de rest aan. Isis volgde me vanaf een afstandje. Ik begrijp niet waarom ze me zo nodig in de gaten moet houden. Ook in haar ogen zie ik dat ik later pas uitleg krijg.