Verhaal: Holle Ogen.

Sorry! Ik ben het eerste stukje van het echte geschreven kwijt, dus ik heb het even opnieuw gedaan. dus hier is het: Veel lees plezier!

Ik probeer me te concentreren op mijn wiskunde boek. Ploeterend op de simpelste som die ik normaal zo uit zou kunnen rekenen. Ik voel het. Ze kijkt naar me. Haar ogen staren me leeg aan. Ik kijk naar achteren. Daar zit ze. Ik weet het niet zeker of het precies alleen tegen mij gericht is. Maar ik voel dat ze me doorboren. Ze kijken me zo leeg aan. Ik krijg er kriebels van. Ik kijk Sophie haar richting op. Zij kijkt ook de andere kant op. Na een tijd kijkt ze terug en geeft een snelle blik op mij. Ik knik naar achter, richting haar. Sophie knikt. Ik kijk weer naar achter. Ze staart roerloos voor zich uit. Zonder doel, leeg. Haar wiskunde boek licht onaangeraakt voor haar neus. Het was ook eng wat ze altijd aan had. Ze had een oude witte versleten jurk aan, met kleine witte schoentjes. En haar vintage versleten tas had ze altijd op haar schoot. Alsof ze er voor zorgde als haar huisdier. Verder zat haar haar strak naar achter getrokken en haar ogen waren pikzwart. Er zaten wallen onder. Van vermoeidheid denk ik. En haar ingevallen wangen. Ze maakt iedereen in de klas bang. Het enge is ook nog dat ze misschien net zo dik is als het wiskunde boek dat nog net tien centimeter breed is. Opeens voel ik een enge gloed over me heen stromen. Ik word er een beetje depressief van. Maar ik schud het snel van me af. Ik kijk naar de klok. Toevallig gaat net de bel. Het laatste lesuur is afgelopen. Ik en Sophie kijken elkaar aan en knikken. We staan snel op. Gooien alle boeken in onze tas en rennen de klas uit. Niet omdat we snel naar huis willen, dat ook wel, maar we willen niks horen. Ik kijk nog even achterom. Ik zie dat ze al een groepje om haar heen hebben gevormd. Vaag hoor ik nog iets dat lijkt op: ‘Vieze emo!’ maar dan hoor ik het niet meer. Ik voel dat de ogen mij nog steeds na staren, alsof ze me nodig hebben. Ik voel er zelf weinig voor. Ik gooi mijn kluisje open en loop naar mijn fiets samen met Sophie.

Deel twee :slightly_smiling_face:

Het is s’nachts. Drie uur. Ik kan niet slapen. Goed er van bewust dat ik morgen school heb en optijd naar bed moet. Maar iets houd me tegen. Ik kijk door het raam. Ik laat me meeslepen door de grote stad waar ik tegen aan kijk. Soms rijdt er in de verte een kleine auto voorbij. Maar meer niet. Er is geen hond meer op straat. Ik schrik als ik naar een lantaarn paal kijk die nog geen twintig meter van mijn huis staat. Daar is ze. Ze staat daar gewoon! Ik val om van de schrik. ‘Shit!’ schreeuw ik. En ik maak een grote plof op mijn vloer. Ik kijk naar mijn kamer deur. Ik hoor in ieder geval dat mijn ouders niet wakker zijn geworden van de grote plof die ik maakte op mijn vloer. Ik krabbel me over eind en kijk weer snel naar het raam. Ze staart me met haar holle ogen aan. Haar kleren heeft ze ingeruild voor een lange versleten witte sleepjurk. Het voelt alsof de holle ogen door me heen branden. Ik wrijf een keer goed in mijn ogen. Net zolang totdat ik een soort kleine balletjes voor mijn ogen zie rondvliegen. Ik knipper een paar keer goed met mijn ogen. En kijk weer naar de plek. Ik slaak een verlichtende zucht. Ze was er niet meer. ‘Gewoon een verbeelding.’ Ik kijk even naar de kleine klok die op mijn kamer achter me hangt. Er zijn vijf minuten voorbij geweest. Ik draai mijn hoofd terug naar het raam. Ik gil zo hard als ik kan. Ze stond recht voor mijn raam. Met een angstaanjagend gezicht. Haar haar zat onder het bloed. En de helft van haar gezicht. Ze ontblootte angstaanjagend haar tanden. Ik zag dat ze iets wou gaan zegen. Ik gilde harder. ‘Ik kom je vermoorden’ had ik verwacht, maar ik hoorde iets anders. Een zachte hulpbehoevende stem. ‘Help!.’ Schreeuwde een schorre uitgedroogde stem hulpbehoevend. ‘Verlos me uit mijn leiden.’ Ze drukt haar handen tegen het raam. Ik kijk haar vreemd aan. Maar dan slaat haar bebloede hand door het glaswerk van mijn raam. ze grijpt naar mijn keel. Ik probeer met te verzetten. Maar het gaat moeilijk met allemaal glaswerk om mij heen. Ze pakt mijn keel vast en sleurt me door het raam heen. Ik heb overal bloed in mijn gezicht. Opeens sta ik onder aan de weg. Ze sleurt me mee aan mijn keel. Ik krijg moeilijk adem. Maar het is te doen. Ik grijp naar mijn mobiel. Om hulp op te bellen. ‘Maar wat stopt een psychisch gestoord geesten meisje!? 112? De politie? Brandweer?’ Mijn mobiel ging opeens naar de spiegel applicatie. Ik kon mezelf in de spiegel zien. Ik begon nog harder te gillen. Ik zag er hetzelfde uit als het meisje. Mijn ogen hol, ingevallen wangen, bebloed gezicht. Ik gil nog harder. Maar opeens zie ik zwart. Alsof alles wegvalt. ‘Help!’ schreeuw ik midden in mijn bed. Ik spartel nog een paar seconden om me heen. Mijn kamer was pikken donker. En ik doe snel mijn nacht lampje aan. Opeens gaat de deur open en gil ik. ‘Weg demoon! Weg! Duivel!’ gil ik. Het licht word aan geknipt. In de deur opening stond mijn bloed eigen moeder!

Wat?

Sorry mensen mijn verhaal is perongeluk weg :frowning_face:… ik zal het snel nu herschrijven sorry!!!

Deel 3 :grinning:

Ik zit klaar wakker op mijn fiets. Meestal ben ik nog wel suf en een beetje geïrriteerd over de lange schooldag die me staat te wachten. Ik zucht een paar keer op mijn fiets. Dan fiets ik langs de plek waar ze stond. Ik hou mijn adem in. Er ligt een stukje van een witte lap. Een gescheurde om precies te zijn. Ik doe moeite om niet heel hard te gillen. Ik wil geen mensen wakker maken. Na een paar minuten staren realiseer ik me dat het vast maar toeval is. En ik moet opschieten, want anders vertrekt Sophie zonder mij. Ik kijk op mijn mobiel. Over twee minuten moet ik op de afgesproken plek zijn. Ik schrik en cross snel naar de plek. Een bankje bij het kruispunt. Ze stond er al. Sophie. Mijn aller beste vriendin sinds de peuterspeelzaal. Ze stond daar lachend met haar blonde krullende lange haren. En haar gif groene ogen. Ze zwaait plagerig naar me. ‘Zo, net op tijd, je hebt geluk’ grijnst ze. Ik knik. Maar niet echt lachend. Sophie kijkt me vragend aan. ‘Wat is er?’ Ik slik even en kijk haar aan. Ik weet dat ik Sophie alles kan vertellen. Maar het is wel een beetje raar. Ik denk even goed na en besluit het toch maar te zeggen. ‘Ik had een enge droom over haar, het klinkt raar, maar ze schreeuwde bij mijn raam dat ze hulp nodig had en dat ze verlost moest worden, en ze trok me het raam uit’ slikte ik langzaam. Ik besluit het verhaal over het stukje lap maar te verzwijgen, het was gewoon puur toeval. Het heeft geen zin om dingen erger te maken dan ze zijn. Sophie kijkt me met grote ogen aan. Ze is even stil. En ze fietst even iets langzamer. En ze gilt. ‘Ik had ook een droom als dat!’ gilt ze hysterisch. Ik kijk haar even rustig aan. Af en toe kan Sophie wel erg hysterisch worden, maar ik ben er ook wel van geschrokken. Ik denk even na en realiseer me een wetenschappelijk feitje dat ik heb geleerd bij natuurkunde. ‘Het is bewezen dat twee mensen die een band hebben ook wel dezelfde dromen hebben’ zeg ik wijs. Sophie zucht opgelucht en lacht. ‘We hebben dus allebei last gehad van die nachtmerrie toevallig.’ Ik knik, maar niet echt lachend. Onderweg babbelen we wat over koetjes en kalfjes maar we komen snel genoeg op school aan. Waar ons een normale dag staat op te wachten. Als we naast de school poort fietsen zien we haar er staan. Ze kijkt weer recht voor haar uit. Doelloos. Maar ik voel als ik voor haar ogen fiets het branderige gevoel weer. En aan Sophie haar blik te zien ook. We fietsen snel door. Ze ziet er erg eng uit. altijd weer dat vieze oude witte jurkje dat net tot haar knieën komt. En haar oude vintage versleten tas die ze keurig voor haar buik vast houd. Het lijkt net een enge pop uit 1900. De witte huid maakt het nog af. Opeens zie ik Jonas om de hoek verschijnen op zijn oude oma’s fiets. Naast hem fietst zijn vriend Eric, ze hangen een beetje lui over het stuur. Als ik Jonas zie smelt ik. ‘Mijn Jonas’ denk ik. Ik staar hem aan en hij lacht lief naar me en zwaait. Ik zwaai terug. Het is zo leuk als hij lacht, dan maakt hij namelijk kuiltjes in zijn wangen. Hij heeft verder bruin krullend haar en is best wel lang. Hij kijkt me even aan en dan kijkt hij weer een andere kant op. Ik ben nog steeds dromerig over hem. Ik en Sophie gooien onze fiets tegen de schoolmuur en lopen rustig naar binnen. ‘En weer staat ons een lange dag te wachten’ mompelt Sophie.

Deel 4 alweer :wink:

Ik fiets terug van mijn volleybal training. Ik zweet nog steeds, ondanks dat de avond best koel is. Ik fiets door het donkere straatje waar mijn huis nog geen twintig meter vanaf zou liggen. Ik ben diep in gedachte. Over Jonas, de holle ogen, en Sophie. Opeens voel ik de ogen, ze branden, alsof ze weer hulp nodig hebben. Ik stap van mijn fiets af en kijk zoekend rond. Met tranen in mijn ogen en knikkende knieën. Ik heb geen zin meer om een enge droom mee te maken. Opeens zie ik de lantaarn paal waar ze stond die nacht. Ik begon te gillen. Harder dan normaal, hysterisch. Ik ren naar de plaats toe. En in het midden van het dunne straaltje licht dat de lantaarnpaal afgeeft ligt ze. Roerloos. Haar ogen weid open. En haar wangen nog altijd ingevallen. Ik word misselijk als ik naar haar ogen kijk. Er waren geen ogen meer, er waren alleen zwarte gaten. Ik viel op mijn knieën en voel aan haar pols of hij nog klopt. Ik krijg de kriebels als ik haar dunne pols en haar koude huid vast pak. Alsof er een depressieve vloeistof in mijn huid spuit. Ik voel geen kloppingen meer. Ik zie dat er mensen naar buiten lopen. Afvragend wat er aan de hand was. Ik begon te huilen. ‘Leef!’ schreeuw ik hysterisch. Er komen mensen op me afgerend. Als ze er zijn wordt er gegild geschreeuwd en gehuild. Binnen een half uur staat het hele dorp om me heen. De politie arriveert en de ambulance ook. Ze voeren nog een aantal reanimatie pogingen uit. Maar het mag niet baten. Ze is al weg. De politie zoekt mogelijke sporen naar de dood van haar. Maar ze kunnen niks vinden. De lijkschouwer komt ter plekke. Hij kan niks vinden. Geen wonden, geen vergif, geen leven. ‘Het is een natuurlijke dood, ik kan alleen haar ogen niet verklaren, maar ze was ook depressief, ik denk dat ze het lootje daarom heeft gelegd’ zegt hij verdrietig. Ik lig trillend op te grond te huilen. De politie helpt me overeind en doet een poging mij te kalmeren, maar ik blijf gillen en spartelen. Ze is gegaan.