[Verhaal] Familiedrama

Hoi allemaal, ik ben een verhaal aan het schrijven en ik zou het leuk vinden als iemand het zou lezen, dus plaats ik hier hier. :slightly_smiling_face: Ik hoop op wat reacties, want ik ben best onzeker over sommige dingen en ik maak nog veel fouten.

Achterflaptekst als het een boek zou zijn:
Jaro Boters, een jonge journalist, wordt gebeld door een kennis uit de buurt: honderd meter bij zijn piepkleine zolder vandaan heeft een vader zijn vrouw en dochter vermoord. Wanneer hij zich erheen haast, denkend de mogelijkheid dat de NOS hem misschien eindelijk zal zien staan, realiseert hij zich niet dat hij op het punt staat om meegezogen te worden in een draaikolk van mysterie en leugens, in een zaak die hij niet meer los kan laten…

Het eerste stukje:

De trein had een uur vertraging gehad, de band van haar fiets was zes kilometer bij haar ouderlijk huis vandaan uit elkaar geklapt en ze had haar favoriete shirt in Maastricht laten liggen, en toch vond Merel niet dat het een kutdag was. Ze had de coupé gedeeld met een drieëntwintigjarige advocaat in wording, met donker haar, een lang gezicht en stoppels die lang genoeg waren om nonchalant over te komen en niet lang genoeg om ongeïnteresseerd te lijken. Hij had naar haar gelachen. Zijn tanden waren wit. Zij had de lach met dichte mond beantwoord. De hare waren eerder crèmekleurig.
Ze hield van het openbaar vervoer, van de vluchtigheid die de ontmoetingen hadden. Doordat ze wist dat ze de man nooit meer zou zien, was ze haast roekeloos in haar bewegingen. Ze bleef nadenken, dat wel, maar er viel een onzichtbare muur weg – iemand die hooguit drie uur in je leven was, kon nooit diep genoeg in je kasteel binnendringen om de kern in brand te steken.
Als geschiedenisstudente had ze veel kastelen gezien. De meeste op plaatjes. De robuustheid trok haar aan, de dikke muren achter de gracht, de kleine raampjes waaruit hete olie werd gegoten om vijanden levend te verbranden. Binnen een kasteel leefde een eigen gemeenschap, het was een stad op zich.
De gemeenschap was ongetwijfeld een stuk hechter dan het dorp onder Groningen waar Merels ouders woonden. Morgen zou ze weer in de trein moeten stappen. Ze had nog niet durven uitzoeken hoelang ze zou moeten reizen om op Schiphol te komen – waarschijnlijk langer dan de vlucht naar Spanje zou duren. Zonder het shirt, dacht ze treurig, terwijl ze haar fiets een hoek omtrok. Maar misschien zou ze in haar oude kledingkast nog shirtjes aantreffen waarvan ze vergeten was dat ze die had. Bovendien leefde ze al eenentwintig jaar zonder dat shirt, dus die twee weken konden er best bij.
Honderd meter voor haar straat graaide ze in haar handtas, op zoek naar de sleutels. Het duurde even voor ze die vond en ze was een momentlang bang dat ze haar weekendtas tussen de snelbinders uit moest wrikken om die te inspecteren. Twintig meter verderop glimlachte ze om die domme gedachte. Ze was zorgvuldig. Ze zou haar sleutels nooit buiten handbereik bewaren, zoals ze haar paspoort nooit ergens anders dan in het grootste zijvak van haar tas opborg.

Nog een stukje :slightly_smiling_face: :

De voordeur had drie sloten: één boven (Merel moest altijd op haar tenen gaan staan om erbij te kunnen), één in het midden (dat slot was een beetje stroef) en één onderaan (Merel was eens zo dronken geweest dat ze achterover was gevallen toen ze op haar hurken zakte om de sleutel erin te steken). Pas op het moment dat ze bij het onderste slot was, besefte ze dat er iets niet klopte. Er stonden twee auto’s voor de deur. Haar moeder zat in de fractie van de lokale christelijke partij en was elke dag van acht tot acht weg; haar vader zelfs van zeven tot negen, wanneer hij niet in zijn kantoor overnachtte om reclamecampagnes voor bekende bedrijven uit te werken. Voor de zekerheid keek Merel op haar horloge. Elf minuten over twee ’s middags.
Haar hart bonsde. Dat deed het natuurlijk al haar hele leven, maar het was alsof ze zich er nu pas bewust van werd. Het klopte hard tegen haar ribben, het bonkte zoals je het in ziekenhuisseries op televisie hoorde. Haar maag leek zijn inhoud naar boven te sturen, niet ver genoeg om haar misselijk te maken, wel ver genoeg om een vreemd, leeg gevoel te creëren.
Misschien willen ze je allebei gedag zeggen, dacht ze. Maar dat sloeg nergens op. Ze kwam hooguit één weekend per maand thuis en dat was puur omdat haar moeder anders elke dag aan de telefoon hing en op een half-verwijtende en half-smekende toon duidelijk maakte dat ze haar nooit zag.
Was het ongezond dat haar hart zo tekeerging? Ze aarzelde, haalde diep adem en deed de deur open.
De deurmat was schoon. Hij had de kleur van urine – Merel had dat ding altijd al spuuglelijk gevonden – en hij had harde stekels die je voetzolen ophaalden als je het waagde om er zonder schoenen overheen te lopen. Merels sandaal zweefde erboven, het been trilde.
Dat voelde ze het eerst. En daarna kwam de kilte, de vloedgolf van paniek die haar bijna naar buiten sloeg, en ze zette het been neer, er half van overtuigd dat er een schaduw uit de nissen in de gang op haar af zou springen. Er gebeurde niets.
Ze liep door de gang. De deur naar de keuken was koud. De keuken zelf leeg. Een zak brood lag op het aanrecht. Het broodmes ontbrak.

Ik volg :upside_down_face:

Ik volg ook, ben wel nieuwsgierig.

Bedankt dat jullie volgen!

Merel wist niet waarom ze juist dat detail in zich opsloeg en ze had al helemaal geen idee waarom het haar opeens vastberaden maakte. Een radar in haar hersens werd uitgeschakeld. Ze moest naar de woonkamer, naar de donkerbruine bank met de groene kussens, de grote televisie, de kast waarin meer beeldjes dan boeken stonden, de twee stoelen in dezelfde kleur als de kussens.
De keukendeur voelde niet langer koud toen ze hem achter zich sloot. De hal was enger, leger, en leek haar nog altijd naar buiten te willen sturen, terug naar haar kamer in Maastricht of desnoods alvast naar Schiphol, naar het vliegtuig met de airco die ongetwijfeld te hard aan zou staan, naar het zachte gebrom dat haar elke vlucht weer in slaap suste.
Het kwam door de hal dat haar vingers trilden terwijl ze de klink van de deur naar de woonkamer omlaag duwde.
Een onzichtbare vuist stompte haar in haar maag, hard, en ze had al haar zelfbeheersing nodig om in de opening te blijven staan, met haar ogen te knipperen en te beseffen wat ze zag. Bloed. Dat viel als eerste op. Het lag bij een hoofd, bij het hoofd van een man. Het gezicht was ongedeerd, de ogen halfgesloten. Zelfs door het weinige zichtbare wit liepen rode streepjes, als robijnen snelwegen in de sneeuw. Zijn rechterhand lag op zijn borst, naast een mes dat tussen de ribben stak.
Ernaast lagen twee lichamen, exact even lang. De vrouw had wijd opengesperde ogen en lippen die van elkaar waren geweken in een lang vervlogen schreeuw. Naast haar, zonder bloed of een spoor van geweld te zien, sliep een meisje. Ze moest wel slapen. Haar ogen waren gesloten en haar gezicht stond vredig. Ze was uitgegaan, hoewel ze daar te jong voor was, en ze was zo moe dat de trap oplopen een te grote opgave was geweest. Daarom lag ze als een gevallen prinses op de vloer, doodstil.
Het was juist dat gezicht dat Merel uit haar tijdelijke verlamming haalde. Ze hoorde zichzelf gillen, maar ze voelde alleen haar benen, die haar razendsnel naar het lichaam brachten. Ze knielde, durfde de huid niet aan te raken. Terwijl haar hart onophoudelijk bonsde, alsof het wilde benadrukken dat zij de enige levende ziel in de kamer was, greep ze haar telefoon.
‘Daphne,’ fluisterde ze tijdens het overgaan, alsof haar zusje haar nog zou kunnen horen. ‘O god, Daphne.’

Ik volg! (:

Leuk! :grinning: Dit was de proloog, later vanavond komt het eerste ‘echte’ stuk. Meer volgers zijn altijd welkom en kritiek ook!

Jaro had zojuist besloten dat hij een kutdag had. Exact vier minuten geleden had hij de envelop van zijn onderbuurvrouw gekregen (afzender: uitgeverij The House of Books) en dertig seconden geleden, nadat hij zich op de felrode bank had laten vallen, had hij hem open durven maken. Zijn ogen flitsten naar de eerste zin, naar het midden en hoewel hij de standaard afwijzing al had herkend, nam hij ook het einde door.
Past niet in ons fonds, noemde de uitgeverij als reden. Dat deden ze allemaal. Het betekende dat ze zijn manuscript niet eens hadden gelezen. Het had vier maanden op een plank gelegen (of, te oordelen naar een werk dat Jaro twee jaar geleden had opgestuurd, het was vier maanden als koffieonderzetter gebruikt) en al die tijd had niemand de behoefte gevoeld om het open te slaan, dus ging het na het uiterste beoordelingstermijn terug.
Met zijn carrière ging het niet veel beter, integendeel. De omroepen deden niet eens de moeite om hem te melden dat hij niet in hun fonds paste. Jaro was afgestudeerd als journalist, maar er waren veel te veel mensen die het zagen zitten om bij de media aan de slag te gaan. Eigenlijk mocht hij nog van geluk spreken dat hij een baan had, al las niemand de lokale krant Groene Groninger en kreeg hij nog minder betaald dan de Poolse vrouw die het kantoortje van de redactie wekelijks schoonmaakte.
‘Het komt doordat je zwart bent,’ had Eva, die een diploma voor modeontwerpster had en bij een callcenter werkte, gezegd. Dat zei ze overal op, gewoon omdat dat kon en omdat ze elke gelegenheid aangreep om te bewijzen dat zij in elk geval geen racist was. ‘Zo fucking oneerlijk.’
Ze wisten allebei wat ze echt dacht en ze wisten allebei dat ze het nooit van haar leven uit zou mogen spreken. Ze kende zijn talent niet, ze las zijn manuscripten niet, ze las zijn artikelen niet omdat nu eenmaal niemand Groene Groninger las, en toch dacht Eva dat hij niet goed genoeg was.
Misschien, dacht Jaro al had hij zichzelf verboden om dat te denken, had ze daar gelijk in.

De zolder waar hij woonde was elf vierkante meter groot. Hij had er een eenpersoonsbed, een tafel met één stoel die ook dienstdeed als bureau en een kledingkast in gepropt en hij had de lelijke houten planken verborgen onder een enorme schapenvacht. Eva had een hekel aan dat ding. Ze noemde het ‘dierenmishandeling’ en ‘nutteloos’ en hoewel Jaro haar elke keer weer vertelde dat er vast mensen waren die schapenvlees aten en dat die vacht dus gewoon overschot was, bleef ze er chagrijnig naar kijken.
De bank was later gekomen. Hij stond tegen de voorkant van het bed. Op die bank had Jaro talloze telefoontjes gepleegd. Als hij zijn telefoon kwijt was, wist hij dat hij hem zou vinden door tussen de kussens te graaien. Alsof de bank zijn gedachten aanvoelde, zoemde zijn mobiel.
Eva.
Dat wist Jaro zonder te kijken, want zij was de enige die hem belde, op een zeldzaam telefoontje van zijn ouders of zijn werkgever na. Weinig enthousiast nam hij de oproep aan. ‘Hoi schat,’ zei hij om haar uit evenwicht te brengen, voordat hij dat bij hem kon doen.
‘Je moet hierheen komen. Nu.’ Haar stem was gejaagd als het schaap dat doorhad dat hij functioneerde als prooi. ‘Geschreeuw bij mijn buren. Een gil. “Ze is dood.” Het duurt minstens een uur voordat een fatsoenlijke zender of krant een verslaggever ter plaatse heeft, Jaro.’
De informatie was gering, maar Jaro was niet geïnteresseerd in informatie. Hij hoorde de opwinding, hij rook het nieuws, hij voelde dat er iets stond te gebeuren. Hij sprong zo snel overeind dat zijn enkel vervelend knakte. ‘Ik kom eraan.’
‘Het raam van de keuken staat open,’ deelde Eva hem mee. Voordat ze de kans had om op te hangen, was Jaro de zoldertrap afgestormd. Hij zwaaide naar de onderbuurvrouw, haastte zich nog een verdieping naar beneden, trok de voordeur achter zich dicht en begon te rennen alsof hij de laatste bus moest halen.
Had hij alles bij zich? Zijn mobiele telefoon kon dienstdoen als recorder, zijn filmcamera zat in de tas die hij zonder erbij na te denken had gepakt. Foto’s maken hoefde niet, dat was niet respectvol.
Opeens stond hij stil. Een besef maakte zich meester van hem. Heel langzaam, als verf die je mengt en die voorzichtig de kleur aanneemt die hij moet hebben.
De dood was het beste nieuws. Kranten vochten erom , vooral De Telegraaf, en de mensen wilden het lezen. Hij greep zijn telefoon en gebruikte Twitter om de vijf grootste media op de hoogte te stellen van hetgeen wat hij ging doen: hij ging zichzelf verkopen, en deze keer goed.

Is het ooit wel eens voorgekomen hier dat iemand helemaal geen lezers had? :flushed:

Waterdreef 61 was een vrijstaand huis met ingebouwde garage, een verrassend kleine tuin en een fiets die naast de voordeur stond. Achterop de fiets zat nog een tas, stevig ingesnoerd in de snelbinders, en de voorste band was plat. Voor hij zichzelf tegen kon houden, pakte Jaro zijn camera.
Nadat hij de foto had gemaakt, zag hij het open raam. Hij keek weer naar de fiets. Het had iets onfatsoenlijks om door het raam te klimmen. Gevoelsmatig was het hetzelfde als het stelen van de weekendtas, wat hij nooit zou doen. Jaro haalde diep adem, liep naar de voordeur en op het moment dat hij aan wilde bellen, zag hij dat de deur al een klein stukje open stond. Waarschijnlijk voor de hulpdiensten, dacht hij. Het alarmnummer gaf die tip wel vaker.
De hal was donker en kil, alsof de zon die de hele dag al scheen alle energie eruit had gezogen. De rechterdeur stond open en voordat Jaro de woonkamer in kon stappen, zag hij het meisje.
Ze was klein van stuk en tenger, met lange blonde haren die over haar rug pluisden. Ze stond met haar rug naar hem toe, had hem niet gehoord of deed alsof, en ze leek bijna één met de drie lijken op de grond.
Een interview, dacht Jaro meteen. Kranten smulden van een ooggetuigenverslag, van kleine aantekeningen die het persoonlijk leed van een zaak illustreerden, van de details die het leven van volslagen onbekenden met dat van hun lezers verbond. Omdat een begroeting ongepast voelde, schraapte hij zijn keel.
Ze draaide zich abrupt om. Haar ogen hadden een rare kleur tussen bruin en groen. Achter haar lag een meisje, jonger dan zij, met exact dezelfde haren, zag hij nu pas. Er stak nog een mes uit de borst van het makkelijke lichaam. Jaro probeerde rustig en normaal te ademen, kalm te blijven, maar hij had een paar stappen achteruit gezet voor hij zichzelf kon vermannen.
‘Wat moet jij hier?’ zei het meisje. Ze huilde niet. Haar gezicht was lijkbleek en spits, en haar ogen leken er te groot voor. Zelfs uit haar lippen was alle kleur weggetrokken.
‘Je buurvrouw heeft me gebeld,’ antwoordde Jaro. Stond de opnameapparatuur aan? Hij durfde het niet te controleren, bang dat zij het zou zien. Was ze eigenlijk wel meerderjarig? Maakte dat uit?
Nee, besloot hij, dat maakte niet uit. Het was nu of nooit. En Jaro, die zichzelf ooit had voorgenomen om documentaires te maken over oorlogsgebieden om de mensen op het belang van wereldvrede te wijzen, stelde zijn eerste vraag: ‘Heb jij ze gevonden?’

Ik lees nog wel mee! Maar ik kan momenteel niet zo vaak reageren, want ik ben op vakantie.

Ik had nog een vraag: waarom heb je voor deze titel gekozen? Ik zou hem zelf niet gekozen hebben omdat hij een beetje voor de hand liggend is. Ik vind hem zelf ook niet heel erg pakkend.

Wat leuk dat je nog meeleest! Je hoeft niet elke keer te reageren hoor, voel je niet schuldig, ik blijf gewoon plaatsen. :slightly_smiling_face:

Een familiedrama is de Nederlandse naam voor een gebeurtenis waarbij een gezinslid andere leden van het gezin ombrengt, dus de situatie zoals Merel die aantreft. :slightly_smiling_face: Ik wilde per se een Nederlandse titel, want het is een Nederlands verhaal, en ik vind titels sowieso moeilijk, dus ja, misschien is het daarom deze mislukking geworden. :’)

http://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_familiedrama’s_met_dodelijke_afloop

Ik volg ook…

Wat leuk dat je ook volgt, Vogelnest (en een leuke naam heb je ook)!

‘Jij bent niet van de politie, hè?’ zei het meisje langzaam.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik ben Jaro.’ Het klonk onlogisch, alsof een politieagent zijn identiteit aan zijn beroep gaf, alsof dat beroep evenveel waard was als een naam. ‘En jij bent…?’
‘Merel,’ zei ze.
‘Heb je de politie wel gebeld, Merel?’
‘Natuurlijk.’ Ze snoof en hij besefte dat hij een fout had gemaakt. ‘Ik ben niet helemaal achterlijk.’
‘Het spijt me,’ zei Jaro, hoewel hij niet wist waarvoor hij zich moest verontschuldigen. Hij durfde haar niet te vragen of ze verdere familie had, want in die zes woorden had hij de tranen al gehoord. Hij kon niet tegen tranen, tegen de keuze of hij een vrouw tegen zich aan moest drukken, haar over haar schouder moest strelen of gewoon hulpeloos toe moest kijken. ‘Hoe komt het dat je… ik bedoel… je…’ Oh godver, ben je nou een journalist of niet? Een vraag stellen leerde je in het eerste jaar van de opleiding – in de eerste week. Dit mag je niet verpesten, zei hij tegen zichzelf en hij slikte onvoelbaar slijm weg. ‘Jij leeft nog,’ zei hij uiteindelijk eenvoudig.
‘Ik kwam net thuis. Ik studeer in Maastricht,’ verklaarde ze, ‘en ik ga morgen op vakantie.’
Ze was blijkbaar ouder dan hij haar had ingeschat. Hij wilde haar vragen wat ze studeerde, maar iets in haar houding raakte hem zo dat hij bang was om dichterbij haar te komen – haar verdriet was te tastbaar, het hing tussen hen in en het zou hem besmetten als hij het aan zou raken.
‘Waar blijft de politie?’ vroeg ze.
‘De eenheid komt waarschijnlijk uit de stad. Misschien zijn er nog geen experts aanwezig en moeten die opgeroepen worden.’
Ze zweeg. Allebei keken ze naar de lichamen, tot ze uiteindelijk haar keel schraapte. ‘Hij heeft het gedaan.’
‘Sorry?’
‘Mijn vader. Ergens heb ik altijd geweten dat hij het zou doen.’
‘Kan je dat uitleggen?’ vroeg Jaro, die besloot om zichzelf vanavond geen eten te geven als hij vergeten was om de opnameapparatuur in te schakelen. Dit was het. Dit was wat hij zocht, wat hij moest hebben, waar De Telegraaf hem dik voor zou betalen.
Toen ze hem recht aankeek, fonkelden er tranen in haar aparte ogen. ‘Nee,’ zei ze zacht, ‘dat kan ik niet.’

@Mus Je hebt echt talent, een erg volwassen en leuke schrijfstijl heb je (vergeet even dat dit de mening is van een vijftienjarige onderdeur die niet half zo goed kan schrijven) :grinning:

Nirvana, je maakt me aan het blozen! Heb jij toevallig ook een verhaal, dat ik eens mag lezen? Ik weet zeker dat jij minstens even goed of beter schrijft!

Jaro vroeg niet door. Hij liet zich op de grond zakken, zich half afvragend of hij bewijsmateriaal voor de politie verduisterde. De lichamen maakten het zijne zwaar en warm, en hij zweette alsof hij zijn hele zolder mee naar het huis had gesjouwd. Merel liet zich naast hem zakken.
‘Ik denk dat dat de afscheidsbrief is,’ fluisterde ze en ze wees naar een envelop die onder een bijzettafel lag. Bloederige vingerafdrukken staken schreeuwend af tegen het wit. ‘Die durf ik echt niet open te maken.’
‘Zal ik het doen?’ bood Jaro aan. Hij wachtte haar antwoord niet af, boog zich voorover en griste de brief van de vloer. Omdat Merel niet protesteerde, maakte hij hem open. Luid en duidelijk, zodat zijn opnameapparatuur de inhoud goed zou meekrijgen, las hij de brief voor. Hij was kort. Drie zinnen lang, om precies te zijn: ‘De vogels houden ooit op met zingen. Het hoeft geen oorlog meer te zijn. Klaprozen zullen groeien op deze ruïnes.’
Teleurstelling overspoelde hem als een te harde douche die een paar graden te koud stond. Dit was geen brief die zou verkopen, geen “liefje, ik had geen keuze” of “als je thuis was geweest had ik jou ook vermoord, domme kut”, geen brief die emotie zou oproepen bij de lezer. ‘Is het een gedicht?’ vroeg hij aan Merel, die fronste.
‘Geen idee. Mijn vader is niet zo poëtisch.’
‘En je moeder?’ vroeg Jaro voorzichtig.
‘Zij heeft het niet gedaan!’ De roep was fel en hij hoorde hem nogmaals in zijn hoofd. Niet gedaan, niet gedaan… ‘Ik bedoel,’ zei Merel, die haar best leek te doen om zich zo volwassen en emotieloos mogelijk op te stellen, ‘dat zij nooit… ze kan niet…’
‘Ik begrijp het,’ zei Jaro, al begreep hij er niets van.
Sirenes klonken in de verte. Merels gezicht vertrok in een mengeling van opluchting en angst. Waarschijnlijk stelde ze zich voor dat vreemde voeten haar woonkamer betraden, dat vreemde handen haar familie aanraakten, dat een vreemde stem haar gerust zou willen stellen. Jaro bood bijna aan om haar mee naar zijn zolder te nemen, maar hij hield zich in. Met haar erbij kon hij het interview nooit uitwerken zonder een gigantisch schuldgevoel te krijgen.
Puur toevallig keek hij naar links, naar het lichaam van Merels zusje.
‘Ze heette Daphne,’ hoorde hij. Tranen. Hij bleef naar Daphne kijken om ze niet te hoeven zien.
‘Daphne,’ herhaalde Merel.
Op dat moment sprongen de ogen van het meisje open. Haar pupillen boorden zich in die van Jaro, leken één met die van hem te worden, zijn energie weg te zuigen en even dacht hij aan zombies, en opeens sloot ze haar ogen weer. In een reflex legde Jaro zijn vingers tegen haar pols.
Het was zwak, het joeg hem een ongekende angst aan, hij hoorde Merel gillen, maar bovenal voelde hij een dof gebonk, even ritmisch als zijn eigen hartslag.
Het meisje leefde nog.

@Mus Ik zal hier wss een nieuw verhaal posten maar weet het niet zeker meer. Het is depri en blegh dat schrijf ik de laatste tijd vaak dus nu wil ik iets vrolijkers of gwn anders.

Gewoon doen. :slightly_smiling_face: Je kunt het alsnog vrolijker maken als je dat wilt en depri verhalen kunnen ook heel mooi zijn!

Een paar minuten lang stond Jaro middenin de waas van ambulancepersoneel en medewerkers van de politie. Het gesnik van Merel, die het laatste restje controle over de situatie was verloren, joeg hem uiteindelijk naar buiten, naar de veilige voortuin waar volop bloemen groeiden, alsof er niets aan de hand was.
‘Afrikaantjes,’ klonk een bekende stem en Jaro keek op. Eva stond schuin voor hem. Ze glimlachte triomfantelijk, als een docent die toekijkt hoe de slechtste leerling uiteindelijk toch zijn diploma ophaalt. ‘Die bloemen overleven alles.’
Ze waren geel en oranje, vreemd fleurig in de omgeving die onlosmakelijk verbonden was met dood en verderf. Jaro kon er niet naar kijken. Hij besefte dat hij trilde. Hij had net twee lijken gezien, maar hij had de twee kloppende harten het engst gevonden.
Eva zette een stap dichterbij en ging op haar tenen staan, zodat haar lippen haast langs zijn oor streken. Ze droeg een andere parfum dan de vorige keer dat Jaro haar zag, een zwaardere, alsof ze een eventuele lijkgeur wilde maskeren. ‘Je bent binnen,’ fluisterde ze.
‘De één van zijn dood –’
‘ – de ander zijn brood. Waarvoor denk je dat dat spreekwoord er is? Je gaat je toch niet schuldig voelen?’ Ze legde haar hand op zijn arm. ‘Dit is je werk. Je moet de democratie beschermen, de vrijheid van meningsuiting uitdragen, dat weet ik, maar je kunt dat nooit doen als je geen fatsoenlijke baan hebt. Dit is nodig, Jaro. Later kan je duizenden levens redden door oorlogen te stoppen met je pen, maar eerst moet je iemand hebben die wil dat jij die oorlogen verslaat.’
Hij wist niet of het schuldgevoel was en hij had geen tijd om erover na te denken, want hij werd gesommeerd opzij te gaan, zodat de ambulancemensen er met een brandcard langs konden.
‘Veertien minuten,’ zei Eva naast hem. ‘De politie zal je vast wel willen spreken, dat meisje zal ongetwijfeld zeggen dat jij als eerste bij haar was, maar dat komt later wel. Straks gaat de buurt twitteren of facebooken en ben jij niet meer de eerste met dit nieuws.’
Waren er nog maar veertien minuten voorbij? Het voelde langer, alsof de aarde zo snel draaide dat Jaro moest rennen om haar bij te houden.
De hand van Eva kneep. Niet hard, niet gemeen, maar stevig genoeg om zijn aandacht te trekken. Hij had het benauwd, zijn shirt leek te strak, en hij wist niet of zijn maag overvol of juist compleet leeg voelde. Zweet was hem uitgebroken. Zijn haar voelde nat, maar toen hij zijn hand erdoorheen haalde, was het nog droog.
‘Ja,’ zei hij, al was hij niet zeker of het niet een tweede persoon in zijn lichaam was die het woord deed.
Eva leidde hem de voortuin uit, de straat op. Blikken van agenten brandden in zijn nek, rug, op zijn armen, tintelden zelfs tegen zijn vingers. Ze kunnen het ruiken, dacht Jaro, wiens hoofd prikte en stak alsof al zijn zweet zich erin verzamelde. Zoals honden geschoten wild ruiken, ruikt de politie een journalist van kilometers afstand.

Ik volg! :upside_down_face: