[verhaal] Eyes of the wolf

Ik heb al best lang geen verhalen of dergelijke meer geschreven dusss: Ik begin weer! Niet dat dit verhaal goed wordt, ik schrijf het meer uit de losse hand zeg maar. Opbouwende kritiek is ook altijd toegestaan!

INTRO
Het had niet moeilijk hoeven zijn. Ik had gewoon in de bus kunnen gaan zitten. Alles was perfect gepland: de buschauffeur begroeten, een kaartje kopen, een zitplaats zoeken en gaan zitten. Waar ik niet over had nagedacht was het feit dat er waarschijnlijk andere mensen in de bus zouden zitten. Míjn bus. Zuchtend liep ik langs de mensen die wel een zitplaats hadden gevonden. Sommige mensen probeerden op een onopvallende manier naar me te kijken. Ik zag het wel. Groenen en Bruinen, hier en daar een paar Blauwen. Ik sloeg mijn ogen neer en besloot om te blijven staan.
‘‘Je mag hier ook bij zitten als je wilt.’’ De stem kwam van een jongen die uit het raam zat te staren. Hij zag er vies uit. Één ding wist ik zeker. Hij kwam van de Straat. Net zoals ik. ‘‘Uh… Ja, bedankt.’’ zei ik snel terwijl ik ging zitten en mijn tas onder de stoel schoof. Ik bezat geen waardevolle spullen dus ik verwachtte niet dat mensen van me gingen stelen. Ze durfden me waarschijnlijk niet eens aan te raken.

Jammer van de korte intro, kan nog niet echt bepalen of dit een verhaal is wat in mijn straatje past…
Maaaar, ik vind dit stukje wel erg prettig lezen dus ben benieuwd naar de rest :relieved:

Hoofdstuk 1
Ik ren door het bos. Mijn gehijg is nog luider dan het gekraak van brekende takken onder mijn voeten. Dan zie ik een paar ongevallen bomen. Misschien is het vandaag wel mijn geluksdag. Ik sprint het laatste stuk en verschuil me onder de verdorde bladeren van de dode bomen. Jagers lopen me voorbij. Ik hoor niet goed wat ze zeggen maar ze zijn weg. Dat is al een begin.
En dat alles voor mijn twee ogen. Niet dat het voor mijn ogen gebeurt. Nee ze wíllen mijn ogen. Letterlijk. Omdat die van mij anders zijn. Als de Jagers me hadden gevonden had ik mezelf meteen wel van een brug willen gooien. Ik weet wat er gebeurt als je wordt meegenomen. Ze doen de verschrikkelijkste dingen. Meerdere mensen in de wijk waar ik woon zijn blind. Beroofd van hun zicht. Alles voor de Koning. Voor de Jagers is dat iets goeds, zij zijn degenen die er geld mee verdienen. Geld met onze ogen, oftewel; onze levens. Zonder zicht kun je namelijk niet veel.
Even later kijk ik om me heen of het gevaar verdwenen is. Niemand. Ik hap naar lucht. Door de spanning heb ik mijn adem ingehouden zonder het zelf daadwerkelijk op te merken. In de verte zie ik mijn tas liggen. Een versleten bordeauxrode tas, met een gat aan de zijkant. Ik loop erheen en pak hem op. Alles zit er nog in. Mijn handschoenen, kladblok, een pen en een foto van mama. Zelf papa weet niet waar mama is. Minder dan een jaar terug meegenomen waarschijnlijk.
Mama was nooit aanwezig. Ze was er wel, verborgen in haar eigen wereld. Ik had de theorie dat ze stiekem voor de Koning werkte. Dat was onmogelijk volgens papa. ‘‘Mama heeft te veel van de wereld gezien,’’ zei hij dan. Ik geloof er nog steeds niks van.