[Verhaal] Een wazige wereld

Heey, ik ga hier een verhaal schrijven. Ik hoop dat jullie het leuk vinden en tips/verbeteringen zijn altijd welkom :slightly_smiling_face:

Proloog:
Eerlijk gezegt heb ik nooit echt in geesten geloofd, maar ik twijfel niet meer over wat ik zie en hoor. De dingen kunnen niet bedacht zijn en ik heb me er bij neergelegd dat ik niet droom. Nog steeds blijf ik niet begrijpen hoe dit mogelijk is… Ik bedoel dit kan ik toch niet zomaar geloven… Maar wat moet je als je niet anders kan? Ik weet dat ik niet de enige ben maar toch heb ik het gevoel dat ik er helemaal alleen voor sta. Ik heb geen idee of ik ooit nog de waarheid zal weten, en of ik antwoord zal krijgen op mijn vragen. Twijfels zullen er in ieder geval altijd blijven…

Het is al drie weken geleden, toen oma overleed, nu ze hier ineens voor me staat. Kippenvel verspreid zich over mijn hele lichaam en van schrik weet ik niet precies wat ik moet doen. Is dit echt? Droom ik? Het liefste wil ik haar nu vasthouden en nooit meer loslaten, maar ik kan het niet. Is het de angst die me weerhoud? Ik ben deze afgelopen dagen kapot geweest van het idee dat ik haar nooit meer zou zien, terwijl het nu ineens heel normaal lijkt. Ik word overspoelt door een golf verdriet, maar aan de andere kant lijk ik gevoelloos. Ik wil heel hard huilen maar de tranen komen niet. Het is doodstil. Ik krijg geen woord uit mijn mond en de contour van oma beweegt nauwelijks. Voorzichtig zet ik een kleine stap vooruit, maar dichterbij durf ik niet te komen. Durven is misschien niet het goede woord, maar wat het wel is kan ik me nu niet goed bedenken. Ik heb eerder eigenlijk nooit in geesten geloofd, maar nu word ik wel gedwongen. Ik zie het echt, maar toch geloof ik mijn eigen ogen niet. Misschien verbeeld ik het me allemaal, of droom ik toch. Terwijl ik wacht tot ik wakker word beef ik en loopt het zweet langs mijn voorhoofd naar beneden. Maar ik word niet wakker… Dit is de realiteit.

Je schrijft echt heel goed! Je eerste volger is binnen :upside_down_face:

Heel erg bedankt! :grinning:

Hier nog een stukje :slightly_smiling_face:

Ik schrik wakker uit een nachtmerrie. Geschrokken kijk ik om me heen. Oke, niks. Ik kijk op mijn wekker en ga weer liggen, het is tenslotte zondag. Ik realiseer me ineens wat er gisteren is gebeurt en in schiet overeind. Snel kijk ik naar mijn bureau, waar nog een aantal papiertjes en schrijfsels liggen van gisterennacht. Ik stap uit bed en loop erheen. Ik zoek tussen de blaadjes naar iets leesbaars maar het zijn allemaal onduidelijk krabbels. Ik loop naar de plek waar ik gisteren stond, en waar oma gisteren stond. Ik ga op mijn bed zitten en het lijkt alsof ik uren naar de plek bijf staren. Duizenden vragen spoken door mijn hoofd, maar ik kan er geen antwoorden op vinden. Snel loop ik naar mijn kast en trek hem open. Even kijken, een broek, een shirt, een vestje, sokken. Ja, dit is goed genoeg. Ik trek het aan en terwijl ik naar de badkamer sprint probeer ik mijn gulp dicht te toen. Ik poets mijn tanden en was mijn gezicht. Ik pak de brief van mijn bureau die ik gisteren heb geschreven en ren naar beneden. Terwijl ik mijn sleutels pak hoor ik mijn vader achter mijn rug aan tafel zitten. ‘Nounou, jij bent vroeg je bed uit voor de verandering’, lacht hij. Ik geef een glimlachje terug maar er om lachen kan ik toch echt niet. Ik raak gefrustreed van de sleutel die ik niet in het slot krijg, en gooi het op de grond. ‘Godverdomme!’, schreeuw ik. Mijn vader kijkt verschrikt op. Ik krijg een boze blik op me toegeworpen en ik begrijp meteen dat ik dit niet nog een keer moet proberen. Rustig pak ik de sleutels van de grond en probeer het nog eens. Open. Pff, nou ben ik mijn jas ook nog vergeten. Ik loop naar de gang en trek hem aan. Als ik terugloop zeggen we allebei niks meer. Ik doe de deur achter me dicht en loop gehaast naar mijn fiets. Ik stap op en met de brief in mijn hand en begin te fietsen.
Sneller en sneller, ik zie de bomen langs me voorbij flitsen. Ik wist zelf nieteens dat ik zo hard kon fietsen. Stoplichten negeer ik, en ik doe net alsof ik de roepende mensen niet hoor. Terwijl ik over een kruispunt heen race, hoor ik hard getoeter rechts van me. In een snelle beweging draai ik me om naar de auto en voordat ik het weet vlieg ik van mijn fiets af. Eerst raken mijn handen de grond, daarna mijn gezicht en mijn knieën. Met de auto nog maar een meter van me af kan ik niet meer nadenken.

Wauw echt super mooi geschreven! Bleef helemaal in het verhaal:)

Ahw, ik ben blij om dat te horen! :slightly_smiling_face: Hier nog een stuk.

Met het idee dat ik nu overreden zal worden, wacht ik met dichtgeknepen ogen af. Ik blijf wachten en na enkele seconden durf ik mijn ogen pas weer open te doen. De neus van de auto heeft me net niet geraakt en een geïriteerde automobilist doet zijn raam open. Terwijl hij een aantal dingen naar me schreeuwt, die ik niet eens hoor, probeer ik op te staan. Met een waas voor mijn ogen probeer ik naar mijn handen te kijken en val ik weer neer op de grond. Een bezorgde vrouw komt op me afgesnelt. Ik heb geen hulp nodig, denk ik eigenwijs. Als mijn zicht weer normaal is, sta ik op en neem mijn fiets in mijn handen. Ik pak de brief onhandig van de grond af en Ik stap zo snel als ik kan weer op en maak dat ik wegkom. Ik kijk nog een keer achterom, waar ik de hulpeloze vrouw en de boze man nog midden op het kruispunt zie staan. Ik geef er geen aandacht meer aan en richt me op het fietsen. Ik heb geen kracht, maar toch doen mijn benen hun werk. Het lijkt alsof ik zelf niet eens iets doe. Het gebeurt gewoon. Nu ik alles weer een beetje onder controle heb, merk ik de pijn pas. Een schrijnend gevoel aan mijn handen, en het lijkt alsof ik een flinke snee in mijn knie heb. Ik kijk naar beneden terwijl ik mijn hoofd recht probeer te houden. Er zit een groot gat in mijn broek en het bloed loopt langs mijn broekspijp naar beneden. Ik word er dol van en ik dacht even dat ik weer van mijn fiets ging vallen. Ik probeer de schade van mijn hele lichaam te negeren en blijf doorfietsen, zodat niemand het verdriet van mijn gezicht kan aflezen. In de verte zie ik een grote poort. ‘Ja, daar moet ik zijn!’ roep ik met de stem die ik nu nog over heb door het gehijg.

Ik stap van mijn fiets af, trek de sleutel uit mijn fiets en kijk omhoog. Een groot bord met: ‘Begraafplaats de groene heuvel’. Ik loop door de grote poort, opzoek naar de plek waar ik drie weken geleden ook was. Ik had er nog niet bij stilgestaan dat dit best een grote stap is, om nu ineens oma’s graf op te zoeken, maar ik heb het gevoel dat het moet. Ik heb er al die tijd tegenop gekeken, al weet ik zelf niet waarom. Dacht ik dat ik het nog niet aan zou kunnen? Maar ik heb mijn keuze gemaakt. Vol moed loop ik verder. Ondertussen merk ik op dat er vrijwel niemand is. Ik loop rechts een paadje in met de bebloede brief en ga een stenen trapje af. Een eindje verderop zie ik een grote steen staan. De steen. Mijn gezicht betrekt en heel even sta ik stil. Ik voel me ineens niet meer zo zelfverzekerd als dat ik een paar minuten geleden nog was. Rustig loop ik verder en nader de steen. Ik kom steeds dichterbij en iedere stap lijkt zwaarder. Ik ben er, volgens mij. Ik staar naar de tekst die in het geheel is gegrafeerd. ‘Veel hebben we van je geleerd, maar je leerde ons niet hoe we je moeten missen’. Ik blijf voor me uit staren, nadenkend over de zin. Ik heb het gevoel alsof ik lichamelijk en emotioneel helemaal gebroken ben. Ik laat me neervallen op mijn knieën met mijn hoofd in mijn handen.

Ik knijp mijn ogen strak dicht om niet te gaan huilen. Nee, voor huilen is nu geen tijd. Ik pak de brief op die inmiddels op de grond was gevallen, en klap hem open. Ik kijk op en zucht diep. Ik richt mijn ogen op de letters en begin te lezen: ‘oma… dit is de eerste keer dat ik hier sta, en dat heeft eigenlijk wel een reden…’ De wind waait door mijn haar en met mijn andere hand duw ik de blonde lokken uit mijn gezicht. ‘Ik heb je gisteren namelijk gezien…’ ga ik verder. Ik probeer mijn stem te verheffen, maar er komt niets anders uit dan gestotter. ‘Was je het echt?Was jij het echt die daar stond?!’ Ik heb door dat ik nu harder praat, en dat ik niet alleen verdrietig ben, maar ook boos. Uit woede smijt ik het blad op de grond en ga verder: ‘Ja, ik ben ook boos!’ schreeuw ik bijna. ‘Boos omdat ik jou nu niet meer heb, om alles wat er deze weken allemaal is gebeurt! Ik heb er niet eens een rede voor gekregen!’ Ik voel mijn oogleden zwaarder worden maar trek er niks van aan. ‘Wat moet ik nu doen?’ roep ik hopeloos. Ik voel dat er een traan over mijn wang heen glijd. ‘Ik wil je vasthouden, voor eeuwig! Nu ik besef dat ik dat nooit heb g…ge…gedaan, en het nu niet meer kan, heb ik zo’n verschrikkelijke spijt. Ik mis iedere seconde met jou nu gewoon…’ snik ik verder. ‘Je bent g…ge…’ ik kan de zin niet meer afmaken en barst ik huilen uit. Ik ga op de grond zitten en heb het gevoel dat ik nooit meer kan stoppen. ‘Je bent gewoon weg…’ maak ik af.