[verhaal] Een onbewoond eiland

http://i46.tinypic.com/xnt3f9.jpg[/img]

1
Ik doe mijn ogen open. Het felle licht schijnt in mijn ogen. Het doet pijn en vervolgens sluit ik ze weer, het helpt niet. Het lijkt wel alsof de zon door mijn huid heen brandt. Het doet zeer, maar tegelijkertijd voelt het fijn en vertrouwt. Langzaam kruip ik met heel mijn lichaam naar de schaduw. Mijn lichaam werkt niet erg mee, maar ik ben er bijna. ik raak met mijn handen de boomstam en trek mezelf naar de palmboom toe. Met mijn rug ga ik tegen die boom aanzitten. De pijn voel ik door heel mijn lichaam. Misschien heb ik verkeerd gelegen vannacht of ik ben zo moe dat ik geen kracht meer heb en dat ik me inbeeld dat ik pijn heb. Ik draaf weer eens door. Mijn vingers laat ik zakken op het zachte zand.

Al twee maanden en één week ben ik hier op dit onbewoonde eiland. ik tel de dagen door ze in een boom te turven. Ik weet niet hoe ik het hier vol houd. Ik hoop elke dag dat er een boot langs vaart, maar nog nooit is er een boot voorbij gevaren. Ik mis me vrienden, me familie, mijn hond en zelfs school mis ik. Hoe triest kan het zijn. Zullen ze naar me op zoek zijn? Zullen ze me missen? Weten ze nog wel wie ik ben? Of denken ze niet meer dat ik besta? Van mezelf mag ik geen zelfmedelijden hebben in wat voor situatie ik ook zit, zelfmedelijden is niets voor mij, maar voor losers.
Opstaan moet ik, iets gaan doen. Te lang heb ik niets gedaan of zoals mijn vader altijd zei, je verspeelt nu minuten van je leven, ga iets doen! Ik duw mezelf omhoog met mijn handen zodat ik overeind sta. Nu merk ik hoe vies ik ruik. Lopend naar het heldere blauwe water voel ik de zon weer op mijn huid branden, zo au! En zo fijn! Ik maak een sprongetje en mijn voeten staan in het heldere water. Het voelt zo plezierig en verkoelend aan. Steeds ga ik dieper het water in totdat ik nog maar net kan staan op mijn tenen. Ik schrob me schoon met een doekje, dat eigenlijk een stuk mouw is van een T-shirt. Om mijn haren te spoelen duik ik onderwater. Mijn ogen houd ik open. Ik zie de zonnestralen door de zee heen glinsteren in het water. Vissen met felle kleurtjes zwemmen rond. Onderwater is alles zo prachtig en zo levendig. Zelf zou ik onderwater wel willen leven. Ik zie het al helemaal voor me, ik speel en praat met de vissen. Al de troep wat in het water ergens ligt zou ik opruimen. Ik zal voor een deel voor de oceaan zorgen alsof ik hen moeder ben. Alle vissen en haaien zal ik eten geven zodat ze elkaar niet hoeven op te eten. Langzaam spartel ik weer naar boven om adem te halen. Rustig kom ik weer tot adem en loop het water uit.
Ik pak een handdoek en droog me af, die ik gelukkig met mijn reisje mee had in mijn rugzak.
Het reisje is eigenlijk een reis geworden, want anders zou ik nooit op dit onbewoonde eiland beland zijn.

Twee uur was ik al vertrokken met mijn zeilbootje. Het begon te regenen, de druppels maakte kuiltjes in mijn huid. Steeds harder drukte de druppels in mijn huid. Het was maar net begonnen met regenen en het begon al snel te hagelen. De golven werden steeds groter. Ze waren op een moment zo enorm dat het zeilbootje niet zo stabiel meer was. Ik voelde me zo klein tussen al die hoge golven. Onverwachts kwam er een enorme golf aan, die golf brak de zeilboot in stukken. Alle stukken van mijn zeilboot zonken naar de bode van de oceaan. Tranen stroomden uit mijn ogen. Op dat moment had ik alleen mezelf. Ik was hopeloos en voelde me nog kleiner tussen al die golven. De golven waren nog steeds zo groot. Ik probeerde niet over de kop te gaan, wat natuurlijk wel gebeurde. Ik ben wel honderd keer over de kop gegaan voor mijn gevoel. Na een eeuwigheid werden de golven kleiner en kleiner tot er amper een golf over was alsof de storm nooit was geweest. Ik was ontzettend misselijk, omdat ik veel water in mijn mond binnen kreeg. Ik zag mijn rugzak niet ver van mij vandaan liggen. Ik was zo blij dat ik die zag. Als een verzopen katje zwom ik met al me kracht die ik nog over had naar mijn rugzak. Het ging niet snel, maar ik ben wel bij mijn rugzak gekomen. Ik pakte hem aan de zijkanten met me handen vast en legde mijn hoofd in het midden. Zo viel ik in slaap. Ik werd wakker en zag land niet ver van mij vandaan. Rustig zwom ik erheen, alsof ik alle tijd had wat helemaal niet zo was. Ik zou allang weer thuis moeten zijn! Eenmaal aangekomen op dat onbewoonde eiland voelde ik me hopeloos. ik dacht en ik denk nog steeds, waar ben ik in godsnaam beland?
Vanaf die dag heb ik geleerd hoe je vuur moet maken, tel ik alle dagen, zoek ik eten, hoop ik op een boot die langs komt varen en denk ik over dingen na waar ik normaal gesproken niet zo snel aan zou denken.

Als ik helemaal schoon ben, Laat ik me zakken op het strand en schrijf ik mijn eigen naam ‘Juliette’ in het zand. Ik staar voor me uit naar de rustige zee en de hemelsblauwe lucht.

Heel leuk verhaal! Ben benieuwd hoe het verder gaat! :slightly_smiling_face:

Dankje!

Nog een klein stukje!

Mijn ogen zijn te zwaar om open te houden, dus besluit ik om ze dicht te doen.
Als ik wakker word is het al donker aan het worden. Ik sta snel op, alsof ik schrik. Tot mijn verbazing heb ik super lang geslapen. De halve ochtend en de hele middag heb ik zit te slapen ofwel zitten niksen. Ik merk hoe hongerig ik ben. Het kwijl loopt uit mijn mond langs mijn kin en druppelt op het zand. Ik smeer het kwijl af aan mijn T-shirt. Eten moet ik nu nog gaan zoeken voordat het pikdonker wordt. Ik pak vlug mijn fijn scherpe mes, die ook in mij rugzak zit, en loop het woud in om eten te gaan zoeken. Af en toe snij ik met mijn mes bladeren weg die mijn in de weg zitten. In het schemerige donker vind ik een bessenstruik. Ik pluk de bessen en leg ze in mijn T-shirt. Een paar bessen eet ik al op omdat ik mijn hongerigheid echt niet kan beheersen. Ze zijn zo lekker sappig. Zijn ze niet giftig? Als ik nog dertig meter verder loop zie ik een bananenboom. De bessen leg ik even op de grond neer. Ik probeer de bananen vanaf de grond te pakken maar dat lukt niet. Ze hangen te hoog voor mij. Voorzichtig klim ik in de bananenboom.
Vroeger als zesjarig kind klom ik altijd in een boom als ik boos was en niemand kon mij eruit halen. Later werd de boom gekapt, ik was zo boos dat ik een week niks tegen mijn ouders zei. Nu moet ik er eigenlijk wel om lachen.
Ik klim op een tak. Hopelijk houdt de tak mijn gewicht. Langzaam schuif ik met mijn kont over de tak. Ik steek mijn handen uit om te zien of ik de bananentros al kan aanraken. Nog een klein stukje naar voren en dan moet het wel lukken. Als een wilde gek sla ik met mijn mes op de steel waar de bananentros aanhangt. Na vijfenveertig keer slaan valt de bananentros eindelijk naar beneden. ‘zucht’. Ik klim weer uit de boom zodat ik weer veilig met twee benen op de grond sta. Ik stop de bessen weer in mijn T-shirt en houd de bananentros in mijn linkerhand. Ik volg hetzelfde pad weer terug. Als ik terug kom op mijn leefplekje, op dit bizarre onbewoonde eiland, plof ik de spullen op een kleed en plof ik mezelf neer in het zand. Het is niet een echt avondmaal maar ik moet toch iets eten. De bessen stop ik één voor één in mijn mond. Een paar bessen laat ik over voor morgen ochtend. Ik eet twee bananen die zo heerlijk smaken.

Leuk! :upside_down_face: Snel verder…

Het is een klein stukje. Maar beter iets dan niets!

HOOFDSTUK 2

Een wandeling over het strand in de avond voelt zo goed en zo vrij. Het enige voordeel aan een onbewoond eiland is dat je geen pottenkijkers hebt en geen gedoe hebt met mensen.
Ik zwier en ren over het strand. Ondertussen maak ik tekeningen in het zand met mijn voet. Veel mensen zeggen dat ik talent heb en dat ik er iets mee moet doen. Dansen vind ik ook erg leuk. Ik doe het al sinds mijn vijfde. Ik heb dansen van mezelf geleerd. Ik weet het, het klinkt gek, maar het is echt zo. Ik ben één keer met een vriendin mee geweest naar haar dansles, wat ik niet bijzonder vond. Je moest pasjes aanleren. Je mocht niks zelf bedenken, alles was al uitgestippeld. Maar dat is wat ik niet wil. Ik wil mijn eigen dans.
In de dans kan ik mijn gevoelens kwijt. Nu, op dit moment, dans ik dat ik vrij ben maar tegelijkertijd voel ik me opgesloten. Ik kan doen wat ik wil, niemand ziet me. ik kan nergens heen, want ik zit opgesloten op dit eiland. Het voelt zo vertrouwd aan om te dansen. Mijn voeten die langzaam door het zand heen gaan. Mijn handen die zo vrij door de lucht heen gaan. Ik dans in de avondzon die zo prachtig is. Uiteindelijk plof ik neer op het zand. Kapot en uitgeput van het dansen. Mijn hartslag gaat snel, ik luister er aandachtig aan.

Twee maanden, een week en 1 dag ben ik al op dit eiland, langzaam ben ik het wel zat. Als er nog iemand was dan zou het wat langer uit te houden zijn. Ik kijk naar de hemel, zoekend naar hoop. Alstublieft, zie mij! Help mij!
De sterren schitteren in het donker. Sterren heb ik altijd bijzonder en mooi gevonden. Alsof iedereen zijn eigen ster heeft en dat het fonkelende lichtje in jezelf leeft. Het fonkelende lichtje zou kunnen aangeven dat je nog leeft. En als de dood bij je is dat dan langzaam het lichtje dooft. Ik sta weer op om te gaan slapen. Ik loop naar mijn slaapplek. Het is nog zo warm dat ik in mijn kleren op het afgekoelde zand ga liggen.

“krrssst,” hoor ik opeens. Het is nacht en ik ben wakker geworden door een stom geritsel. “krsst,” hoor ik weer. Nu ga ik rechtop zitten. Ik staar in het donker om me heen, maar niks is te zien. Ik sluip naar de tas om mijn fijn scherpe mes te pakken. Het mes houd ik stevig in mijn handen. Ik knijp zo hard aan het handvat van het mes dat het pijn doet. ik houd het ietsjes losser vast zodat ik mijn vingers weer kan voelen. Ik kijk naar het bos. Bang sluit ik de deken om me heen. Het voelt als een bescherming voor mij. Er hangt een klein kil windje in de lucht wat alles nog enger maakt. Niet dat ik een bang meisje-meisje ben. Ik durf heel wat, maar nu ben ik alleen en als er toch iets gebeurd kan ik niet om hulp vragen. Met grote angstige ogen kijk ik richting het bos. “krrsssstt,” hoor ik alweer maar dit keer zie ik ook wat bladeren bewegen. Voorzichtig duw ik de deken van me af en loop ik richting het bos waar ik bladeren zag bewegen. Met mijn mes dicht tegen me borst aan loop ik steeds dichterbij. Opeens springt er een zwart beest uit het bos. Ik schrik me dood en blijf versteend staan met mijn mes uitgestoken naar dat beest. Ik heb het gevoel als ik niks meer kan bewegen. Het is een wolf met enge groene ogen. Hij staat acht meter van mij vandaan. Zijn felle groene ogen staren mij angstaanjagend aan. Versteend blijf ik staan waar ik sta. Waarom ren ik niet weg? Dat beest kan mij aan stukken scheuren en vervolgens doden. Ik moet in beweging komen anders zal het me dood betekenen. Tot mijn verbazing blijft hij ook stilstaan. Waarom springt hij niet op mij af en bijt me tot ik dood ben. Daarna zou hij me meenemen naar zijn donkere wolven hol waar hij me voert aan al zijn vrienden en familie. Rillingen lopen door mijn lijf bij deze gedachte. Nog steeds staren we naar elkaar, waarom doen we allebei niets. Ik wil wegrennen maar ik blijf als versteend staan. Ik kom net in beweging als hij weer terug springt in het bos en weg rent. Waarom deed hij niks? Waarom rende hij weg? Eigenlijk hoor ik weg te rennen. Ik knipper met me ogen. Ik snap er niks van, is het wel echt gebeurd? Een tijd blijf ik nog staan om te verwerken wat er zojuist is gebeurd en tegelijkertijd kijk ik of hij niet meer terug komt.
Vlug ren ik terug naar mijn slaapplaats en ga ik onder de deken liggen. De nacht zal nog wel dik drie uur duren. Ik probeer te slapen maar het lukt me niet. Ik besluit maar schaapjes te tellen wat ik altijd deed samen met mijn moeder toen ik nog klein was. Eén schaapje, twee schaapjes, drie schaapjes…38 schaapjes, 39 schaapjes…97 schaapjes. De moed geef ik op, schaapjes tellen helpt ook al niet. Na een poos val ik toch in slaap, geen idee hoe ik het voor elkaar heb gekregen.

Al vroeg ben ik wakker, ik rek me uit en kijk over het strand uit. Het is zo mooi wit strand met een heldere blauwe zee.
‘aaaaaaaa!’schreeuw ik. Geen idee hoe lang het duurde voordat ik ophield met schreeuwen. Dat zwarte beest, van gisteravond wat een wolf is, ligt een eindje veder op naast mij. Hoe lang zou hij daar al wel niet liggen? Vlug pak ik al mijn spullen bij elkaar. Ik hoop niet dat hij wakker is geworden van mijn geschreeuw, maar ik denk het wel. Het geschreeuw van mij moet je wel gehoord hebben. Als ik al mijn spullen bij elkaar heb kijk ik achterom. Van schrik laat ik al mijn spullen op de grond vallen. De zwarte wolf met zijn enge en mooie groene ogen staat maar één meter van mij vandaan. Eén meter maar! Hij kijkt mij doordringend met zijn prachtige maar ook zo angstaanjagende ogen aan. Het voelt niet goed maar tegelijkertijd voelt het vertrouwt alsof ik hem al een keer eerder heb gezien in mijn leven. Wat moet ik doen? Tijd geeft hij mij niet om te beslissen. Hij loopt nog iets naar mij toe, hij is nu zo dichtbij. Als ik zou willen zou ik hem zo kunnen aanraken. Ik wil weg rennen, maar mijn voeten werken niet mee. Ik kan mijn voeten gewoon niet verzetten. Het lukt niet. Zijn vacht raakt mijn benen. Ik kan wel gillen van angst, maar als ik mijn mond open doe komt er geen geluid uit. Tranen van angst lopen over mijn wang. Wat wilt hij van mij? Wat doet hij hier nog?

Snel verder! (:

Leuk verhaal, heb er wat spelling fouten voor je uitgehaald en wat niet kloppende zinnen, kijk maar of je er iets mee doet

Bedankt! heb wat verbeterd!

Graag gedaan,wil je dat ik je andere stukjes ook nakijk?

Dat zou fijn zijn, als je dat zal willen doen! x

Ik hoop dat je er iets aan hebt.

't worden steeds minder foutjes, spannend verhaal zeg!

Bedankt voor de foutjes eruit halen! :slightly_smiling_face:

Graag gedaan :wink:

Tis zoo spannend en leuk!. Zeker wordt bevriend met die wolf en komt ze in gevaar maar haar ‘vriend’ gaat haar helpen/redden. En op een dag komt er iemand haar ophalen,maar ze wilt niet want ze vind t te zielig voor haar ‘vriend’… Zo tog of niet? :wink:

Haha, je zult het wel zien…

super mooi verhaal! ik hoop dat je snel verder gaat