[Verhaal] Een nieuw leven.

Waarom kan ik niet gewoon zijn zoals ieder ander mens. Een gewoon leven leiden zoals iedereen dat doet. Waarom ben ik zo geboren en zal ik altijd zo blijven.
‘Wilt u nog wat drinken?’ Ik schrik en kijk omhoog. ‘Sorry, ik wou u niet laten schrikken.’ De barman kijkt me aan met zijn donker blauwe ogen, Ogen waar je niet te diep in moet kijken. Dan krijg je het gevoel dat je verdrinkt. Hij rommelt wat met de glazen maar blijft me toch aankijken. Het is bijna alsof hij wil weten waar ik vandaan kom. Toch is het een knappe jongen. Blond halflang haar, rode blouse en een nette zwarte broek eronder. Ook is hij best wel lang en heeft een goed lichaam. Ik glimlach terug en schud mijn hoofd. ‘Nee, dank u ik hoef niks meer.’
Mensen, wat lijken ze toch onschuldig, maar achter ieders lieve gedrag schuilt een moordenaar. Ik sta op een loop langzaam richting de deur. De bar is leeg en verlaten. Het stinkt hier ontzettend naar rook, en de rooie muren maken het er niet gezelliger op. De helft van de kaarsjes op de tafels zijn al uit, en de man die er nog zit drinkt zijn verdriet weg. Hij kijkt op als ik voorbij loop en zegt gedag.
Het enige wat ik nooit zal begrijpen is hoe ze zichzelf zo voor de gek kunnen houden. Ze geloven zelf dat ze nooit iemand pijn kunnen doen, maar als het er op aan komt. Geloof me ze doen het echt. Ik loop naar buiten en zucht. Het is koud, vochtig en donker buiten. Enkele lantaarnpalen geven nog wat licht, maar voor de rest zie je bijna niks. Alweer een nieuwe stad. Ik wil alles achter me laten en proberen een normaal leven te leiden, maar het is moeilijk er is teveel gebeurt. Eerst denk je dat je alles in de hand hebt, maar als er ook maar één ding mis gaat valt alles uit elkaar. Dan ben je alles en iedereen kwijt.

Ik loop over de straten richting het bos. De maan verlicht het bospad zodat ik rustig door kan lopen. Het bos is s ’nachts altijd veel mooier dan overdag. Het komt vast omdat er dan niemand is, en daardoor hoor je alle vogels fluiten die je anders nooit hoort. Elke avond maakt het maan licht het bos alsof het een paradijs is. Alles schittert en overal vallen lichtstralen het bos in. Aan het eind van het pad staat een klein huisje dat word verlicht door het maanlicht. Ik doe de deur open en loop zachtjes naar binnen. Net voordat ik mijn jas uit kan doen gaat het licht aan. ‘En waar ben jij geweest?’ Ik kijk naar de deur opening. Daar staat een klein langharig blond meisje in haar roze nacht japon. Ze is volgens mij net uit bed gekropen, want ze heeft haar beer nog onder haar arm. Ze trekt haar ene touwtje van haar nacht japon weer goed en kijkt me slaperig aan met haar groene ogen. Ik lach en geef haar een knuffel. ‘Wat doe je uit bed Lilly?’ Ze gaapt en schud haar hoofd. Blijkbaar was ze nog half in slaap. Ik til haar op en neem haar mee naar boven. ‘Ga nou maar lekker slapen.’ Ze kruipt onder de dekens en ik stop haar nog even lekker in. Als ze bijna weer slaapt sta ik op en loop ik terug naar beneden. Mijn kleine zusje weet ook niet hoe ze hier mee om moet gaan. Ze heeft het moeilijk en wil niet praten over wat er is gebeurt. Misschien heeft ze het verstoten zodat ze door kan gaan met haar leven. Ik pak wat te drinken en plof neer op de bank. Na een tijdje komt Lilly naar beneden. ‘Avery ik kan niet slapen.’ Ze komt naast me zitten en kruipt me aan. Ik leg mijn armen om haar heen en geef haar een knuffel. ‘Komt wel goed meid.’ Ik strijk wat door haar haren en leg mijn hoofd zachtjes op die van haar. Na een tijdje valt ze weer in slaap. Ik lach en breng haar weer naar boven waarbij ik haar dit keer op mijn bed neerleg. Ik kleed me om en gooi de kleren op een stoel aan de andere kant van de kamer.
Overal staan nog dozen die uitgepakt moeten worden. Je ziet haast het rooie tapijt niet meer zoveel dozen staan er nog. Ook voor de zwarte muur staan allemaal dozen. Ik zucht en kijk naar het plafon. Het huis is al best wel oud, maar super mooi om in te wonen. Het ligt vlak bij een meertje, waar je elke dag de eendjes kunt voeren. Ook staat het huis diep in het bos, ver weg bij alle mensen en het verkeer. Naast het huis staat een grote boom, die misschien nog wel ouder is dan het huis zelf. ’s Avonds schijnen er best wel enge schaduwen naar binnen. Maar toch is dit de perfecte plek om overnieuw te beginnen, dus waarom zullen we het niet gewoon proberen.

Ontzettend goed, verder.

Ik word langzaam wakker en knipper een paar keer met mijn ogen. Het licht wat door het raam schijnt is fel. Ik knipper nog een paar keer om te wennen aan het licht en kijk om me heen. ‘Lilly, waar ben je?’ ik stap uit bed en loop via de grote trap naar beneden. ‘Ik ben hier.’ Lilly komt uit de keuken met wat drinken en een pak papier. Ze gaat voorzichtig op de grond zitten en legt al het spul op de tafel neer. Ze kijkt me aan wrijft even door haar ogen. ‘Weet jij of we stiften hebben?’
ze zoekt wat rond in de laden en in de dozen die naast de tafel staan. Ik zucht en schud mijn hoofd. ‘Geen idee, ik ga vanmiddag boodschappen doen. Zal ik dan nieuwe meenemen?’ ze knikt vrolijk en loopt terug naar de keuken. Als of ze echt niet meer weet wat er is gebeurt. Zo iets kan je toch niet zomaar vergeten? Ik schud mijn hoofd en begin alvast wat dozen uit te pakken. Ze staan er al een paar weken, maar ze heeft nooit echt de tijd gehad om ze open te maken. Ik sleep er een paar mee naar de keuken en zet ze op de keukentafel neer. Lilly komt de kamer binnen sluipen en springt op mijn rug. ‘BOE!’ Ik begin te lachen en laat haast een bord uit mijn handen vallen. ‘Ik schrok me dood, waar was dat nou weer voor nodig.’ Het was echt weer iets voor haar om een verstop en schrik spelletje te gaan spelen, Je went er op een gegeven moment aan en dan schrik je ook niet meer. Ze kijkt me aan en trekt haar schouders op. ‘Zal ik helpen met uitpakken?’ ik wijs naar een doos die naast de bank staat. Er staat met grote koeienletters ‘LILLY’ op geschreven. ‘Die doos mag je wel meenemen naar je kamer en daar uitpakken.’ Ze rent met een noodgang op de doos af en sleept hem mee naar de trap. Daarna loopt ze terug en kijkt me droevig aan. ‘Kun jij hem naar boven tillen?’ ik leg de lepels en de vorken nog even in de la en loop achter haar aan de gang in. De doos staat voor de trap met één zijde omhoog. Ik begin wat te lachen maar ik stop al snel want Lilly kijkt me boos aan. ‘Dat is niet grappig.’ Altijd als haar iets niet lukt vraagt ze het aan mij, echt om de allerkleinste dingen komt ze al naar me toe, als ik dan begin te lachen word ze boos. Ik til de doos op en loop de trap op richting haar kamer toe. Ze kijkt me met grote ogen aan en sprint de trap op.
Ik zet de doos op haar kamer neer en kijk haar nog even aan. Ze kijkt super blij terug en geeft me een grote knuffel. ‘Roep maar als je hulp nodig hebt’ Ik loop weer naar beneden en ga verder met de rest van de dozen. Ik zet wat boeken in de kast en maak de doos kapot zodat die in de papiercontainer kan. Nadat ik de helft van de dozen heb uitgepakt komt Lilly naar me toe en tikt me op mijn schouder. Ik draai me om en kijk in twee droevige ogen. ‘Wat is er lieverd?’ ik kijk haar bezorgt aan. ‘Wat is er gebeurt?’ Ze geeft me een foto. Op de foto staan Mama en papa. Ik kijk haar weer aan en weet even niet meer wat ik moet zeggen. Toen was alles nog perfect en goed. Ik zucht.
‘zullen we een mooi fotolijstje kopen om de foto in te doen? Dan kunnen we hem daarna op de kast zetten.’ Ik zei maar wat, als een poging om haar op te vrolijken. Ze knikt en geeft me nog een knuffel. ‘Ga je mee boodschappen doen?’ ze begint ineens weer te lachen en rent naar de gang om haar jas te halen. Ondertussen pak ik wat brood voor de eendjes en stop die in mijn tas samen met mijn sleutels. Ik loop terug naar Lilly en doe haar jas stevig dicht. Het was koud buiten en niet een klein beetje. Als je een uurtje buiten zou lopen zou je veranderen in een ijslolly.

Verder!

‘Beloof me dat je dicht bij me blijft. Ik wil je hier niet kwijtraken’ ze knikt gehoorzaam en loopt naar buiten. Als we vlak bij de stad zijn draait ze zich om. ‘Heb je wel geld mee?’ ik stop en kijk in mijn tas. Tuurlijk was ik dat weer is vergeten. ‘Nee, dat ben ik vergeten.’ Ik kijk om me heen. er was niemand te zien, alleen wat vogeltjes die eten zoeken. ‘Kom spring op mijn rug dan rennen we even snel terug.’ Lilly klimt zonder moeite op mijn rug en ik spring met één grote sprong de boom in. Ik kijk naar beneden terwijl mijn ogen van groen naar goud veranderen. Ja, onze familie bezit een groot geheim. Iets wat niemand mag weten en wat we geheim moeten houden. Hoe moeilijk het ook is onze levens hangen er van af. Ik spring met nog een grote sprong in de andere boom. Ik klim wat omhoog zodat ik kan zien waar we zijn en spring op een andere tak. Ik blijf over springen van boom naar boom tot ik op mijn voeten op de vloer voor het huis land. ‘Ik pak het wel even.’ Lilly springt van mijn rug en rent naar binnen om de portemonnee te pakken. Na wat gerommel in het huis rent ze terug en geeft me de portemonnee. ‘Hoe kun je die nou weer vergeten.’ Ze springt op een grote steen en kijkt me vragend aan. ‘Ik ben de laatste tijd gewoon wat vergeetachtig.’ ik geef haar een duwtje van de steen af en loop door naar het meertje. ‘Wou je de eendjes nog voeren?’ Ik gooi het zakje met brood over mijn schouders. Lilly vangt het op en komt snel naast me lopen. ‘Wat denk jij dan.’
Ze rent alvast naar het meertje en doet een poging om het zakje open te krijgen. Als ze eindelijk bij het meertje aankomt komen de eenden al op haar af met hun gekwaak. Lilly gooit wat brood naar de eenden en ik ga op een grote steen zitten.
Als al het brood weg is stopt ze het zakje weer in haar broekzak en kijkt om zich heen. ik denk dat ze het een prima plek vind om te wonen, Al hoewel ze het oude huis natuurlijk wel mist. Na een week vol twijfeling hebben we toch besloten om weg te gaan uit onze oude stad. Het was echt een ramp daar, niemand konden me weer vertrouwen. En de gene van wie we het meeste houden waren er niet meer. Het was zwaar en dat is het nog steeds maar we zullen er bovenop komen. Ik kijk op als Lilly naar me toe komt lopen en me aankijkt als of ik op moet schieten. Ik grijns en sta op. Samen lopen we naar de stad. Als we aankomen bij de supermarkt rent Lilly naar de winkelwagens toe. ‘Mag ik de kar duwen?’ Ik geef haar een muntje en wacht tot ze terug komt met een winkelwagen. Na een tijdje hoor ik wat geschreeuw. ‘Aan de kant!’ Lilly crost me met een vaart voorbij. Een paar mensen kijken me aan als of ik haar niet in de hand heb. Daarna lopen ze door en doen als of ze nooit iets hebben gezien. Ik ren naar haar toe en stop de winkelwagen. ‘Hou je een beetje in.’
Ze knikt en gaat rustiger lopen. Als ik me even omdraai is Lilly al weer bezig om allemaal lekkernijen in de winkelwagen te doen. Ik kijk haar lachend aan en schud mijn hoofd. ‘Je mag 2 dingen uitzoeken de rest leg je terug’ ze kijkt me beteuterd aan en loopt terug met twee handen vol snoepgoed. Ik neem de kar over en loop naar de koelvakken om wat vlees te zoeken voor vanavond.