[Verhaal] Dubbelganger

Hoi iedereen,

Ik ben begonnen met het schrijven van (mijn eerste) verhaal en ik hoop dat jullie het leuk vinden :slightly_smiling_face:.
Ik post hier om meningen te horen en te leren dus commentaar is welkom, maar wel een beetje lief blijven hehe :flushed:

Het wordt trouwens vanzelf wel duidelijk waar het overgaat, maar toch om een beetje een beeld te krijgen of je dit wel wilt lezen:

Het gaat over Johanna die op haar elfde werd meegenomen om gebruikt te worden als proefpersoon in een laboratorium. Ze leeft daar in een soort cel en ze ondergaat veel operaties. Zelf heeft ze geen idee wat het experiment inhoud, het is namelijk strikt geheim. Ze weet alleen dat het iets met DNA te maken heeft.

Hoofdstuk 1
Toen ik net alle stenen voor de duizendste keer had geteld, om zeker te weten dat het er 1948 waren, werd ik opgehaald uit de kamer. Een man van middelbare leeftijd vroeg of ik mee wilde lopen. Hij stelde het als een vraag, maar ik wist dat het eigenlijk een bevel was en ik niks te kiezen had. Hij liep een meter voor me uit, zonder naar me om te kijken of ik hem wel volgde. We liepen een lange witte gang door. Alles was volkomen steriel. Hier en daar was een deur die leidde naar een andere kamer. Ik stelde me voor dat er achter die deuren misschien ook wel kinderen zaten te wachten tot ze werden opgehaald. Aan het einde van de gang gingen we door een klapdeur, die piepte als je hem openduwde. Toen liepen we het hoekje om waar de man een slot van een deur opende. Aan zijn sleutelbos hingen maar twee sleutels, en een soort doorzichtige sleutelhanger waar een foto van een meisje in zat. Ik vroeg me af waar de andere sleutel voor was.
In tegenstelling tot de fel belichte gang van net, was het licht in deze kamer een beetje gedimd. Toen ik achter hem de kamer in was gestapt deed de man de deur weer achter me dicht. In de kamer stond een grote werktafel waar allemaal verschillende reageerbuisjes op stonden. Er stonden naambordjes bij die ik niet begreep. Aan de muur hing een beeldscherm waar verschillende cijfertjes op werden aangegeven. Ook zag je een lijntje, zo eentje die je ook altijd ziet in ziekenhuizen, die waarschijnlijk iets van een hartslag aangaf. De kamer bestond uit drie muren. Waar de vierde muur zou moeten zitten, zat nu een glazen wand. Ik kon niet zien wat er achter die glazen wand zat, want er scheen daar geen licht. Het enige wat je daar zag was zwart, zwart en nog eens zwart. Voor de rest bestond de kamer uit een bureau met bijpassende stoelen, en wat kamerplanten. De man die inmiddels achter zijn bureau had plaatsgenomen, schraapte zijn keel. “10519?”
Ik knikte. Mijn naam hadden ze afgenomen toen ze me meenamen. Ze hadden het vervangen voor een nummer. Ik was hun 10519e proefpersoon. Voor het eerst keek de man me recht aan. Hij had al lichte rimpels zag ik. Zijn ogen waren grijs, net als zijn haar.
“Leon Stunart.” zei hij. “Ga zitten.” Hij knikte naar de stoel die tegenover zijn bureau stond. Langzaam liep ik er heen, mijn benen nog stijf van de weinig beweging die ze hier kregen en de ijzige kou. Hij deed de computer aan die op zijn bureau stond. Een zoemend geluid kwam uit het kastje. Toen wende hij zich weer tot mij. “Je zult je vast afvragen waarom je hier nu ….woont.” Verbaasd keek ik hem aan om zijn verschrikkelijke woordkeus. In een HUIS woon je, niet in een laboratorium waar je gedwongen vast zit en het enige licht dat je ziet is dat van een tl-buis op weg naar de operatiekamer. Ik walgde nu al van deze man, ook al wist ik alleen nog maar zijn naam. Hij negeerde mijn blik en ging verder met zijn verhaal. “Er zijn dingen met je gedaan die vast niet allemaal even prettig waren, maar je hebt je er dapper doorheen gewerkt. Het is natuurlijk allemaal voor een goed doel.” Een gemaakte glimlach verscheen op zijn gezicht. Hij had dit gesprek waarschijnlijk al veel vaker gevoerd. Ik was boos op deze man, ik haatte deze man. Ik wist dat er een hele organisatie schuil ging achter alles wat mij is aangedaan, wat andere kinderen is aangedaan, maar deze man, Leon Stunart, was nu mijn beeld van dit alles. Ik wilde mijn woorden op hem uitspuwen, al mijn woede recht in zijn gezicht smijten, maar het enige wat uit mijn mond kwam was een schorre “Welk goede doel?” Mijn stem klonk zacht en onzeker. Ik had al tijden niet meer gepraat. Tevreden keek hij me aan, omdat ik niet moeilijk deed. Ik gewoon het gesprek aanging, zonder uit te spreken dat dit alles zo verschrikkelijk fout was. “Door jou, mijn kind, hebben we iets heel …handigs uitgevonden. Een doorbraak die dit land welvarend en machtig zal maken. Je zult je nu wel heel speciaal moeten voelen.” Ik voelde me alles behalve speciaal. Ik wist dat er 10518 kinderen voor mij waren, en misschien ook nog vele andere kinderen die na mij kwamen. De helft dood. De andere helft ziek. Allemaal door dit nieuwe experiment. Ik wist dat het iets te maken had met DNA. Verder was het experiment strikt geheim. Ik voorspelde dat het experiment iets te maken had met een nieuw genezingsmiddel, maar het idee was gruwelijk dat daarvoor zoveel kinderen moesten sterven. Toch gaven de woorden ‘welvarend’ en ‘machtig’ die hij gebruikt had me een raar gevoel. Ik dacht niet dat je van een medicijn machtig kon worden. “10519?” zijn ogen keken me doordringend aan. “Kun je een geheimpje bewaren?” Ironisch, want ik had de afgelopen tijd geen andere gesprekspartner gehad dan de muur. Voordat ik had geantwoord begon hij al verder te praten. Zijn ogen fonkelden.
“Je hebt een kloon.”

Btw: kan iemand mij uitleggen hoe dat werkt met enters als zeg maar een personage iets zegt?