[Verhaal] Doom in a needle

Neil Vanderzee, 26 en freelance crimineel. Levend in 2045 in een kansloze stad waar in principe niemand meer aan de goede kant van de wet staat. Neil’s leven had een stuk slechter gekund. En wordt het ook.

Hoofdstuk 1

Achteloos gooide Neil de nu lege wijnfles aan de kant. Het ding sloeg aan scherven tegen de donkere muur van het smalle straatje waarin hij liep. Het maakte niet uit; alles was hier ranzig. Alles. Een paar scherven meer of minder deden er niet toe. De goot was gevuld met rommel, als je niet uitkeek stapte je zo in een plas braaksel van een lokale zwerver, stom dronken, doodziek of allebei, of in ander menselijk afval. Het was hier zelfs niet vreemd om de ontbindende lijkjes van knaagdieren, katten of honden te vinden, half aangevreten door soortgenoten en genegeerd door de mens.
De donkerharige jongen, nog niet eens aangeschoten van de goedkope rommel die amper voor wijn door kon gaan, sloeg de hoek om, een brede straat in. Om zijn lippen verscheen een vreugdeloze grijns. Nog geen tweehonderd meter verder liep een rijk ogende vent die zijn kant op kwam. Misschien kon hij dan toch nog wat uit vandaag slepen. Het kwam niet zo gek veel voor, chique lui in deze wijk, maar je leerde hier al snel je nergens over te verbazen. Je had wel meer te doen.
Neil zat er al lang niet meer mee als hij iemand beroofde; niemand in deze godvergeten klotestad was schoon, al het geld was zwart, dus wat zou het? Met die logica rechtvaardigde hij het en als iets hem al speet dronk hij het weg. Hij hoefde geen geweten, kwam je nergens mee hier.
Hij begon iets sneller te lopen en zijn hand gleed naar zijn zij; een klein pistool verborg zich in zijn broeksband. Zijn vingers gleden eroverheen. De man had hem gezien en liep nu ook sneller, maar dan achterdochtig. Neil wist hoe hij eruitzag; gespierd, maar een tikje ondervoed, een vermoeid maar niet onaantrekkelijk gelaat en versleten, vlekkerige kleding. Niet iemand die je na tienen graag tegenkwam. Of ervoor, als het erop aankwam. Want hoewel Neil eerder 's avonds toesloeg, had hij niet altijd een keus en een kansen deden zich op de gekste momenten ooit.
Het was op het moment dat ze nog geen vijf meter van elkaar verwijderd waren, elkaar recht in de ogen keken en Neil net het wapen wilde trekken, toen er uit een smal zijstraatje een donkere figuur opdook. In een flits trok Neil het wapen, maar voor hij ook maar de veiligheidspal eraf kon doen, was hij al op zijn rug tegen de vieze, natte straatstenen gepind. De stank van urine drong zijn neus binnen en hij kokhalsde. Hij worstelde om los te komen en hoorde naast zich nog een klap. Afgeleid keek hij op zij; een tweede vreemdeling had de rijke man tegen de grond geslegen. Neil was direct weer bij de tijd en vocht wanhopig om los te komen, amper merkend dat zijn wapen uit zijn hand geslagen werd.

Trés bien. Niets meer en niets minder.

Thanks :relieved:

------------------------

Zijn belager droeg een bivakmuts en ogen waren amper te onderscheiden. Een in een leren handschoen gehulde hand haalde uit en trof Neil in zijn gezicht. Zwarte vlekken belemmerden zijn zicht en hij voelde dat hij ruw overeind werd getrokken. Zijn armen werden snel en handig op zijn rug gedraaide en hij vloekte toen een stekende pijn door zijn schouders ging.
Achter hem werd gerommeld. Langzaam werd Neil helderder en in een opwelling wierp hij zich voorover, zijn overvallers verrassend. Hij sloeg opnieuw tegen de harde grond en stinkend water spatte alle kanten op. Hij rolde op en sprong overeind.
Een knal. Hij wankelde. Even voelde hij niets en tolde hij slechts op zijn benen. Toen begon de pijn en greep hij geschrokken naar zijn bovenarm. Hij vloekte en keek. Een diepe schotwond had zijn rechterarm onbruikbaar gemaakt. Hij kreunde en zocht met zijn goede schouder steun tegen de muur terwijl hij wanhopig probeerde het hevige bloeden te stelpen.
Een van de twee vreemdelingen kwam naar hem toe en greep zijn arm. Inmiddels had het snelle bloedverlies als gevolg dat Neil de kracht niet meer had om zich te verzetten. Er werd een naald in zijn arm gestoken en een helderblauwe vloeistof werd in zijn lichaam ge-injecteerd. Zijn ogen werden groot en hij hapte naar adem. Hij wist dat de scheikunde ver was, dat de wetenschap inmiddels haast wonderen kon verrichten , maar toen hij het bloeden tot een halt zag komen wist hij desondanks niet wat hij zag.
Trillend, lijkbleek en duizelig keek hij op. Opnieuw werden zijn armen op zijn rug gedraaid en bekaf strompelde hij mee, zich amper beseffend wat er gebeurde en al lang blij dat hij nog leefde en nog op zijn benen kon staan.

Hij wist niet hoeveel smalle straatjes ze hadden doorkruist toen de uitputting hem de baas begon te worden, toen hij door zijn knieen ging. Wat hij wel wist, dat hij, toen hij bijkwam, zwaar in de problemen zat. Hij lag op een bed, een matras eerder, in een donkere ruimte die slechts door een klein lampje aan het plafond verlicht werd. Neil kreunde en werkte zich iets op. De pijn in zijn arm was vreselijk. Hij vloekte zachtjes.
Langzaam begonnen zijn ogen te wennen aan het donker. Waar hij ook was, het was oud; de nog uit bakstenen opgetrokken wanden waren smerig en het metselwerk was op veel plekken een beetje afgebrokkeld.
Maar dat alles was niet hetgene wat hem zijn adem deed inhouden en hem zowaar iets van… pure angst deed voelen. Het waren de kasten. De kamer waar hij in lag had aan de overige drie wanden kasten staan. Oude, metalen kasten. Een had een glazen vitrine, daarin lagen metalen protheses, duidelijk goedkope types. De andere kasten hadden smalle, metalen planken waarop allerlei middeltjes, instrumenten en onbekende voorwerpen stonden. Neil’s ogen werden groot. Waar was hij?! Hij had wel eens gehoord over illegale testen, onder de stad, in geheime ruimtes in de nissen van het enorme, doolhofachtige rioolstelsel. Was dat…?
Hij wenste vurig dat hij helderder in zijn hoofd was, dat hij niet was flauw gevallen; dat hij had kunnen zien waar hij heen was gebracht. Opnieuw rolde er een vloek over zijn lippen. Neil was nooit beschaafd geweest. Zeker niet in nare situaties.
Hij werkte zich moeizaam overeind. Het spaarzame licht toonde een niet al te fris maar professioneel aangebracht verband rond zijn arm die, merkte Neil tot zijn afgrijzen, amper bruikbaar was. En dan de pijn. Hij wilde die arm niet eens gebruiken. Toch zat het hem niet lekker.
Wankel stond hij op, en langzaam stapte hij van het matras weg, naar de kast met de glazen vitrines. Vlak voor het glas bleef hij staan. Metalen protheses waren populair door de mogelijkheden die ze boden, en ze waren goedkoop in productie; de prijs werd vooral bepaald door het materiaal en wat het ding kon. Deze exemplaren leken geen van allen erg chique of degelijk. Er zaten twee armen tussen, een been en een voet. De laatste was uitgesproken roestig, maar de rest leek nog wel in redelijk goede staat.
Een deur die Neil tot nog toe niet had gezien ging open en een kleine, mollige vrouw kwam binnen. Neil opende zijn mond om iets te zeggen maar ze hief kordaat haar hand op.
“Kom met me mee,” zei ze slechts. Neil nam haar schattend op. Hoewel hij onzeker was hier en geen idee had waar hij was, ontlokte haar houding toch datgene wat veel mensen aan hem haatten; tegendraadsheid. En een neiging tot provoceren.

“En als ik dat niet doe?” vroeg hij, met een uitdagende glimlach, de pijn in zijn arm zo goed mogelijk negerend. De kaakspieren van de vrouw verstrakten, maar toen knipte ze met haar vingers, met nog steeds dezelfde kalme gelaatsuitdrukking als waarmee ze binnen was gekomen. Toen stapte ze opzij en twee mannen, beiden in lange, witte jassen, kwamen binnen. Neil stapte onbewust achteruit.
Veel in te brengen had hij in zijn huidige toestand echter niet. Een moment lang, terwijl hij onder dwang werd meegevoerd, vroeg hij zich af waar de man was die hij bijna een hoop geld afhandig had gemaakt. Hij nam zich voor het te vragen, maar vergat dit bij het zien van de ruimte waar ze aankwamen. Meer kasten, meer onduidelijke substanties, meer metaal en een doordringende, onaangename zurige lucht. Neil voelde zijn maag protesteren.
“He!” riep hij, niet bepaald gelukkig met waar dit heen leek te gaan. Hij werd op een bed gelegd en zowel zijn polsen als zijn enkels werden in leren riemen vastgemaakt. Zijn ademhaling ging jachtig en nu was de angst onmiskenbaar. Neil was niet iemand die dat graag toegaf, maar hij kon er nu met geen mogelijkheid omheen.
“Wat de… wat de hel gaan jullie met me doen?” tot zijn ergernis sloeg zijn stem iets over. Een van de mannen in witte jassen stopte even met waar hij mee bezig was en draaide zich langzaam om, zijn gelaatsuitdrukking haast verveeld; geen greintje mededogen.
“Testen. Die arm van je was anders toch niet meer te redden, dus daar spuiten we het een en ander in.”
Neil gooide er van alles uit; ieder scheldwoord zo ongeveer dat de jongen kende, en dat waren er veel. De man echter, was niet onder de indruk.
“Je mag kiezen of je dit verdoofd wilt ondergaan of niet. Wil je een verdoving?”
Neil dacht razendsnel na. Waarschijnlijk ging hij hier spijt van krijgen, maar hij wilde niet KO zijn terwijl ze van alles met zijn lijf zouden doen waar hij geen weet van had.
“Nee,” zei hij uiteindelijk, vastberadener dan hij zich voelde. “Je houdt je fucking verdoving maar.”
“Ok. Dan kom ik nu met de eerste injectie.”
Neil keek gespannen toe terwijl de man een moment lang de ader zocht, om vervolgens een lange, dunne naald door zijn huid te prikken. Hij voelde het amper, maar het gebrek aan pijn van de injectie werd ruimschoots gecompenseerd door de aanblik van een donkerbruine vloeistof die langzaam zijn arm ingedrukt werd. Het stak iets, maar niets extreems, al kon dat ook komen omdat zijn arm toch al verdomd zeer deed. Neil wist niet eens of hij het wel wilde weten.
De naald werd uit zijn arm gehaald. Gespannen wachtte hij af, maar aanvankelijk gebeurde er niets. Daardoor dwaalde zijn blik af naar de drie mensen in de kamer, ieder met een vergelijkbare uitdrukking van verwachting en spanning op hun gezichten. Neil besefte zich dat dit voor hen ook maar routine was; de zoveelste test op het zoveelste straatschoffie waar niemand naar om keek. Dat maakte alles alleen maar beangstigender; Neil had altijd volgehouden dat hij niemand nodig had en hoewel die mening nu op zich niet echt veranderde, realiseerde hij zich wel dat hij honderd procent aan deze mensen en hun waarschijnlijk niet bestaande genade over was geleverd.
Terwijl hij naar ze keek echter, veranderden hun uitdrukkingen en direct ging Neil’s blik naar zijn biceps, waar hij een aparte tinteling voelde. Hij schrok, slaakte een kreet en rukte verwoed aan de leren riemen; onder zijn huid bubbelde het. Letterlijk. Trage, dikke bellen ontstonden en verdwenen weer, een raar gevoel meebrengend. Verbijsterend genoeg deed het geen pijn.
“Vreemd, zou het aan zijn bloedgroep kunnen liggen?” ving hij op, maar hij was te zeer geschrokken door wat hij in zijn eigen lijf zag gebeuren om erop in te gaan. Zweetdruppeltjes parelden van zijn gezicht en zijn adem ging sneller dan ooit.
Het begon zich door de hele arm te verspreiden en werd heviger. Het gevoel dat erbij hoorde was… walgelijk; hij kon letterlijk voelen hoe er iets bubbelde onder zijn huid. Hij voelde zich misselijk en was bang dat hij ieder moment over zichzelf heen kon kotsen.
“Wat gebeurd er?” wist hij uiteindelijk uit te brengen, zijn stem schor en zwak. Zijn donkerblauwe ogen flitsten van de chaos onder zijn huid naar de mensen die hem dit aan hadden gedaan en hij had het gevoel dat hij een puinhoop was; bang, afhankelijk en onwetend.
Een pijnlijke steek ging door zijn hand en hij schrok opnieuw, een gevoel dat ditmaal met woede gepaard ging; van de ergste schrik bekomen was er nu plaats voor verontwaardiging.
“Laat het stoppen,” snauwde hij tussen opeengeklemde kaken door.
“Dat kan ik niet,” zei de man die hem de vloeistof in had gespoten, zonder erg veel interesse.
“Hoezo niet?” vroeg Neil scherp.
“We weten erg weinig van dit middel. Deze reactie hadden we ook niet echt verwacht. Interessant, dat dan weer wel.”

De vrouw mengde zich erin voor Neil opnieuw iets kon zeggen. “Je krijgt zo wel een pijnstiller als het te erg wordt,” zei ze kalm.
Dat bleek echter niet nodig; ondanks een aantal korte steken, deed het middel eigenlijk niets meer dan ranzig zijn, leek het. Half gerustgesteld bleef Neil volgen wat er onder zijn huid gebeurde.
Het was gek genoeg geruime tijd later, op een moment dat ze hem al een poosje alleen hadden gelaten, dat hij zich realiseerde dat het gevoel in zijn arm extreem was afgenomen. En dan terwijl hij niet de indruk had dat dit goedje als pijnstiller hoorde te dienen. Verontrust probeerde Neil zijn vingers te bewegen. Zonder succed. Hij vloekte. Tot aan de deltaspier in zijn schouder was zijn arm zo goed als verlamd. Het bubbelen was nagenoeg over en verslagen keek Neil naar zijn nu waardeloze ledemaat. Bleef het zo? Hij zuchtte diep, even niet goed meer wetend hoe hij het had. Hij merkte dat hij bekaf was en sloot zijn ogen even.
Wat zouden ze nog meer met hem doen? Bleef het bij zijn arm? Of kon hij meer verwachten dan dat? En die man, waar was die? Zou hij hier sterven? Hij was niet bang aangelegd, maar dood wilde hij gewoon nog niet. Absoluut niet. Hij opende zijn ogen weer en staarde naar het donkere plafond. Hij had weinig hoop dat hij hier levend uit zou komen, maar nam zich voor het sowieso te proberen; hij kon niet zomaar alle moed opgeven.
Na een poosje was het over, het bubbelen. Zijn huid was weer rustig. Alle kracht en gevoel waren echter nog steeds uit zijn arm verdwenen.
Neil begon onrustig te worden. Hij was dan ook zowaar opgelucht toen de deur weer open ging. Aanvankelijk in ieder geval. De man die binnenkwam, een tot nog toe onbekend individu, liet namelijk de deur openstaan en met dat Neil een blik op de achterliggende gang wierp, kwam er daar een brancard voorbij, met een man erop. Als Neil de kleding niet had herkent had hij het niet geweten. De rijke man van eerst had namelijk geen gezicht meer.
Sprakeloos keek Neil naar de man. Deze kwam stugger over dan de rest, norser.
“Is het uitgewerkt?” vroeg hij kortaf en hij knikte naar Neil’s arm. Deze knikte slechts kort. De man had met een dik, Russisch accent gesproken, in tegenstelling tot de anderen, van wie Neil alleen gewoon Engels had gehoord.
De man kwam naar hem toe en begon hem los te maken. Van dichtbij viel het Neil op dat hij een buitengewoon pokdalige huid had en hier en daar leek het alsof er een soort zuur of iets dergelijks op zijn huid terecht was gekomen. Neil hoopte dat de zijne niet hetzelfde lot te wachten stond.
“Probeer niets. Ik heb toestemming te doen wat nodig is als je iets doet.” De zin klonk alsof hij met tegenzin uitgesproken werd, alsof de man liever niet sprak en er zelfs een heel klein beetje moeite mee had.
Hij werd naar een kamer begeleid, een andere dan die waar hij vandaan kwam. Het was meer een soort grote zaal met matrassen. De muren hier waren anders; er zat een soort pleisterwerk op, al was dat hier en daar al zover kapot dat de bakstenen eronder alweer te zien waren.
Neil kreeg een matras toegewezen dat ooit wit was geweest. Om zijn enkel werd een ketting bevestigd.
“He!”
Een gebromde waarschuwing liet hem weten dat hij zich rustig moest houden. En dat deed hij; met een nutteloze arm was hij geen partij voor de man, die redelijk zwaar gebouwd was.
Hij keek hem na tot de deur van de zaal dichtging. Hij ging op het matras zitten en voelde aan zijn arm. Het gaf een naar gevoel, iets aanraken van jezelf wat je in de betreffende ledemaat niet voelde.
Neil sloot zijn ogen. Tot voorkort was zijn leven ruw geweest, niet zonder gevaar maar over het algemeen goed. En nu… nu zag het ernaar uit dat dit nog wel eens zijn laatste rustplaats kon worden.
Bevangen door een plotselinge geestdrift, begon Neil de ketting te onderzoeken. Roestig, maar alsnog veel te sterk en te dik om ook maar iets mee te proberen. Neil’s blik ging koortsachtig door de ruimte. Iets wat hij gebruiken kon? Wat dan ook? Niets. Hij schudde zijn hoofd, stond wankel op. Normaal was hij goed in presteren onder druk, maar normaal was er vaak ook een duidelijke uitweg in zijn ogen. Nu was de situatie uitzichtsloos.
Het duurde niet lang voor een inmiddels wanhopige Neil alles had onderzocht dat hij kon bereiken. Andere kettingen, matrassen, de wanden, de vloer. Nu zat hij weer op zijn eigen exemplaar. Wetend, dat hij de uitweg hier niet hoefde te zoeken. Hij vervloekte zijn eigen onoplettendheid die hem hier had gebracht.
Voetstappen. Met een ruk keek hij op, wat een vage hoofdpijn teweegbracht. De deur ging op en een meisje met halflang blond haar werd naar binnen gedragen, gevolgd door de rijke man, wiens gezicht volledig was verbonden, op de mond na. Hij was het vooral die Neil’s aandacht trok en hoe afschuwlijk het er ook uitzag, Neil kon zijn blik niet afwenden van de horror. Beiden werden vastgeketend. Het meisje was naast Neil geplaatst, de man tegenover haar.
De deur sloot weer en daar zat hij dan, met twee bewusteloze mensen in een ruimte.
Het meisje kwam als eerste bij. Neil hoorde haar zacht kreunen op het matras naast hem en hij keek op. Haar oogleden trilden. Ze had verfijnde gelaatstrekken maar zag er desondanks slecht uit omdat ze uitgesproken mager was. Ze opende haar ogen en ineens keek ze hem aan. Hij zag haar ogen groot worden; ze had dit duidelijk niet verwacht.
“Maak je geen zorgen, doe je niets,” bromde Neil onverschillig. Hij had geen tijd voor dit gedoe; hij ging zich niet als de lieve, zorgzame jongen opstellen. Verdomme, hij had wel wat beters te doen.
Het meisje ging langzaam rechtop zitten en greep naar haar hoofd. Neil zag dat er een pleister op haar pols zat. Ze peuterde er wat aan maar liet het ding toen met rust.
Neil keek weer voor zich uit, naar de man. Naast hem hoestte het meisje, en niet zo’n klein beetje ook. Beter was het niet aanstekelijk.
De man kwam heel wat minder snel bij. Neil begon zich af te vragen of hij eigenlijk nog wel wakker zou worden. Het viel hem na een poosje ook op dat het meisje buitengewoon veel en zwaar hoestte. Ze ondernam verder geen pogingen contact te maken.
Neil redeneerde dat een paar bondgenoten geen gek idee was, dus hij besloot haar aan te spreken.
“Gaat het?” vroeg hij. Hij had vaak weinig medelijden met mensen die hij niet kende en waarschijnlijk merkte ze dit want toen ze opkeek glimlachte ze slechts mat. Neil zag dat haar ogen dof stonden.
“Ja hoor, prima,” zei ze. Haar stem klonk wat hees en vooral zacht.
“Hoe heet je?”
“Roya. Jij?”
“Neil. Zit je hier al lang?” het boeide hem eigenlijk allemaal niet zo, maar what the heck, hij moest toch iets.
“Een paar maand.”
Hij slikte. Jezus, zo lang?
“Behandelen ze je hier een beetje ok?” Geen nutteloze informatie, dacht hij zo.
“Ligt eraan… Als je meewerkt en nuttig bent wel. Kleine Lucy was dat bijvoorbeeld niet. Op haar hebben ze iets getest waarvan ze zouden weten dat ze het niet zou overleven…” Roya’s stem stierf langzaam weg en Neil fronste verontrust.
“Kleine Lucy?” herhaalde hij sceptisch; het klonk als en rare nickname.
“Een ander meisje. Ze was negen.”
Neil viel stil. Dit had hij niet aan zien komen. Een kind van negen? Dat liet zelfs hem niet koud. Hij slikte.
“Jezus…” mompelde hij.
“Ik heb geprobeerd haar te redden maar…” Roya maakte haar zin niet af. Dat hoefde niet.
“Was ze… was ze snel weg?” Hij was wel benieuwd naar welke manier ze gebruikten om iemand te doden. Tot zijn afschuw schudde Roya haar hoofd.
“Twee weken. Ze heeft bijna non-stop gehuild.” Roya slikte en het leek even alsof ze zelf zou gaan huilen, maar toen veranderde er iets in haar houding en glimlachte ze weer.
“Maar ik zal je niet teveel horrorverhalen vertellen, het is al erg genoeg dat je hier zit,” zei ze en ze trok haar knieeen op. Neil trok zijn wenkbrauwen op. Snelle verandering in houding, dacht hij argwanend.
Er viel een stilte.
“Denk je eh… dat je hieruit zou kunnen komen?” Nog voor hij zijn zin af had gemaakt schudde Roya haar hoofd.
Er werd op de deur gebonsd.
“Bedtijd, iedereen stil!” klonk het bars in een Russisch accent. Roya ging op haar zij liggen, met haar rug naar Neil toe. Door haar versleten hemdje heen kon hij haar ruggengraat zien uitsteken. Zou hij uiteindelijk ook zo uitgemergeld zijn of lag het aan wat ze haar inspoten?
“Welterusten,” hoorde hij haar mompelen.
“Trusten,” bromde hij met tegenzin.
Hij ging ook maar liggen, op zijn rug, en vouwde zijn goede arm achter zijn hoofd. Hij had niet het idee dat ze erg nuttig zou zijn bij een ontsnapping, maar hij had nu in ieder geval aanspraak. God, wat verlangde hij nu naar drank en een sigaret; gewoon om zijn zenuwen tot rust te brengen en alles even lekker te vergeten. Gewoon even losgaan, stomme dingen doen… Maar hij kon het wel vergeten; hier zou hij geen drank krijgen. Nooit een keer. Neil mompelde een kleine verwensing. Alcohol was zonder meer zeer frequent in zijn leven en het feit dat hij hier waarschijnlijk honderd procent nuchter zou zijn stond hem niet aan.

Hoofdstuk 2 - Lijf en leden

Hij was uiteindelijk in slaap gevallen, doodop van alle gebeurtenissen en al het gepieker. Het was een onrustige slaap geweest waaruit hij nu werd gewekt door een klap op de deur, die vervolgens dichtsloeg. Hij kreunde en knipperde een paar keer met zijn ogen, om vervolgens traag overeind te komen. Alles kwam weer terug. Samen met een flinke koppijn.
“Godverdomme…” gromde Neil. Hij keek rond. Roya sliep nog, maar er waren de afgelopen nacht nog twee mensen bijgekomen; een meisje dat zonder omhaal hautain te noemen was met lang, golvend blond haar, een afgetraind lijf en een blik die waarschijnlijk nog dodelijker kon zijn dan de injecties hier en een jongen van een jaar of negentien met vettig, half lang zwartgeverfd haar. Aan de uitgroei te zien zat die hier ook al een tijdje. Hij maakte kort oogcontact met Neil en keek toen weer weg, waardoor deze laatste al niet echt veel respect voor de knul voelde; als je zo nerveus was redde je het nooit. De jongen had een pleister in zijn hals. Het viel Neil op dat hij een leeg bord voor zich had staan. Ontbijt? Neil zag nu pas dat voor zijn matras een bord met een soort pasta van broodhompen en iets grijs stond. Waarschijnlijk ook een of ander experiment. Hij begon met tegenzin te eten maar was verrast door de smaak die eigenlijk nog wel meeviel. Veel smaak zat er niet aan, maar Neil had niet verwacht dat het op zich nog wel te eten was.
Niet veel later zette hij het lege bord weg en ging hij weer op zijn rug liggen, verlangend naar een sigaret.
“Nieuwe.” Het was het meisje. Neil richtte zijn hoofd op en keek haar met een opgetrokken wenkbrauw aan. Ging ze ruzie zoeken?
“Alona.”
“Neil.”
Het was even stil.
“Scott,” klonk het toen, vrij zacht, vanaf de plaats van de jongen. Neil zuchtte licht. Hoe had die in godsnaam deze stad tot op deze leeftijd overleefd?
“Hey, emokid, vertel eens, wat deed je voor je hier kwam?” vroeg hij verveeld. Hij was niet vriendelijk, dat was waar, maar hij was hier ook niet om vrienden te maken. Hij wilde hier weg en zat zijn tijd uit.
“Werkte in een supermarkt.” Hij ging niet eens tegen ‘emokid’ in…
“Die wel eens overvallen?”
“Ja…”
“Dus je bent wel eens onder schot gehouden?”
“Ja, maar dat was niet toen; werkte die dag niet.”
Scotts toon was timide, zacht; hij leek liever niet met Neil te willen praten. Deze vond het eigenlijk wel grappig, de schuwe alternatieve jongen uithoren.
“Wanneer ben je dan onder schot gehouden?”
“Twee week terug…”
“Kunnen jullie twee je bek even houden?” Alona.
“Sorry gorgeous,” grinnikte Neil. “Ik zal niet weer proberen een beetje sfeer te maken.”
Nu bemoeide Roya, vermoedelijk wakker geworden van de woordenwisseling, zich er ook mee.
“Neil, ik denk niet dat Scott je manier van sfeer maken erg fijn vind,” zei ze op een vriendelijke, maar besliste toon en Neil keek haar aan. Ze straalde geen enkele agressie uit en meende ieder woord dat ze zij. Heilig boontje, dacht Neil. Hij was gewend een beetje met mensen te dollen als hij zich verveelde, maar dat viel hier blijkbaar verkeerd.
“Wat deed jij dan voor je hier kwam?” vroeg hij haar met een kleine grijns. Hoewel de anderen het wellicht niet merkten, vond hij het ergens prettig wat tegen ze aan te lullen; het hielp zijn geest weg te blijven bij de gedachten aan de experimenten.
“Ik hielp in een weeshuis,” antwoordde Roya en ze schonk hem een kleine glimlach die aangaf dat ze zonder meer doorhad dat hij haar opmerking genegeerd had. Hij grijnsde een tikkeltje uitdagend terug. Ze zuchtte lichtjes.
“Wat deed jij eigenlijk?” vroeg Alona op een scherpe maar ietwat onverschillige toon en Neil grinnikte. Die had hij kunnen zien aankomen.
“Wat ik maar moest doen om aan geld te komen,” antwoordde hij luchtig.