[Verhaal] Donna Bell.

Hallo!

Ik ben al een tijdje bezig met een verhaal genaamd ‘Donna Bell.’

Het gaat over een meisje, Donnaleah Bell (Donna) die op een dag een mysterieus meisje ontmoet genaamd Mathilde Carter, maar iedereen noemt haar Carter.
Carter heeft een vreemde persoonlijkheid… alsof het niet menselijk is.
En als Donna ontdekt wat Carter is, gebeurt er een groot avontuur tussen leven en dood.

Eerste stuk:

Ik zat er altijd aan te denken of ik ooit een echte vriendin zou hebben. Een vriendin waar je bij kon uithuilen, waar je jezelf kon zijn en tegen wie je alles kon vertellen.
Het vreemde is, ik heb er nooit één gehad. Boeken waren mijn vrienden, ik kon niet zonder witte vellen papieren en ik kon nooit zonder mijn kleurpotloden. Ik vind het heerlijk om te tekenen of te lezen. Het maakt dat er een puzzelstukje past in mijn verwarrende leven.
Als ik rechtop ga zitten in mijn bed bedenk ik het me goed – het is zomervakantie. 8 weken helemaal niets doen. Ik had daar geen hekel aan, aan niets doen. Ik deed mijn eigen dingetjes en ik was er dol op om alleen te zijn, hoewel ik ook wel een vriendin wilde.
Ik sta op en kijk naar buiten, de lucht ziet er kil uit, maar het zonnetje schijnt door de waterige wolken. Vlug loop ik naar mijn kleerkast toe en trek hem open. Ik haal er een donkerblauw hemdje uit en een grijze spijkerbroek. Ik trek ze aan. Terwijl ik een beetje zit te neuriën loop ik terug naar mijn bed toe en maak mijn bed op. Mijn dekbedovertrek is donkerblauw, met rode sterren erop.
Als ik klaar ben begin ik het koud te krijgen, dus vis ik nog snel een grijs vestje uit mijn kast, dan ren ik naar beneden.
Mijn vader heet John. Hij is een journalist en dol op sport. Mijn vader was een lieve man, en dacht over veel dingen na. Hij zat aan de keukentafel een krantje te lezen.
‘Hai pap.’
Mijn vader kijkt op. ‘Hai Don. Lekker geslapen?’
Ik loop naar de keuken toe en zet thee. ‘Ja hoor.’
‘Ga je mee doen aan die musical?’ Vraagt hij.
Mijn vader is nooit goed geweest in conversaties beginnen, laat staan wat je tegen een kind moet zeggen. Hij was ook een beetje overbeschermend.
Ik draai me om naar hem. ‘Nee pap. Ik kan niet acteren. Ik wil het niet.’
Ik draai me weer om en de thee is klaar, ik pak twee kopjes en schenk de thee in, ik geef een kopje aan hem. ‘Dankje.’ Zegt hij.
Ik ga tegenover hem zitten en neem een slokje van mijn thee. Hij is heet en ik verbrand mijn tong, tranen springen in mijn ogen.
John kijkt op. ‘Wat is er, Don?’
Ik houd mijn handen voor mijn mond, alsof het helpt de pijn te kalmeren. ‘Verbrande tong.’ Zeg ik door mijn handen heen.
‘Moet ik ijs voor je halen? Ik…’
‘Nee, nee pap. Dat hoeft niet. Dankje, het gaat wel over.’
Hij knikt en kijkt me aan, dan slikt hij even en gaat weer door met lezen.
‘Nog iets gebeurt in Lockwood?’ Vraag ik.

----------------------------------------------------------

Moet ik verder schrijven of niet? En heeft iemand tips? Laat in ieder geval een reactie achter!

xx

niemand? :frowning_face:

-----------------------------------------------------

Mijn vader kijkt niet op van zijn krant. ‘Nee, niet echt. Er is alleen een wolf geconstateerd in het bos.’
Ik knik geïnteresseerd . ‘Een echte wilde wolf?’
‘Ja. Maar ze doen er niet echt iets aan. Ze proberen hem niet op te pakken. Mensen van de dierentuin zeggen dat het waarschijnlijk een wolf is die verdwaald is van zijn roedel, en dat hij wel weer de weg terug vindt…’
‘Hmm.’ Mompel ik terwijl ik mijn laatste slok thee opdrink die al wat is afgekoeld.
Ik zet mijn kopje weer neer en het is voor een lange tijd stil.
‘Mag ik naar de winkelstraat?’
Mijn vader kijkt op. ‘Waarom?’
Ik verschuif mijn positie op de stoel. ‘Gewoon rondkijken enzo. Misschien zie ik wel…vrienden’ - ik slik even, - ‘van me ofzo…’
Hij zegt niets. ‘Ik ben nog op internet aan het kijken naar een kleine pistool voor je, als er iets gebeurd ofzo…’
Ik schud geïrriteerd mijn hoofd, pak mijn tas, doe mijn jas aan, en loop de deur uit.
Buiten spring ik op mijn fiets.
Een pistool. Hoe komt hij erop. Ik heb al twee flinke messen mee, denk ik.
Na ongeveer 10 minuten fietsen stap ik van mijn fiets af en kijk eens rond. De winkelstraat was altijd gezellig.
Ik begin te lopen en mensen doen boodschappen of zitten naar kleren te kijken.
Ik kom aan bij de snoepwinkel en loop naar binnen. Overal zijn kleuren en overal is snoep. Ik kijk rond en kies een lolly.
’Dat word dan 50 cent. Nog iets anders?’ Vraagt de kassaman.
Ik schud mijn hoofd. ‘Nee dankje.’
‘Oké.’ Hij handt me de lolly en ik geef hem 50 cent.
‘Tot ziens!’
‘Dag.’ Zeg ik en ik loop de deur uit.
Ik loop verder en lik zorgvuldig aan mijn lolly.
Een meisje staat achter me met zwart haar en groene ogen. Het lijkt alsof ze me heel zorgvuldig bekijkt.
Plotseling gebeurt er iets met me. Het lijkt alsof een stofzuiger mijn hersenen uit mijn hoofd zuigen. Ik blijf staan en klem mijn handen tegen mijn slaap.
‘Au!!’ Schreeuw ik en zak op mijn knieën. Hoe kan dit gebeuren? Het voelt alsof iemand mijn hersenen vastpakt en uit mijn hoofd probeert te trekken. Het lijkt alsof ik geen hersenen meer héb!
‘Aaau! Stop!!’ Schreeuw ik, terwijl de scherpe pijn door mijn hoofd zwermt.
Plots stopt het, en de pijn glijdt weg. Ik kijk naar boven en daar staat een jongen uit mijn klas, Sebastiaan.
‘Donna, wat is er met je gebeurd!?’ Vraagt hij.
‘Ik ben… gevallen.’ Lieg ik.
Hij wilt bijna neerknielen om mijn wond te bekijken op mijn been – die ik niet eens heb – maar als hij het meisje achter mij ziet gaat hij weer rechtop staan. Verward kijkt hij van mij naar het meisje.
Ik blijf hem aankijken om te begrijpen waarom hij zo vreemd doet.
Zonder ook maar íets te zeggen loopt hij vlug weg, en ondertussen kijkt hij nog één keer achterom naar het meisje achter me.
Wat een eikel, denk ik. Wat een ongelooflijke eikel.
Ik kijk achter me om te begrijpen wat hij bedoelde, en dan zie ik dat het meisje woest naar de jongen kijkt.
En niet de goede manier van woest kijken, maar de slechte manier.

-------------------

Je schrijft leuk :slightly_smiling_face:

Het lijkt alsof ik op haar menu sta, alsof ze haar voedsel moet verdedigen, en dat ik niet op het menu mocht staan bij Sebastiaan - hoewel dat over het algemeen verstorend klinkt.
Dan loopt het meisje langs me en terwijl ze verder loopt kijkt ze achterom.
Ik sta op en klop de viezigheid van mijn broek. Terwijl ik mijn tas oppak loop ik naar de muur toe van de snoepwinkel en kom nog even bij. Wat wás dat? Wat was dat gevoel in mijn hoofd? Denk ik. En waarom deed dat meisje zo raar, en waarom deed Sebastiaan zo raar?
Mijn lolly ligt op de grond, die kan ik niet meer eten.
Uit mijn humeur en verward loop ik terug naar mijn fiets.
‘Dat voelde vreemd, hé.’ Zegt iemand. Ik draai me met een ruk om en daar staat het meisje vandaar net. Haar blauw-zwarte haar ziet er wild uit. In haar hand heeft ze een gloednieuwe lolly verpakt in plastic.
Ik antwoord niet. Hoe kan ze die lolly hebben gekocht? Ik stond bij de deur van de snoepwinkel en ik zag haar niet naar binnen lopen.
Ze loopt naar me toe en geeft me de lolly. Haar ogen zien er angstaanjagend uit, en ik richt me snel op de lolly.
‘B-bedankt.’ Fluister ik, terwijl ik mijn lolly in mijn tas stop.
Maar als ik me weer omdraai, is ze al weggelopen, haar haar wappert wild in de wind en met gebogen hoofd loopt ze de hoek om, alsof ze alles heel gewoon vind wat net is gebeurd.
Ik stap op mijn fiets en fiets weg.

Mensen zeggen dat de ogen van sommige personen kunnen glimlachen.
Dat je kunt zien dat hun ogen lachen van blijdschap. Maar hoe doe je dat?
Als kind vond ik dit over het algemeen ontzettend vreemd. Ik probeerde mijn ogen te laten glimlachen, maar ik wist niet hoe.
Moest ik de zijkanten van mijn ogen omhoog krullen? Dat doe je bij lachen toch ook, dan krul je je mondhoeken omhoog?
Ik dacht hier vaak over na als kind, uren probeerde ik het uit voor de spiegel.
Mensen zeiden dat ik een bijzonder kind was, als ik daarover vroeg wanneer mijn familie op bezoek kwam en we thee dronken. Maar ze antwoordde nooit mijn vragen.
Misschien dat ik daarom geen vriendinnen heb, omdat ik bijzonder ben. Omdat ik anders ben. Misschien denk ik teveel na over dingen, terwijl dat juist niet hoeft als je een meisje bent, dat je alleen moet nadenken over kleren en jongens.
Kleren konden mij niks schelen. Hoewel ik toch ging winkelen om ze uit te zoeken. Ik hield van gewone kleding. Hoewel gewoon zijn eigenlijk niet bestaat omdat iedereen anders is, dus kan er geen gewoon bestaan.
En nu begin ik weer een heel verhaal van lachende ogen, tot theekransjes met familie, tot bijzondere kinderen, tot kleren, tot gewoon zijn.
Laten we maar terug gaan over het originele onderwerp; ik geloof niet meer in lachende ogen. Punt uit.
Ik sta op uit bed en wil niet meer nadenken over gisteren.
Ik loop naar de badkamer toe en kleed me snel uit, dan doe ik de douche aan en als hij even later heet is, spring ik erin.
Het water is ontzettend heet, maar dat vind ik lekker, en de stoom glijdt in mijn neus. Er zitten al stoppels op mijn benen, maar scheren doe ik wel een andere keer.
Als ik zó heet word dat mijn zweet mengt met het hete water zet ik de douche uit en stap uit, om vervolgens een handdoek om me heen te wikkelen.

------------------------------------------------------------------

verder?

niemand? :cry:

GAA DOORRR!! :grinning:
Zogoed? ;p
xx

yaaay! :'D

------------------------------------------------------

Ik bekijk mezelf even in de spiegel, maar loop dan de badkamer uit naar mijn kamer, en draai de deur op slot.
Ik haal een zwarte joggingbroek, een groen-blauw hemdje en een donkergroen vestje tevoorschijn. Ik laat mijn handdoek vallen en trek me snel aan.
Als ik me heb aangekleed kijk ik eens rond in mijn kamer, en besluit een gedicht te schrijven. Ik ben dol op dichten, van mijn oma heb ik een boek gekregen vol met gedichten, maar die is – tot mijn eigen nachtmerrie – in de modder gevallen toen ik hem zat te lezen in het bos. Ik had er dagen over gehuild, want het vuil was er al ingetrokken.
Toch heb ik hem nog, en sommige pagina’s zijn nog heel gebleven.
Ik pak mijn potlood en een velletje papier, terwijl ik nadenk waarover ik zal schrijven. Buiten miezert het, en ik besluit om te gaan schrijven over de regen, waar ik – tot mijn eigen verbazing – van houd.

[i]Het glijdt langs haar wangen
Het tikt tegen het raam
Ik ren naar buiten
In
De regen
Mijn haar is nat
En de regen smaakt zuur…

Het regent hard en snel
Het schuurt tegen mijn huid.
Het kietelt mijn tenen,
Terwijl mijn voeten in de modder zakken.
En terwijl ik zit te rennen
Zit ik te denken
Over
De regen.[/i]

Ik vind het niks, maar plak het toch in een schrift dat ik heb gekocht waar ik al mijn gedichten in plak.
Ik zucht en loop dan mijn kamer uit naar beneden. Mijn vader zit waarschijnlijk nog te slapen, want hij zit niet zoals gewoonlijk aan de tafel zijn allerliefste krant te lezen.
Ik heb zin om naar het bos te gaan. Dus ik trek mijn jas aan en loop naar buiten.
Het voelt buiten ijzig, hoewel ik niet weet of je ijzigheid in de lucht kunt voelen. Ik verzin vaak woorden, zoals het woord excitenheid, omdat excited opgewonden betekend in het Engels. Dus had ik dat woord gemengd met het Nederlands. Opgewondenheid, of excitenheid. Mijn vader moest hard lachen toen ik er uit het niets op kwam.
Als ik aankom op de stoep ga ik naar rechts, ik loop de straat uit, ga naar links, dan weer naar links tot ik in het bos ben.
In de bossen is het doodstil. Zo stil dat ik eventjes blijf staan om ernaar te luisteren. Het lijkt alsof de wereld zijn adem inhoudt.
Dan loop ik weer door en kijk om me heen. Waar zouden alle vogels zich verstoppen? Zouden ze in de hollen van de bomen liggen te slapen? En slapen vogels eigenlijk wel? Slapen ze met ogen open of ogen dicht?
Ik schud even heel hard met mijn hoofd tot ik koppijn kreeg. Niet zoveel vragen stellen aan mezelf als ik ze niet eens weet, denk ik.
Hier loop ik dan, het is nog redelijk vroeg, maar het is zondag, dus mensen slapen uit – behalve ik.

-------------------------------------------

reacties welkom!!!

Super!
Verder alsjeblieft :slightly_smiling_face:

danke danke. :angel:

--------------------------------------------

Het is vreemd, doordeweeks verslaap ik me meestal, of heb ik veel meer moeite om op te staan. Maar in het weekend sta ik juist veel vroeger op dan normaal, en ben ik meteen klaarwakker. Het lijkt alsof ik de enige ben die anders is, dat iedereen uitslaapt tot 10 uur, behalve ik, de vroege vogel.
Plotseling hoor ik een struik heen en weer schudden, maar het bos is zo dik, en er staan zoveel bomen dat ik niets zie.
Niet bang, maar verward loop ik door en begin een melodietje te neuriën. Ik weet niet welk melodietje. Ik verzin maar wat.
Als ik naar de grond kijk zie ik dat er een grote modderpoel is, en zorgvuldig stap ik in elk stukje modder die er is. Ik ben dol op modder. Het is sponzig en je kan er lekker in kneden en het is vies. Als kind was ik vaak vies. Wormen nam ik mee naar binnen, ik maakte aardetaarten in de keuken en ik liet kleine muisjes zien aan mijn vader, die dan woedend werd en me naar buiten stuurde. En dan ging ik buiten kleine huisjes van takjes maken voor de muisjes, en ik maakte bedden van stukken wol uit een kussen die ik mee gesmokkeld had naar buiten.
Als ik plots weer bij de wereld ben, en ik heimwee begin te krijgen naar vroeger, rent er opeens iets voorbij, een dier met een staart en puntige oren en een dikke vacht.
Tijdens het rennen draait ie zijn hoofd om en kijkt mij aan. Groene ogen doorboren mij, maar als ik me wil laten verdrinken in die prachtige ogen verdwijnt hij al in de bossen.
Gefascineerd kijk ik nog steeds naar de plek waar hij wegrende in het bos, en ik glimlach. Dat was nog eens een avontuur.
Ik heb nog nooit een wolf gezien. Zelfs niet in de dierentuin, omdat ik die haatte. Beesten gevangen houden in een leefgebied met een omtrek van vier bij vier meter.
Maar even terug op het onderwerp. Hoe kon die wolf hier terecht zijn gekomen?
Hij was zo prachtig, met die mooie zachte vacht, die dikke staart, die lieve pikzwarte neus en die mooie ogen…
Verdronken in de fantasie draai ik me om en begin terug te lopen. Ik ben ook een beetje geschokt om een echte wilde wolf te zien. Zou hij misschien de wolf zijn die al eerder hier in Lockwood voorkomt? En waar mijn vader over vertelde?
Ik wilde bijna mijn mobiel uit mijn zak halen om de gemeente te bellen, maar ik kras dat idee snel uit; wolven zijn wild, die horen niet in dierentuinen.
Als ik al snel aankom bij de straat, neem ik de route terug en even later sta ik binnen, en mijn vader zit zoals altijd weer zijn krantje te lezen, hij heeft koffie voor zichzelf gezet en voor mij staat er een kopje thee klaar.
Ik bekijk hem terwijl ik mijn jas over de kapstok doe.
Hij kijkt op. ‘Hai Don. Ik vroeg me al af waar je was.’
Ik loop naar hem toe en ga aan de oude, vertrouwde tafel zitten. ‘Ik nam een wandeling in het bos.’ Leg ik uit.
Abrupt zet hij het kopje koffie neer op de tafel, een beetje te hard want er klotst koffie over de rand.
‘Je mag niet in het bos, Donna. Er zijn wolven.’
‘Echt niet! Maar één wolf!’ Antwoord ik verdedigend. Wat maakte mij zo dat ik wolven opeens ging verdedigen?
‘Ik wil niet dat jij aangevallen word, Donna. Ik ga jou niet verliezen door één of ander vies beest.’ Zegt hij.
Het voelt alsof hij een harde zak vol met zand naar mijn borstkas gooit. ‘Hoe dúrf je zo te praten, pap. En ik heb hem niet eens gezién! Dus waar heb je het over!’ Lieg ik.
Hij haalt zijn schouders op, en ik ben ontzettend woedend.

--------------------------------------------------------------------------------

O ja meiden, bij de meeste verhalen hier gebeurt het ‘avontuur’ al na een paar alinea’s, maar bij mij duurt het ietsje langer, als sommige dat irritant vinden. :slightly_smiling_face:

joepie! al 3 reactie’s. :stuck_out_tongue: =D

--------------------------------------------------------------------------------

Ik loop naar de kapstok en doe mijn jas weer aan, mijn vader kijkt op, hulpeloos en vol met schuld, maar ik doe de deur open en trek hem hard dicht, om het drama nog wat groter te maken.
Met mijn handen in mijn zakken loop ik de stoep op naar links, een paar meter verder staat er een bankje, en er zit een bekend persoon op; het meisje met het zwarte haar en de groene ogen.
Twijfelend ga ik naast haar zitten en kijk recht vooruit.
Ze draait zich om naar de andere kant, weg van mij. Ik kijk even wat ze doet en kijk dan weer naar voren.
Er valt een pijnlijke stilte.
‘Is er iets?’ Vraag ik.
‘Waarom zou er iets moeten zijn met mij?’ Vraagt ze op een dreigende toon waar ik een beetje bang van word.
‘Waarom schuif je nu van me weg? En waarom hielp je me niet toen ik vreselijke pijn had? En waarom deed je zo stom tegen Sebastiaan? En waarom gaf je me een lolly?’
Mijn hoofd tolde van al mijn vragen. Volgens mij had ik nog nooit zoveel gezegd in één adem.
‘Geen vragen stellen, Donna. Je krijgt er toch antwoord op.’
Ik zeg, ‘Ga je geen ene vraag beantwoorden?’
‘Ik beloof het.’
Een beetje beledigd omdat ze zo kortaf is, vraag ik waar ze woont.
‘Naast de buren.’
Ik spring op. ‘Aaargh! Waarom doe je zo kortaf! Hou daar is mee op!! Waarom doe je zo stom?! Doe eens normaal en wees eens aardig! Ik heb ook gevoelens, ja! Ik heb ook een leven!! Ik ben een mens, weet je dat?! En je kunt heus wel een paar vragen beantwoorden! Godsanne, zeg!!’
Het gezicht van het meisje zegt niets, maar haar ogen zien er ontzettend boos uit, maar hulpeloos tegelijk. Ik slik even, en mijn keel brand door al het schreeuwen.
Het meisje kijkt naar voren. ‘Ik wil je geen pijn doen, Donna.’
Ik zucht. ‘Hoe weet je eigenlijk mijn naam?’
‘Ik ontdek dingen.’ En er krult een glimlach om haar mond, vast een persoonlijke grap.
‘Ik wil het weten.’ Zeg ik dan.
Ze kijkt me aan en schudt haar hoofd. ‘Dat kan ik niet. Ik wil je niet in gevaar brengen.’
Ik zeg, ‘Je ként me nauwelijks. Trouwens, ik weet jouw naam niet eens.’
Ze zucht. ‘Mathilde.’
Ik knik. ‘Ik… ben Donna, Donna Bell. Maar dat wist je allang al.’ Glimlach ik.
Ze kijkt nog steeds vooruit, en glimlacht niet terug. ‘Mathilde Carter. Maar de meeste noemen mij gewoon Carter.’
Ik knik.
‘Ik ga maar weer.’ Zeg ik en ik sta op.
Ze zegt niets terug.
Pijnlijk loop ik terug naar mijn huis en loop naar binnen, en ik vraag me af of we ruzie hebben nu.
Binnen hang ik mijn jas op.
Ik zie mijn vader nergens. Waarschijnlijk zit hij een stukje te schrijven in zijn werkkamer.
Ik loop de trap op, mijn kamer in. Ik plof op mijn bed neer, en mijn neus knalt tegen het matras aan, wat een beetje pijn doet.

-----------------------------------------------------------

REACTIE’S please! :slightly_smiling_face:

ALSJEBLIEFT moet ik verder gaan of niet??? :frowning_face:
als ik bijna geen reacties krijg kan ik beter gewoon stoppen… :cry:

@ GreenEyedGirl_: wel doen hoor!! anders word ik echt hopeloos. :stuck_out_tongue:

weer een stuk:

Die avond zit ik met mijn vader aan tafel pasta te eten. ‘Zeg, Don, ik ga morgen golfen, wil je mee?’

Natuurlijk wil ik mijn vaders gevoelens niet pijn doen. ‘Tuurlijk, pap. Geen probleem.’ Zeg ik terwijl ik een pasta op mijn vork prik.
Hij glimlacht. ‘Ik heb er zin in, Donnie.’ Zegt hij.
Het valt me op dat mijn vader niet meer zo vaak lacht als vroeger. Vroeger kon hij echte lachbuien hebben. Maar nu niet meer. Ik weet niet waarom, eigenlijk. Misschien is er iets gebeurd met hem.
Als we beiden klaar zijn loop ik de trap op.
‘Ik ga naar bed!’ Roep ik.
‘Slaap lekker, Donnaleah!’ Roept hij, en ik voel me warm. Mijn vader noemde mij alleen Donnaleah, mijn echte naam, toen ik een kind was. Misschien had ik iets gedaan waardoor hij me zo noemde.
Ik kleed me om in mijn pyjama en glimlachend val ik in slaap.

Vannacht heb ik een vreemde droom gehad. Ik droomde dat ik kon vliegen. Dat ik ontzettend hoog vloog in de lucht. Ik vloog over een stad heen, en daarna ook nog over het bos.
Ik heb nog nooit zo’n droom gehad.
Meteen als ik uit bed stap doe ik mijn computer aan, en typ ik bij Google ‘dromen informatie’ in.
Ik wil graag weten waarom ik dit heb gedroomd. Over het algemeen vond ik het een heerlijke droom. Ik heb altijd willen vliegen.
Als er een grote aantal sites verschijnen, klik ik op de eerste van de lijst. Ik kom op een site en typ bij een balkje “vliegen” in. Dan klik ik op “zoek betekenis.”
Er komt een verhaaltje te staan.

Wanneer je in je droom met gemak rondvliegt en geniet van het uitzicht onder je, duidt dit erop dat je alles onder controle hebt. Je bent boven iets uitgestegen. Het kan betekenen dat je een ander perspectief op een zaak hebt gekregen. Het vermogen om je vlucht te sturen is representatief voor je persoonlijke gevoel van macht.

Ik snap er helemaal niets van. Wat heb ik nou weer onder controle? Ik heb ruzie met een meisje, en ik ga morgen golfen met mijn vader, wat ik eigenlijk nou niet bepaald leuk vind.
Zou het de band met mijn vader zijn? Ik ga morgen met hem golfen, wat betekend dat onze band sterker zal worden, en hij noemde me Donnaleah, wat hij alleen deed toen ik een kind was en als hij gelukkig was.
Misschien is dat het, denk ik.
Ik kijk naar buiten en de kleuren van de wolken zijn lichter dan anders, de zon schijnt.
Ik kleed me om en ren de trap af.
Mijn vader heeft al zijn golfkleren aan. ‘Hai Don. Heb je er zin in?’
Ik knik. ‘Ontzettend!’ Lieg ik. Ik klonk een beetje overenthousiast.
‘Wanneer gaan we?’Vraag ik dan.
Hij geeft me mijn jas en doet dan zijn eigen aan. ‘Nu natuurlijk!’
Hij trekt de deur open en samen lopen we naar de auto toe. We stappen in en rijden weg.
Als we na een kwartier aankomen parkeert mijn vader zijn auto en stappen we uit. ‘Met wie ga je eigenlijk golfen, pap?’

leuk verhaal!!

ja maar ik heb reacties nodig om zeg maar, eh, ‘op gang’ te komen. :stuck_out_tongue:

nog een stuk:

‘Chris en Theo.’
Ik knik. Chris en Theo waren twee oude vrienden van ons, die kon ik wel aan.
We lopen het veld op en verderop staan twee grote mannen.
Als we aankomen kijken ze me verrast aan. ‘Donna! Wat ben je verschrikkelijk groot geworden! Hoe oud ben je wel niet? 20?’ Roept Theo uit.
Ondertussen zegt Chris mijn vader gedag. Ik glimlach naar Theo. ‘Ik ben pas 15 hoor.’
Theo was een bijzondere man. Zijn armen zaten onder de tattoo’s, hij had lang wit haar, een snor, en had grote armbanden en kettingen om. Hij werkte in een vintage winkel, Theo was een lieve man vanbinnen, maar je wilt niet graag een potje stoeien met hem, daar is hij veel te sterk voor.
Ik groet Chris ook nog even. Chris is een baseballspeler bij de the Hounds, en hij was ook dol op andere sporten.
‘Hai Donna, je ziet er goed uit.’ Zegt hij en ik schudt hem de hand. ‘Bedankt Christopher.’
Ik noemde sommige mensen altijd bij hun hele namen. Maar bij andere alleen hun bijnamen.
Hun hele namen klonken gewoon veel mooier.
Dan gaan ze beginnen, terwijl ik moet kijken.
Na al een paar slagen doet Chris het het beste, merk ik.
Hij is weer aan de beurt en schiet een bal ver, de bal ploft neer in een klein meertje.
‘He nee, zeg! Kan jij hem even halen, Don?’ Vraagt mijn vader, Chris kijkt me verontschuldigend aan, en Theo zit aan de telefoon.
Ik loop naar het meertje toe, het is best ver.
Er waait een zacht briesje en het is heel stil. Wie zou golfen eigenlijk bedacht hebben? Was er een man of een vrouw die op een dag verzon om met een lange stok een klein hard balletje te slaan, en dat hij dan in een gaatje in de grond terecht zou moeten komen? De wereld is vreemd, zit ik te denken. De wereld is vreemd.
Als ik aankom kniel ik neer om vervolgens het golfballetje uit het meer te plukken, gelukkig drijft het.
Ik draai me om als ik het golfballetje heb, en alles gaat heel snel.
Een witte golfbal zoeft keihard door de lucht, richtend op mijn hoofd. In paniek sta ik vastgespijkerd. Als deze bal me raakt kan ik een zware hersenschudding krijgen, misschien zelfs hersenverlamming! Dan zou ik misschien nooit meer kunnen schrijven of tekenen… laat staan lopen!!
Plotseling springt er iemand voor me, nét als de bal me bijna raakt, ik hoor de klap van de golfbal tegen het lichaam. Vol paniek plof ik neer op de grond, ik lig te hijgen van angst. Ik kijk op en daar staat Carter, het mysterieuze meisje. De bal ligt op de grond.
‘Bedankt Carter. Ontzettend bedankt…’
‘Ja ja, hou je kop maar. Alles goed met je? Heb je ergens pijn?’
Ik hou het er op na dat ze het goed bedoelt, maar Carter vertrouwt je niet sneller dan anderen.
Ik hap even naar adem. ‘J-ja. Ik denk het wel… met jou…? Jij hebt tenslotte de klap opgevangen…’
Ze bukt om de golfbal op te pakken, en gooit hem naar mijn vader, die hem vangt terwijl hij en Chris en Theo zitten te rennen om mij te bekijken.
Ik ben gefascineerd hoe ver ze die bal kan gooien. ‘Er is niks met mij. Maak je alleen zorgen om jezelf, alsjeblieft.’ Zegt ze.

------------------------------------------------------

reacties. :bowing_man:

thanx ^^

---------------------------------------------------------------------------

Ik knik, nog steeds afvragend waarom ze niet neerknielt op de grond en ligt te huilen van de pijn.
Mijn vader komt aangerend met zijn vrienden.
‘DONNA! Donnaleah Bell, is alles oke? Hoor je me? Omijngod!!’
Ik knik. ‘Er is niks met mij, pap. Maak je geen zorgen.’
Theo komt aangezet. ‘Donna… het spijt me zo erg… ik wist niet dat jij hier was verder het veld op… ik zat te bellen en wist het gewoon niet…’ Vol spijt keek hij me aan.
Ik zucht. ‘Het is goed hoor. Gaan jullie maar door met spelen.’
Ze helpen me overeind en mijn vader tilt me op, en draagt me terug.
Ik wil eigenlijk terug naar Carter om tegen haar te praten, maar ik kan me niet bevrijden uit zijn sterke greep. Ik draai me om en zie Carter leunen tegen een boom, ze heeft een grassprietje in haar mond en kijkt geamuseerd toe.
Misschien, heel misschien, word Carter mijn allereerste vriendin.

Ze hebben eigenlijk niet doorgespeeld, en ik had er ook geen zin meer in. Mijn vader en ik liepen naar de auto toe en stapten in. Hij deed zijn sleutel in het vakje, startte de auto, en reed weg.
‘Is er echt niets aan de hand?’
‘Nee. Er is niet aan de hand.’
‘Ik wil je niet verliezen, Donna.’ Zegt hij abrupt.
Ik zucht. ‘Een bal kan je niet doden.’
‘Door hele harde, en snelle slagen wel, Donna. Theo mag misschien niet de beste golfspeler van de hele wereld zijn, maar je hebt zijn spieren gezien.’
Ik haal mijn schouders op.
Opeens ben ik heel moe.
Als we thuis aankomen loop ik de tuin in en trek de deur open. Ik hang mijn jas op aan de kapstok en loop naar de woonkamer toe, waar ik op de bank plof.
‘Wil je iets eten?’ Roept mijn vader vanaf de keuken.
Ik til mijn hoofd een beetje op, en roep, ‘Nee!’
Er zijn tijden geweest dat ik heel depressief was. Dat ik niet naar school ging en bij psychiaters bijna elke dag op bezoek kwam. En eigenlijk wist ik niet waarom ik depressief ben geweest.
Ik was dan doodongelukkig. Mensen op school roddelden dat ik mezelf sneed in mijn armen, omdat ze zeiden dat ik pijn lekker vond. Maar ze liegen. Ik heb mezelf nooit gesneden. Ik houd niet van bloed en zeker van niet zelfverminking.
Ik sta op en loop naar de voordeur toe om vervolgens mijn jas weer aan te trekken.
‘Donna, ik begrijp jou niet. Je lijkt wel een knipperlicht. Dan weer naar binnen, dan weer naar buiten, dan weer naar binnen… wat spook je uit?’
Mijn vader staat in de keuken met een kop koffie in zijn hand.
Ik zwijg. Mijn vader weet dat als ik zwijg dat ik het eigenlijk zelf niet weet, dus laat hij me gaan.
Ik loop de deur uit.
Ik kijk om de hoek of Carter nog op de bank zit, maar er zit niemand. Ik zucht en kijk naar het lege bankje.
Dan neem ik dezelfde route als de vorige keer naar het bos, en ik hoor deze keer wél vogels fluiten.
Mijn voeten laten takjes kraken.
Ik was dol op het bos. Het bos had bijzondere kleuren en geuren.
Verschillende bomen hadden verschillende kleuren hout. Andere waren donkerbruin, andere lichtbruin, en andere roodbruinig.

----------------------------------------------------------------

reacties. :3

u bent mijn trouwe lezer. :pensive:

--------------------------------------------------------------------

Bomen fascineerde me.
Ik hoor iets kraken in de struiken, en deze keer blijf ik wél staan. Zou er weer een wolf zijn?
Ik zie iets zwarts, een hele kleine zwarte, en een beetje misvormde, cirkel.
Dan komt de hele gedaante tevoorschijn. Het was de neus van een wolf.
Ik kijk de wolf aan met zijn prachtige groene ogen, en dan lijkt het alsof ik deze wolf ergens van herken.
De wolf loopt een paar stappen vooruit in mijn directie, maar neemt dan weer een paar stappen terug, alsof ie twijfelt. Ik blijf stokstil staan.
De vacht van de wolf is donker-donkerbruin, bijna zwart dus, met lichtbruin en grijs gemengd. Het was een ontzettende prachtige kleur.
Ik schraap al mijn moed bij elkaar, ‘H-hallo.’ Zeg ik een beetje stotterend.
Natuurlijk praat de wolf niet terug. Wolven kunnen niet praten.
Ik zie de wolf even slikken, en dan zucht hij.
‘Is er iets?’ Vraag ik, ik heb soms een drang om dat te zeggen.
Ik zet een paar stappen vooruit naar de wolf, en hij schudt wild zijn hoofd. Dan loopt hij een paar stappen achteruit.
‘Nee, nee, blijf staan. Ik doe niets.’
De wolf neemt meerdere stappen achteruit, en sprint dan weg zo hard hij kan, de bosjes in.
Ik blijf kijken. En volgens mij weet ik waarvan ik de wolf herken.

Elk mens heeft een lievelingskleur. Ik heb er ook één. Lievelingskleuren vind ik fascinerend, omat het laat zien wat voor een persoon het is.
Mijn lievelingskleur is de kleur van de zee. Groen en grijs en blauw door elk gemengd. Op mooie dagen is de kleur meestal meer blauw dan anders. Als het bewolkt is meer grijs, en als het regent lijkt de zee net zilver-grijs.
Het lijkt eigenlijk alsof de zee elke dag een verschillende kleur heeft, maar wel dezelfde sfeer.
Daarom is de kleur van de zee mijn lievelingskleur.
Ik zit aan mijn bureau naar mijn pennen te staren, en ik pak er een donkerblauwe uit met gouden randjes die ik gekregen heb van mijn moeder. Ze ging op vakantie naar Londen en had deze voor me meegenomen.
Ik heb nooit iemand verteld wat er met mijn moeder is gebeurd. Ik vertelde alleen haar naam, waar ze vandaan kwam en wanneer ze geboren was, en hoe ze eruit zag.
Mijn moeder heette Belle. Ze was geboren in Frankrijk in 1965. Ze had een hele fascinerende kleur haar. En toen ik een kind was en zij zat te werken aan haar bureau, kon ik soms uren naar haar haar kijken.
Het was een soort van toffeekleurige kleur, met een beetje blond en zwart gemengd. Ze heeft haar haar nooit geverfd, zo een type was ze niet.
Mijn moeders ogen waren grijs. Haar wimpers waren roetzwart, en krulde omhoog als de wimpers van een kameel, dat is iets dat ik van haar heb overgehouden, krullende wimpers.
Ik sta op en trek een donkergrijze broek aan met witte strepen erop, een grijs shirtje en een rood vestje.
De meeste mensen complimenteren me op mijn uiterlijk. Dan zeggen ze dat ze mijn kleren leuk vinden en dat ze mijn gezichtje mooi vinden. Ik weet niet waarom ze dat zeggen, eigenlijk. Ik voel me er eigenlijk niet beter door. Mijn familie zegt dat ik de mooiste ogen en lippen heb van de hele wereld.

*oeeh spannend word het he* :grinning:

Ookal reageert bijna niemand, nog een stuk dan maar. :'3

---------------------------------------------------------------

Maar mijn ogen waren gewoon bruin.
En misschien mijn lippen omdat die roder waren dan anderen.
Ik loop mijn kamer uit en hop de trap af. Het is vandaag maandag. De eerste maandag van de zomervakantie. Mijn vader gaat bijna elke maandag een tochtje vissen op een meer nét uit Lockwood, in Blakewhite.
Ik loop de keuken in en er ligt een briefje op de tafel, ik pak het op en begin te lezen, terwijl ik ga zitten op de stoel.
[i]
Hallo Donna,

Nu je dit leest ben ik waarschijnlijk al onderweg naar Blakewhite om te gaan vissen. Ik ben om 4 uur of half 5 thuis.
Johan zit naast me, je weetwel, de buurman. Tot straks!

John[/i]

Hij schreef vaak briefjes als hij wegging. Hij schreef er altijd zijn hele naam onder. Niet “papa” of “vader” of “pap”.
Ik leg het briefje neer en haal een beschuitje uit de kast, waar ik vervolgens boter op smeer en daarna strooi ik er suiker op. Ik neem een hap.
Smakkend met het beschuitje in mijn hand loop ik naar buiten. Ik had vandaag om één of andere reden geen zin om mijn jas aan te doen.
Ik loop de tuin uit en Carter zit weer op het bankje. Mijn hart maakt een wild sprongetje van blijdschap en angst. Ik moest haar iets vertellen.
Ik loop naar het bankje toe en ga zitten.
‘Hallo.’ Zeg ik.
Ze kijkt me even aan. ‘Hoi.’ Zegt ze, en kijkt dan weer naar voren.
Nú ga ik het zeggen. ‘Ik weet dat jij het was.’
Ze kijkt me met een ruk aan, maar ik kijk haar niet aan.
‘Dat ik wat was?’ Vraagt ze.
Ik draai me om. Haar groene ogen kijken me strak aan.
‘Je weet wat ik bedoel, Carter.’ Zeg ik.
Haar ogen beginnen er angstaanjagend uit te zien. ‘Je weet niets van me af, Donna.’
‘Je hebt het fout. Ik weet één ding. En dat is dat jij die wolf bent.’
Volgens mij hoor ik een zacht gegrom uit haar keel.
Ik kijk weer naar voren maar Carter bekijkt me nog steeds.
‘Hoelang ben je al zo?’ Vraag ik.
Carter geeft op en kijkt naar haar knieën. ‘Mijn hele leven,’ Zucht ze dan, ‘Ik ben bij hun opgegroeid.’
‘Bij wie?’ Vraag ik.
‘De wolven.’
Ik ben stik nieuwsgierig. ‘Hoe komt het dat je een mens bent? Kan je in een wolf veranderen?’
Ik kijk naar beneden, Carters nagels drukken hard in het hout van het bankje.
‘Ik weet niet hoe het komt, Donna. Ik kan in een wolf veranderen wanneer ik het wil.’
Ik heb zin om nog iets te vragen. ‘Wil je mijn vriendin zijn?’
Carter springt achteruit. ‘DONNA! Ik ben een wolf!!’ Opeens hoor ik dat ze een brok in haar keel heeft. ‘Ik ben niet zoals jij! IK… IK BEN EEN MONSTER…!!’ Schreeuwt ze. ‘Je MOET niet bij me zijn! Je moet niet eens tegen me praten!! Je bent veel te goed voor jmij! Ik moet mezelf altijd onder controle hebben…’ Carter ploft weer naar op de bank, met gebogen hoofd.
‘Nou, wat wil je dat ik doe?’ Vraag ik.
‘Je moet bang voor me zijn. Ik heb al genoeg mensen aangevallen, Donna.’

------------------------------------------------------

alsjeblieft reacties. :'D
ik heb maar 1 trouwe lezer. :'3

Leuk idee, leuk verhaal, soms een beetje wisselvallig.

Ik houd er rekening mee dat je nog heel jong bent, en voor jouw leeftijd is je stijl en woordgebruik echt al heel goed. Soms wat kleine spellingsfoutjes (je wisselt soms tussen tegenwoordige tijd en verleden tijd waar dat niet hoort), maar het is niks vergeleken met andere verhalen hier :slightly_smiling_face:

Sommige stukjes kunnen beter lopen, maar zoals ik al zei, omdat je zo jong bent heb ik echt respect voor je. Blijf zeker schrijven, je kunt alleen maar beter worden en het talent zit er al in!

Danku. :astonished:

------------------------------------------------------------------

Ze kijkt op naar de lucht. ‘Ik heb al genoeg fouten gemaakt…’
Ik adem hard door mijn neus. ‘Ik ben niet bang voor je, Carter.’
Ik hoor een zacht gegrom. ‘Wees bang, Donna, alsjeblieft. Wees bang, net zoals alle anderen. Wees…’
‘Maar Carter, ik ben niet zoals de anderen.’ Val ik haar in de rede.
Ze zucht en kijkt me voor een lange tijd aan. ‘Ik breng jou niet in gevaar.’
Mijn neus kriebelt en ik nies.
‘Gezondheid.’ Zegt ze.
Ik zeg,‘Dankje.’
‘Houd je mond.’
Ik slik even. Carter is niet een meisje van hup 1 2 3 en je hebt een vriendin.
We zitten hier nog voor een ontzettend lange tijd.
‘Wil je mijn kamer zien?’ Probeer ik.
Ze zucht. ‘Vooruit dan maar, hé.’ Ik draai me om, en ze heeft een klein glimlachje op haar mond.
We staan beiden op en we lopen mijn tuin in. Ik doe de deur open en we lopen naar binnen. We lopen samen de trap op en als we in mijn kamer terechtkomen, kijkt ze eens rond.
Ik ga op mijn bed zitten.
‘Hoelang woon je hier al?’ Vraagt ze.
Ik denk na. ‘Mijn hele leven.’ Zeg ik.
Ze knikt en gaat op de stoel van mijn bureau zitten.
‘Waar woon jij eigenlijk?’ Vraag ik.
Ze kijkt me aan.
O ja, natuurlijk, ze woont in het bos.
‘Dus, ehm… wat eet je?’ Vraag ik dan.
Ze is voor een lange tijd stil, en ik weet niet zeker of ze de vraag heeft gehoord.
‘Vlees.’ Zegt ze dan.
Ik knik heftig. ‘Ik houd ook van vlees. Vooral rundvlees. En jij?’
‘Ik houd vooral van… ehm… vlees dus.’ Zegt ze. ‘En hou nu op met vragen stellen, alsjeblieft.’
Ik knik en het is akelig stil. Plotseling herinner ik dat ik nog een vraag had.
‘Was jij het die mij zo’n pijn deed in de winkelstraat?’
Ze kijkt me aan. ‘M-misschien.’
‘Je bent niet goed in liegen,’ Zeg ik. ‘Wat deed je?’
Ze slikt even. ‘Iets…’
‘Wat dan? Ik wil het weten, Carter.’
Ze zucht. ‘Ik kan in iemands gedachten komen. Ik kan gedachten lezen…’
Ik knik.
‘Ik kan mensen besturen met mijn eigen gedachten. Ik probeerde het uit bij jou, maar ik liet je los toen het nét zou gebeuren.’
Ik knik nog een keer. ‘Waarom? Waarom… deed je dat? En hoe? Kun je het ook bij andere mensen? Waarom doe je het? Heeft iemand het voor je gedaan of ben je ermee geboren?’
‘Donna, hou je kop dicht of ik geef je een klap.’
‘Sorry.’

--------------------------------------------------------------------------------

Reacties reacties reactiesssss. :3

Oeh, spannend.
Verder alsjeblieft!