[Verhaal] Begrip

Oké, dit is mijn allereerste keer in het ‘Schrijfsels’ board. Normaal heb ik een ontzettende writersblock maar ik begon gewoon te schrijven en tja, deze keer lukte het wel. Ik ben benieuwd.

Een jonge soldaat keert terug naar zijn dorp. Het leven ziet hij niet als iets kostbaars. Met een pessimistische kijk op het leven komt hij zijn dagen door. Niemand begrijpt hem. Dat weet hij zeker. Hij is te raar voor deze wereld. Of toch niet helemaal?

Dit verhaal speelt zich af in het Ierse Strangford.

Begrip: Proloog.

Ik zat in de bus. Onderweg naar huis. Ik staarde uit het raam. Mijn gedachten dwaalde af naar de basis. Mijn doel? Leven. Niet overleven, maar leven. Dit klinkt misschien vaag vanwege mijn baan in het leger. Aangezien alles wat je daar doet, overleven is. Ik zie het als vrijwilligerswerk. Je ziel verkopen om de mensheid te helpen, je land te beschermen van de ondergang. Mijn blik viel op het boek in mijn openstaande tas. ‘100 Reasons to Live’ geschreven door Jonathan Camsbury. Dit boek las ik altijd op de basis, als ik niet op missie uitgestuurd was. Iedere avond weer. Het gaf me motivatie om door te gaan. Te weten waarom ik leef en als ik het leven niet meer zag zitten, me eraan te herinneren dat ik nog een hele toekomst voor me had die ik kon besteden aan het helpen van mensen. Hun leven verbeteren.

Waarom niet mijn eigen leven opknappen als het toch zo miserabel is? Waarom zo pessimistisch over je eigen leven? Waarom stop je niet met je baan en zoek je uit wat je echt wilt? Dat vraag je jezelf nu vast af. Het is onmogelijk. Ik kan je niet uitleggen waarom. Het is gewoon wat er binnen in mij afspeelt. Niemand heeft iets te maken met mijn gedachten. Het is alleen ik en mezelf op deze wereld. Ik leef in mijn eigen wereld. Niemand begrijpt me, hoe graag ze het ook willen. Ik sluit me af, voor iedereen. Als je wilt proberen om me te begrijpen, ik wens je veel succes. Geen probleem als je dat niet wilt of als je het nu al opgeeft, je bent niet de enige. Waarom zou je tenslotte tijd en moeite steken in iemand, die niet hetzelfde voor jou doet?

Upje.

Verder :grinning: Ben nieuwsgierig naar het begin (en einde natuurlijk XD).

Leuk! Ik was ook net begonnen met een verhaal over het leger, haha, toevallig. :’)

Oh, staat die hier ook op GS? Ik heb je idee echt niet gepikt hoor, als je dat denkt, haha.

Hoofdstuk 1.

Ik sta voor een hotel, midden in het kleine dorpje Strangford. Dit is mijn thuis, altijd al geweest. Iedere keer kom ik hier weer terug. Geen idee waarom eigenlijk, ik ken hier niemand meer. Strangford is vergrijsd. Met mijn hand om het kleine koffertje geklemd, duw ik de deur van de lobby open.

De lobby is klein. Wat zeg ik, mini. Het bestaat uit saaie kleuren, veel grijs en bruin. Mijn blik valt op het mahoniehouten bureau. Duur spul. Achter het bureau zit er iemand, ik kan niet zien of het een man of een vrouw is aangezien de persoon een krant leest. Blijkbaar heeft hij of zij mij niet binnen horen komen of ik word genegeerd. Ik blijf voor het bureau staan, wachtend. Er gebeurt niks. Mijn hand reikt naar de koperen bel. Net voordat ik erop druk, wordt de stilte doorbroken.

‘Die doet het niet.’ De stem klinkt krakend, zelfs een beetje schor. De krant wordt langzaam neergelegd. Een oudere man verschijnt. Hij fronst, maar dat kan ook zijn gezicht zelf zijn.
‘Wat kan ik voor je doen?’ vraagt hij uiteindelijk na mij eens uitgebreid bekeken te hebben. Voordat ik iets kan zeggen, gaat hij verder. ‘Je bent een soldaat, zo te zien,’ hij knikt naar mijn uniform. ‘Dat klopt,’ mompel ik kil. Ik wil gewoon een kamer, totaal geen behoefte aan sociaal contact. Zeker niet met deze oude verkreukelde man. Het lijkt alsof de man mijn gedachten kan lezen. De frons verdwijnt, het was dus toch een gezichtsuitdrukking. Een warme glimlach tovert hij tevoorschijn. ‘Nou, ik ga er van uit dat je hier bent voor een kamer, jongen.’ Ik knik. Met een handbeweging slaat hij een boek open. ‘Dan heb ik wel wat gegevens van je nodig.’ Verbaasd kijk ik naar het oude Moleskine boekje. Geen computer, niks. Nog steeds met pen en papier. De man ziet mijn verbazing maar besluit het te negeren. ‘Oké, allereerst, wat is je naam?’ Heel even twijfel ik over liegen of niet. ‘Cillian McTernan,’ besluit ik eerlijk te antwoorden. Ijverig begint de man te schrijven.

‘Geboortedatum.’

‘Waarom?’

‘Ik leer mijn gasten graag kennen. Trouwens, ik moet de gegevens ook hebben voor de rekening zodat deze zeker betaald wordt.’ Verbluft kijk ik hem aan. Gaat het hem alleen om geld? Wat een doelloos leven heb je dan. Ik stop mijn hart en ziel in mijn werk. Misschien komt dat omdat er niets anders in mijn leven is, geen behoefte aan ook. Mijn werk is mijn leven. Ik heb dan ook werkelijk geen idee wat ik nu moet doen, hier in Strangford. Vakantie is een hel. Dolgraag wil ik terug naar de basis, ik wilde ook totaal geen vakantie maar het was verplicht.

‘Oh oké, 16 mei 1993.’ Heel even werpt de man een blik omhoog.’
19 jaar, als ik dat goed begrijp.’

‘Dat klopt.’

‘Zeer jong voor een soldaat,’ de man knikt ter bevestiging. ‘Waar kan ik de rekening naartoe sturen?’

‘Ik betaal hem voordat ik vertrek naar de basis.’ De man aarzelt.

‘Het is niet dat ik je niet vertrouw, maar voor de zekerheid, heb ik toch echt een plaats nodig.’ Kortom, geen vertrouwen dus. ‘U kunt mijn naam erbij schrijven en naar de Duitse luchtmacht sturen. Zij zorgen dat het bij mij terecht komt.’

‘Oh, je werkt voor de Duits luchtmacht?’ De bewondering schittert in zijn ogen. Het doet me niks.

‘Ja, dat klopt. Verder nog vragen?’ Verward kijkt de man naar zijn blaadje.

‘Nee, dat was het wel. Mijn naam is Jarlath, trouwens.’

‘Mooizo.’ Jarlath blijft mij aankijken. Dan bedenkt hij zich iets.

‘De sleutel, natuurlijk.’ Hij haast zich naar het rek met sleutels, grist er eentje van af en geeft hem aan mij. ‘Kamer vijf. De trap op en je vindt het wel.’

Met veel gezucht en gesteun sta ik uiteindelijk in mijn kamer. De conversatie met ‘Jarlath’ duurde toch iets te lang. Gelukkig ben ik daar vanaf. Mijn koffertje gooi ik op het bed waarna ik uit het raam kijk. Uitzicht op de haven. Welkom thuis, Cillian.

Haha, nee hoor. Hij staat niet op girlscene :"D
Verder trouwens, het begint leuk!

Dankjewel, haha. Oh, gelukkig, ik schrok al. Ookal ben ik nu wel heel benieuwd naar jouw verhaal. :"]

Upje.

Upperdeup. Ik ben weer aan het schrijven.

Leuk!

Hoofdstuk 2.

Zin om de hele vakantie op die duffe hotelkamer te zitten, had ik ook niet. Strompelend baan ik me een weg door Strangford. Even saai als altijd. Ik ga op een bankje zitten. Het gegiechel een stukje verderop trekt mijn aandacht. Een groepje meiden van een jaar of 15-16. Zo zien ze eruit. Één meisje is luidruchtiger dan de anderen. Ze lijkt ook veel jonger dan de rest. Heel even verstijf ik. Rood haar, net zoals ik. En die onmiskenbare blauwe ogen. Haar blik rust even op mij. In haar ogen herken ik dezelfde geschokte blik. Abrupt sta ik op. Misschien kan ik beter toch in mijn hotelkamer blijven. Snel been ik weg.

De hele dag zit ik in mijn hotelkamer, starend uit het raam. Constant dwalen mijn gedachten af naar het roodharige meisje. Mijn eerste dag terug in Strangford begint al goed. Geweldig.

's Avonds ben ik het binnen zitten zat. In de schemering ga ik op de grond zitten in de haven. Met mijn benen bungelend boven het water. Met die zon op het water is het best mooi. Ergens. Het water komt iedere keer met een doffe klap tegen de kant. Het zeewater is erg onrustig. Ik sluit mijn ogen en geniet van de rust. Zo zit ik daar een tijd.

‘Hee.’ Mijn rust wordt verstoord door iemand met een hoge stem. Waarschijnlijk een meisje, maar tegenwoordig ben je nergens meer zeker van. Mijn ogen houd ik gesloten, misschien was het niet eens tegen mij. Na een paar seconden voel ik eerst een lichte tik op mijn schouder. Dat kan ook de wind zijn. Een zucht, waarna ik een pijnlijk gevoel in mijn hoofd krijg. Met een kalme blik draai ik me om. Dezelfde geschokte expressie van vanmiddag verschijnt weer op mijn gezicht. Deze keer kijkt het meisje me met een brutale lach aan. Bijna wil ik me gewoon weer omdraaien maar ik weet mezelf te beheersen. We blijven elkaar een tijd aanstaren. Het meisje ziet er vrolijk uit. Roodharig, sproeten en grote blauwe ogen. Ze lijkt op mij, alleen heb ik geen sproeten. Zodra ze merkt dat ik niks ga zeggen, ploft ze naast me neer. Beide kijken we naar de schemering. Ze probeert geen conversatie te starten. Alleen, wij tweeën, kijkend naar de zon, die langzaam ondergaat.

Geen idee hoelang we daar gezeten hebben. Ik ben de hele tijd in gedachten geweest. Het meisje knipt met haar vingers voor mijn gezicht. Afwezig kijk ik haar aan. Alleen wijst ze naar de lucht. Dan merk ik het pas. Het is donker. Ik kijk haar aan, ze is opgestaan. Terwijl ik opsta, steekt ze haar hand uit. ‘Alley.’ Ik kijk naar haar hand, maar schudt hem niet. Het enige wat ik doe, is kort knikken.
Even lijkt ze te twijfelen. ‘Hoe heet jij?’ Haar blik verraadt haar nieuwsgierigheid. Nietszeggend kijk ik haar aan. Ze schuift wat ongemakkelijk met haar voet over de grond, haar blik op de grond gericht. Het is bijna aandoenlijk. Plotseling draait ze om en loopt ze langzaam weg. Heel even kijkt ze achterom maar ik sta nog steeds op dezelfde plek. Heel even lijkt het alsof ze lacht, maar dan verdwijnt ze de hoek om.

Upupup.

Up.