verhaal - Ayla’s avontuur

Ik ben bezig een verhaal af te werken waar ik echt duizend jaar geleden aan begonnen ben. Het is niet wat ik zelf gewend ben hier te lezen want het is een soort van fantasy (nou ja, een soort van… één van de belangrijkste personages is een eenhoorn dus dan weet je ook al genoeg) maar ik hoop dat het toch een beetje aanslaat. Eigenlijk moet je dit verhaal niet al te serieus nemen want dat doe ik zelf ook niet, zoals je wel zal zien aan de inhoud. Feedback is meer dan welkom, want dat is ook de belangrijkste reden dat ik het hier plaats. Oh, en vergeef me alsjeblieft de afgrijselijke titel want ik werk er nog aan.

Over mooie zondagmorgens en paarden in de achtertuin
Het was een mooie ochtend. De zon scheen, de vogeltjes floten en de wereld werd wakker. Je had mensen die vroeg opstonden en daardoor van deze mooie ochtend konden genieten en je had diegenen die liever tot na de middag in hun bed bleven liggen waardoor ze deze prachtige morgen misten. Eén van deze laatste groep was een meisje met kort, donkerbruin haar, een fijn gezicht met scherpe gelaatstrekken en een lichaam waar menig model jaloers van zou kunnen worden maar waar ze zelf een hekel aan had. Ze heette Ayla.
Hoewel ze de avond ervoor nog had gecontroleerd of de gordijnen echt dicht waren, wurmde een zonnestraaltje zich toch door een spleet heen, recht in het gezicht van het meisje. Het duurde niet lang of ze werd wakker. Ze kreunde. Na tien minuten had ze de moed verzameld om haar ogen te openen en het eerste wat ze deed op deze mooie dag was een verwijtende blik zenden naar de gordijnen. Misschien moest ze beginnen met wasknijpers, zodat ze zeker was dat de zon niet meer in haar ogen kon schijnen en haar wakker kon maken. Maar goed, nu ze toch wakker was, kon ze net zo goed opstaan. Ze opende de gordijnen en keek naar buiten. Het venster gaf haar een uitzicht op het dorpje waar het weeshuis stond. Ja, Ayla was een wees. Van ouders wist ze niets en dat vond ze soms echt afschuwelijk, maar meestal ook niet, omdat het weeshuis vol zat met kinderen van haar eigen leeftijd, lange trappen die een prima glijbaan vormden, vele plekken waar ze niet mochten komen van zuster Griselda en die dus des te interessanter waren en een keuken met een constante voorraad lekkers.
Het dorp waar het weeshuis stond heette Waterberg, wat wel logisch was omdat er een rustige rivier door het dorpje, dat op een berg gelegen was, stroomde. Waterberg was helemaal niet groot en helemaal niet druk. Je kon best een straat of tien doorlopen zonder een levende ziel tegen te komen. Gelukkig was er wel een kleine school, zodat de jongeren elkaar konden leren kennen. Je kon maar een keer enig kind zijn… Daarom was Ayla dus vaak blij dat ze in het weeshuis leefde want zij had constant leeftijdsgenoten om zich heen. Bovendien verkondigde ze altijd en overal dat wat je niet kent niet kunt missen. Zij kende haar ouders niet, dus kon ze ze niet missen. Soms.
Ayla was bezig met het raam openzetten om frisse lucht binnen te laten toen ze plots gestommel op de trap hoorde. Het klonk alsof iemand naar boven kwam aan hoge snelheid, een paar keer struikelde maar net niet viel en uiteindelijk toch op de laatste trede plat op haar gezicht ging. Ayla wist dat het Nina was. Misschien kwam dat doordat ze Nina’s voetstappen overal zou herkennen – een beetje lomp, een beetje gehaast, een beetje druk – of omdat zij en haar beste vriendin op deze mooie zondagochtend de enige mensen in het weeshuis waren. Zuster Griselda zat namelijk met alle andere tweeëntwintig kinderen op een dekentje aan de oever van de rivier te picknicken. Omdat Ayla en Nina gestraft waren, hadden zij niet mee mogen gaan. Geen van beiden wisten ze echt voor welke misdaad ze gestraft waren, maar waarschijnlijk ging het om de vierentwintig verdwenen koekjes uit de keuken. Of misschien waren ze betrapt terwijl ze heen en weer slingerden aan de gordijnen in de woonkamer. Ze wisten het dus niet helemaal meer, maar ze vonden het niet erg, want in plaats van een weekend kamperen aan de rivier, hadden ze een weekend het huis voor zich alleen. Het grote herenhuis, met een prachtige achtertuin die overging in de velden, met een schattige, ruime keuken, een woonkamer met een parket dat prima dienstdeed als schaatsbaan en grote ramen tot op de grond, twaalf gezellige slaapkamers en dan nog verschillende ruimtes die verboden terrein waren. De zolder. De kelder. De vertrekken van zuster Griselda. De balzaal – inderdaad, er was een balzaal. Zuster Griselda had dit enorme huis geërfd van een steenrijke tante en omdat het zo enorm was en ze zelf niet was getrouwd en dus geen kinderen had, had ze besloten er de wezen in onder te brengen. De kinderen hadden een fijne tijd in het fantastische huis met de lieve zuster Griselda. Het enige minpuntje aan de vrouw was haar afgrijselijke naam.

Ben benieuwd!

[size=1em] ‘Hè?’ [size=1em] Nina gooide de deur die de hal met de woonkamer verbond open, draaide zich daarna om en legde haar vinger op haar lippen om te tonen dat Ayla moest zwijgen. Hoewel Ayla nog altijd niet geloofde dat er daadwerkelijk een paard in hun oude, vertrouwde achtertuin stond, deed ze toch wat Nina haar vroeg. Op hun tenen slopen ze de woonkamer in zodat ze door de ramen een blik konden werpen op de tuin. En warempel, daar stond een paard. [size=1em] Ayla’s mond viel open en ze hapte naar adem. Op zich is een paard in je achtertuin nog niet zo onverwacht en vreemd en schrikbarend dat je even niet meer kunt ademen, maar dit was een geval apart. Het paard was namelijk paars. Lichtpaars, een soort lila, alsof de kleur al jaren bestond en vaag en vaal was geworden. Typisch iets voor Nina om dat niet even te vermelden. Rustig stond het dier met zijn neus in de planten en Ayla dacht dat hij ze waarschijnlijk aan het opeten was. Daar zou zuster Griselda niet mee kunnen lachen. Een tijdje stonden ze zo in stilte naar het dier te staren, zich allerlei dingen afvragend, maar omdat geen van de twee het antwoord zou weten, stelden ze de vragen niet luidop en zwegen ze. Blijkbaar had het dier genoeg van de bloemen, want het richtte zijn kop op en keek nieuwsgierig om zich heen. Toen ontdekte hij hen, twee meisjes achter de hoge ruiten waarvan één in te groot voetbalshirt (Ayla) en de andere in een wijde bloemetjesbroek en een strak hemelsblauw topje (Nina) met een sjaal om haar hoofd geknoopt waardoor haar haar alle kanten op stond. Het paard had prachtige ogen. Donkerblauw, bijna zwart, maar met een levendige glinstering die deed denken aan een sterrenhemel of de bodem van de oceaan. Daar hadden de meisjes echter geen oog voor. Ze waren meer geïnteresseerd in, of geshockeerd door, de hoorn die recht op het voorhoofd van het paard prijkte, tussen de manen die getint waren in alle kleuren van regenboog die zachtjes in elkaar overliepen. ‘Ugh,’ sputterde Ayla, wetende dat dit niet normaal was. ‘Oh,’ voegde Nina eraan toe. ‘Hij ziet ons,’ zei Ayla zonder haar ogen af te wenden. ‘Inderdaad,’ antwoordde Nina en ook zij bleef strak naar het dier kijken. ‘Waarom ga ik niet door het lint?’ vroeg Ayla nu. ‘Volgens mij zitten we in de ontkenningsfase.’ ‘Oké, dan stop ik daar nu mee.’ ‘Goed.’ ‘Oké.’ ‘Goed.’ ‘WAAROM STAAT ER EEN EENHOORN IN ONZE TUIN?’ zei Ayla paniekerig snel zodat de woorden bijna als één groot woord klonken. ‘IK HEB GEEN IDEE,’ sprak Nina op dezelfde luide, snelle toon. ‘Help?’ piepte Ayla. Nog even keken ze naar de eenhoorn en toen verplaatste het zijn linkervoorbeen. Daarna zijn rechter. Tot hij uiteindelijk gestaag op de twee meisjes afkwam.

ok dit is echt grappig!:heart:

‘Zou hij met zijn hoorn de ruit kapot kunnen slaan om ons te ontvoeren en te voederen aan zijn eenhoornkindjes?’
‘Geen idee,’ piepte Ayla. Omwille van de situatie kon ze tijdelijk niet op een andere toon praten, leek het.
Toen begon Nina te rennen, maar omdat ze nog steeds haar dikke geitenwollen sokken aanhad, schoof ze al snel uit op de parketvloer. Als vertraagd zag Ayla haar vriendin door de woonkamer vliegen en daarna tot stilstand komen tegen de kast. Ze lag op haar rug en haar benen wezen verticaal omhoog tegen de kast. Als er buiten geen eenhoorn had gestaan, had Ayla hier drie uur later nog om in een deuk gelegen, maar nu wist ze niet hoe snel ze bij Nina moest zijn. ‘Niets gebroken?’ vroeg ze.
‘Nee,’ zei Nina loom, ‘ik denk het niet.’ Ze stond op, voorzichtig, en voelde even aan haar achterste. ‘Auw.’ 
Ayla wilde net een bemoedigend woordje spreken, maar toen werd er op de ruit getikt... en dat getik kon maar van één iets afkomstig zijn. Verschrikt draaiden ze zich alletwee naar het raam en even voelde Ayla zich de hoofdrolspeler in een horrorverhaal. Gelukkig stond er nog steeds de eenhoorn en niet één of andere psychopaat met een tandenloze grijns en een bijl in zijn handen. Nou goed, “gelukkig” viel ook nog te betwisten. 
De eenhoorn tikte nog eens met zijn hoorn tegen het raam en tot Ayla’s grote schrik liep Nina naar het venster toe. Met een ruk aan haar arm trok Ayla haar vriendin terug. ‘Wat ga je doen?’ piepte ze.
‘Van dichtbij bestuderen kan geen kwaad, lijkt me,’ zei Nina en moedig liep ze naar de eenhoorn toe. Ze stond nog geen seconde stil of ze zei: ‘Hé, dat is gek.’
‘Wat?’ piepte Ayla en ze klopte zichzelf op de borst in de hoop dat dat verdomde gepiep zou ophouden. Wat kon er gekker zijn dan een paarse eenhoorn met regenboogmanen in je achtertuin op een doodgewone zondag?
‘Hij heeft een enveloppe rond zijn nek hangen. En jouw naam staat erop.’
‘Wat?’ piepte ze. Jezus, moest ze op haar hoofd gaan staan om terug normaal te kunnen spreken?
‘Kom dan kijken. Hij doet niets. Daarbij staat hij buiten en wij veilig binnen.’
Ayla begon te mopperen maar Nina herhaalde wat ze had gezegd dus uiteindelijk liep Ayla toch schoorvoetend naar haar vriendin met de eenhoorn toe. Toen ze naast Nina kwam staan bekeek de eenhoorn haar uitgebreid en daarna knikte hij en hij leek te glimlachen. Hij tikte nog eens tegen de ruit en plooide toen zijn nek en wees met zijn snuit naar de brief. 
‘Hij wil die afgeven,’ stelde Nina vast.
‘Kon hij die brief niet gewoon opsturen – dat zou ik heel wat minder eng hebben gevonden,’ zei Ayla en hoewel haar stem nog niet helemaal de oude was, was het hoge toontje al grotendeels verdwenen.
‘Lieverd, die brief komt niet van hem. Hij is alleen zeg maar de postbode. Eenhoorns kunnen niet schrijven.’
‘Wie zegt dat, als ze dan toch bestaan, ze niet kunnen schrijven?’ vroeg Ayla betweterig.
‘Omdat ze met die hoeven geen pen kunnen vasthouden. Daarom,’ antwoordde Nina vlot.
Ayla rolde met haar ogen. ‘Waarom heb jij altijd op alles een volkomen logisch antwoord?’ vroeg ze geïrriteerd.
‘Het is een gave,’ antwoordde Nina fijntjes. ‘Nou, ga je die brief nog halen of hoe zit het?’
Nina wachtte niet op antwoord. Ze stapte naar de achterdeur en verdween naar buiten. ‘Nina, wacht!’ schreeuwde Ayla in paniek. Straks gebeurde er... En dan... En wat moest... Dit was niet goed! ‘NINA!’
Maar haar vriendin verscheen al aan de andere kant van het venster, vlak voor Ayla, bij het paard. Ayla wilde achter haar vriendin aan gaan, maar ze durfde niet, dus deed ze haar handen voor haar ogen, in de hoop dat ze niet moest zien hoe Nina aan de hoorn geregen werd. 
Na wat een eeuwigheid leek werd er weer op de ruit getikt. Ayla durfde niet te gluren, maar er werd weer getikt en uiteindelijk klonk er een zachte, geïrriteerde ‘Ayla!’. Eindelijk opende ze haar ogen en Nina keek haar kwaad aan. ‘Kom. Hier. Nu,’ zei ze door de ruit heen. Ayla schudde haar hoofd maar Nina’s blik duldde geen tegenspraak dus Ayla zocht ook de achterdeur op. Die was in de keuken en snel griste ze nog een kookpan mee. Je wist maar nooit... 
Met de pan stevig in haar hand geklemd draaide ze de hoek om en daar stond Nina, nog steeds bij het paard, maar nu was ze het aan het aaien. ‘Nina, wat...’ Ze kon niet eens haar zin afmaken. Zodra Nina haar opmerkte vloog ze op Ayla af en sprong in haar armen, Ayla verstikkend in een heftige jouw-beste-vriendin-heeft-heel-goed-niehieuws!-knuffel. Met haar armen deed Ayla pogingen om Nina los te wrikken, maar dat ging niet. Gelukkig liet Nina vanzelf los voor Ayla helemaal geen adem meer had. 
Nina grijnsde naar haar en Ayla kreeg er geen goed gevoel bij. Ze had het voorgevoel dat het nieuws zoiets zou zijn waar alleen maar Nina enthousiast over was. Vragend trok ze haar wenkbrauw op. ‘De brief is van je oma,’ zei Nina, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Ayla wilde net “wat?” vragen, maar realiseerde zich toen dat dat zowat het enige was dat ze het afgelopen halfuur al had gezegd, dus ging ze over naar de moeilijkere zinnen met een werkwoord en een onderwerp. ‘Dat kan niet.’
‘En waarom niet?’ vroeg Nina met een blik die zei dat beter niemand haar kon tegenspreken. Gelukkig kende Ayla die blik en was ze er niet bang voor, in tegenstelling tot de rest van het weeshuis en de school en alle anderen die de blik kenden. Misschien waren ze daarom ook wel goede vriendinnen, omdat Nina nood had aan tenminste één iemand die niet helemaal naar haar luisterde. Om de uitdaging erin te houden.
‘Omdat ik al mijn hele leven in een weeshuis zit en voor zover ik weet geen familie heb.’
‘Daar zeg je het: voor zover je weet,’ antwoordde Nina logisch.
‘Kan zijn, maar als ik een oma had dan kon die wel wat vroeger wat laten weten. Misschien zelfs naar hier komen, in hoogsteigen persoon. Niet een brief per eenhoorn laten bezorgen. Snap je niet dat dit verhaal te gek voor woorden is?’
Nina nam haar beide handen vast. ‘Maar dat is het net!’ zei ze energiek met pretlichtjes in haar ogen.  ‘Avontuur! Spanning! Sensatie! Kans op een echte familie!’
Voor het eerst in haar leven dacht Ayla dat haar beste vriendin gek was. ‘Maar die heb ik hier toch?’
‘We zijn vrienden, geen familie,’ zei Nina ernstig. ‘Weet je, lees de brief maar.’ Ze draaide zich om en zocht in het gras naar de enveloppe, die ze daar had gegooid. Triomfantelijk overhandigde ze de brief aan Ayla. Met haar pan onder haar oksel geklemd probeerde die laatste wijs te worden uit de woorden die ze zag staan.

Haha die eenhoorn daartussen hahaa

Liefste Ayla,
het spijt me dat ik je niet zelf kan komen halen. Als je daarin bent geïnteresseerd kan ik je wel uitleggen waarom niet, eenmaal je hier bent. Ik wilde je gewoon zeggen dat ik blij ben dat ik je na een jarenlange zoektocht eindelijk gevonden heb en dat ik hoop dat je deze brief en de schrijfster ervan – ik dus, voor alle duidelijkheid – genoeg vertrouwt om mee te gaan met de postbode – de eenhoorn dus. Ik weet dat het niet iets is wat je elke dag doet, maar deze eenhoorn is lief en te vertrouwen en hij brengt je naar hier, naar huis, waar wij, je oma en opa, wachten. Ik hoop heel erg dat je komt!
Groetjes, oma.

ps. Ik heb pannenkoeken.

‘Ugh,’ sputterde ze.
‘Dat is toch helemaal geniaalfantastischgeweldig?’ gilde Nina uit en ze klapte vrolijk in haar handen.
Beduusd staarde Ayla naar de letters op het papier. ‘Eh...’ Haar vocabulaire leek op dit moment uit niet veel meer te bestaan dan oerwoorden. Ze leek wel een bosjesman. Of vrouw. Waarschijnlijk dat laatste. Vreemd genoeg was deze “eh” niet één zoals in heh-wat-gebeurt-hier, maar meer zoals in dit-moet-ik-even-laten-bezinken. Een halve minuut later kwam Ayla tot de conclusie dat ze verdorie op dat paard zou springen. Normaal gezien zag ze zichzelf graag als een vrij rationeel en intelligent persoon dus waar het belachelijke idee om daadwerkelijk op deze uitnodiging in te gaan vandaan kwam was voor haar ook een raadsel, maar ze zou het doen. Punt. Andere lijn.
‘En jij dan?’ vroeg ze dus maar. Ze voelde zich er niet goed bij om Nina hier alleen achter te laten.
‘Ik ga je missen,’ verklaarde Nina ernstig, ‘maar je kan me het onmiddellijk laten weten als ik een keer langs mag komen.’  Ze grijnsde haar bekende, ondeugende Nina-grijns en Ayla schoot in de lach. Ze liep naar haar beste vriendin en omhelsde haar, minutenlang. Enige twijfel sloop nog een keertje haar hoofd binnen – wat ze van plan was te doen ging tegen alle principes in. Daarbij veegde ze ook haar voeten aan alle regeltjes die kleine kinderen ingeprent worden zodat ze ze nooit zullen vergeten.
Ga nooit mee met vreemden (zelfs al hebben ze snoepjes – of pannenkoeken).
Als je ergens over twijfelt, laat het dan (tenzij je twijfelt tussen een muffin en een brownie; neem ze dan allebei).
Ga nooit per eenhoorn naar je net opgedoken oma. Geen enkele mens op aarde die ook maar een greintje verstand had, zou gehoor geven aan die brief. Normale mensen zouden er misschien zelfs de politie bij halen. Ayla zou dat waarschijnlijk ook gedaan hebben, tot ze de brief had gelezen. Die had haar van mening doen veranderen. De brief leek zo oprecht en eerlijk en oma-achtig en zo... zo, ze vond het juiste woord niet, maar de brief gaf haar het gevoel dat dit wel een keer een Grote Kans kon zijn. Tenslotte was een leven in een weeshuis ook niet zo opwindend.
‘Ayla,’ piepte Nina verstikt, ‘die pan prikt me.’
‘O, sorry,’ mompelde Ayla en ze liet haar vriendin los. Lag het aan haar of was Nina een beetje rood aangelopen? Haar pyama was half van haar schouder gezakt en dat herinnerde Ayla eraan dat zijzelf ook nog in pyama was. ‘Ik ga eerst kleren aandoen,’ zei ze.
‘Nee!’ riep Nina en ze sprong voor Ayla met haar armen gespreid. Haar blik zag er zo wanhopig uit en haar stem klonk zo geschokt dat het leek of Ayla net had voorgesteld dat ze misschien huiswerk moesten gaan maken. ‘Hup, hup, tijd, tijd, paard, paard.’ Nina draaide Ayla om en loodste haar naar de eenhoorn. ‘Hij is lief.’
De eenhoorn keek haar aan met zijn sterrenhemelogen en Ayla kon daar best inkomen. ‘Hallo,’ zei ze en onmiddellijk voelde ze zich enorm stom dat ze tegen een paard stond te praten.
De eenhoorn knikte rustig met zijn hoofd, zodat het leek alsof hij reageerde op wat Ayla zei en zodat hij met zijn hoorn bijna een scheur maakte in haar topje. ‘Ho!’ riep ze en ze sloeg haar hand voor haar mond. Daarna liep ze om het paard heen en keek vertwijfeld naar het dier. ‘Hoe geraak ik hier op?’
Onmiddellijk stond Nina daar, met haar handen tot een kommetje gevouwen zodat Ayla enkel hoefde op te stappen. Ze zette haar linkervoet in Nina’s handen en haar rechterbeen zwierde ze over de paardenrug heen.
‘Als een amazone,’ keurde Nina.
‘Dank je,’ grijnsde Ayla. Ze ging recht zitten en keek stoer de verte in, zoals al die mannen op hun paarden op schilderijen in saaie museums dat ook doen.
‘Dag, Ayla,’ zei Nina en ze glimlachte, maar haar ogen waren waterig en dat verontrustte Ayla. Voor ze er echter iets op kon zeggen gaf Nina een klopje op de bil van de eenhoorn en het dier begon rustig te stappen, maar versnelde en versnelde tot hij uiteindelijk over de haag van de achtertuin sprong, de wijde velden in.
‘Nina!’ schreeuwde Ayla in pure doodsangst. Het paard ging ongelooflijk snel en hij liep midden in de grasvelden, over de heuvels, en ze had geen idee waar ze heenging en ze wilde dat ze nooit zo stom was geweest om te doen wat ze tien seconden geleden had gedaan. 
‘Ayla!’ riep Nina terug en ze zag er opgewonden en jaloers uit, alsof zij graag op het paard had willen zitten. Omwisselen zou Ayla overigens niet erg vinden.
Het paard – excuseer, de eenhoorn – snelde verder, over lage bergjes en over de hoge heuvels, de weidse wereld in, onvermoeibaar terwijl Ayla bleef achterom kijken en zwaaien, waardoor ze bijna viel en de eenhoorn moest vertragen. Toen Nina uiteindelijk al een hele tijd niet meer te zien was, kreeg Ayla de tweede schrik van haar leven. En dat op een rustige zondagmorgen. Ze keek nog een laatste keer om en de eenhoorn blies geïrriteerd. ‘Hou daar eens mee op, wil je?’ zuchtte hij.