[Verhaal] Achter tralies

Ik ga ook gewoon verder met Familiedrama, maar ik schrijf graag meerdere verhalen tegelijk. Hopelijk wil iemand dit verhaal wel lezen. :’) Ik vind reacties erg leuk!

Flaptekst

Wat doe je wanneer iemand beweert dat hij verantwoordelijk is voor de misdaad die jij hebt gepleegd? Ga je naar de politie om jezelf aan te geven of trek je je terug en hoop je nooit meer iets over het voorgeval te horen? Is het eigenlijk niet terecht dat degene die jou heeft gered nu achter de tralies zit?

Thomas droomt over een schietpartij, over tralies en over ondervragingen bij de politie. Niet alleen ’s nachts, maar ook wanneer hij ontbijt of met zijn vrienden afspreekt. Af en toe flitst het gezicht van een meisje langs, de foto die in alle kranten heeft gestaan, de foto met een balkje voor haar ogen. Hij weet dat hij van haar houdt. Hij weet dat hij haar haat. En hij weet dat hij zichzelf ooit aan moet geven.

Proloog

Het was allemaal begonnen met een dans. Ironisch eigenlijk, dacht Thomas, want hij kon helemaal niet dansen. Maar die avond had hij meer op dan alleen bier: hij had zich gewaagd aan tequila, wodka en aan iets waarvan hij de naam niet wist en wat hem na de eerste slok al duizelig had gemaakt.
De kroeg was overvol geweest. De mensen drukten tegen hem aan alsof ze hem allemaal wilden omhelzen en hun stemmen vermengden zich met die van zijn vrienden. Onverstaanbare woorden, losstaande klanken, en toch maakten ze Thomas gelukkig. Het uitgaansleven was een wereld op zich, een wereld die niet afhankelijk was van de zon of van het weer of van de tijd die je in het leren van een tentamen stopte. Het was een wereld die draaide om een as van alcohol, een wereld waarin oorlogen in enkele vuistslagen werden beslecht, een wereld waarin felle lichten feest betekenden in plaats van ambulances of politie.
En er waren meisjes. Thomas kende elk type: de langbenige schoonheid met bruin haar, rode lippenstift en witte tanden die er door een godheid zelf ingezet leken te zijn, hetzelfde type in het blond, de brutale zwartharige met kortere benen maar grotere borsten en de roodharige slanke met sproetjes op haar wangen en haar hand al half in zijn broek. Hij had ze allemaal van zich afgeduwd. Hij hield niet van meisjes die op hem afkwamen met het doel om weer een zoveelste weerloze jongen te scoren op basis van zijn libido. Als hij iemand wilde, zorgde hij daar zelf wel voor.
Toch was zij op hem afgestapt. Ze droeg een kort broekje en een shirtje dat een streep van haar buik liet zien, maar het geheel werd afgezwakt door haar afgetrapte gympen. De enige make-up die ze droeg, was mascara. Dat had ze hem later verteld, want het was hem totaal niet opgevallen.
‘Ik wil dansen,’ had ze gezegd, hees van het geschreeuw dat ze eerder op de avond had moeten gebruiken om zich bij vriendinnen verstaanbaar te maken. Haar armen lagen al op zijn rug voor hij kon bedenken welke grap hij zou maken.
Ze brandden door zijn shirt. Niet als vlammen of als een te hete waterkoker, nee, ze brandden als een haardvuur waar je je handen in de winter boven houdt.
Hij dacht alleen aan die handen toen hij antwoordde: ‘Ik ook.’
Die avond stopte de dans niet. Dat kwam pas maanden later, nadat ze door donkere tunnels en lichte weilanden hadden gedraaid, want totaal onverwacht trok zij hem een afgrond in, erop gokkend dat hij de val niet zou overleven.
Natuurlijk had zij het mis gehad.
Maar dat betekende niet dat hij ooit weer naar boven was geklommen.

De meeste mensen hadden een hekel aan de maandag, maar Thomas van de Hoeve haatte de donderdag. Alles wat zijn leven compleet in de war schopte, gebeurde op donderdag. De maandag was een vraagteken, een waarschuwing dat die ene dag dichterbij kwam, en de vrijdag was een opluchting, een etmaal om te herstellen van de opgelopen verwondingen.
De donderdag was bijna voorbij. Over elf minuten zou het weer een week duren voor de volgende kwelling zich aandiende. Of misschien zou er niets komen, dacht Thomas, want hij had zijn portie voor vandaag al gehad.
Het pistool was van haar vader. Hij had een vergunning, hij had de neiging om dat ding bij elk bezoek te laten zien en hij had geen sleutel van het kastje waarin het lag. Thomas had haar willen raken. Hij had gedaan alsof zij degene was op wie hij richtte – in werkelijkheid was het een volslagen vreemde vrouw geweest, die toevallig haar haren op exact dezelfde manier als zij in een knot had gepropt.
Zijn gezicht was verborgen onder de bivakmuts, zijn lichaam onder de vormeloze trui en broek, en hij had zo hard gerend dat niemand in het winkelcentrum hem te pakken had gekregen. Ze zouden hem niet vinden. De kleren lagen in een vijver op kilometers afstand en hijzelf bevond zich ruim zeventigduizend meter bij de plaats des onheils vandaan.
De vrouw leefde nog. Hij had haar vingers zien bewegen, haar handen zien trillen. Maar ze was geschrokken, zo ontzettend geschrokken dat ze de politie geen duidelijk signalement van de dader had kunnen geven. Tenminste, dat stelde hij zich zo voor.
Hij was blij dat ze nog leefde. Hoewel hij er nu kalm aan terugdacht, had hij gerend met krijsende hersens, schreeuwende ingewanden en een jammerend hart. Hij had iemand neergeschoten. Iemand godverdomme néérgeschoten. Misschien had ze kinderen, waarschijnlijk een vriend. Ze was mooi.
Nee, daar mocht hij niet aan denken. Hij mocht geen enkele vrouw mooi vinden, want dan was er de kans dat eentje hem zou weten te betoveren, dat er eentje dezelfde gave had als Livia.
Die betovering was de reden dat hij een volslagen vreemde had verwond. Hij had zich laten meeslepen in de dans, blind als hij was, en hij had niet doorgehad dat niet hij maar zij degene was die hen leidde. Zelfs vandaag, zelfs toen hij allang had gedacht dat hun dans klaar was.
Twee uur nadat de vrouw in een ambulance was getild, was Livia naar het bureau gereden. Nog eens twee uur later had Thomas op internet gelezen dat de dader van de schietpartij was opgepakt.
En exact tien minuten geleden, een minuut voordat hij op de klok keek, had hij in de brievenbus gekeken, alsof hij wist wat hij zou vinden, en misschien was dat ook wel zo.
In de cadans van hun ritme had hij de brief door zijn vingers laten glijden. Boven hem was de nacht vrij van sterren. Zijn naam stond op de voorkant, geschreven in een sierlijk handschrift, en zelfs nu nog was het alsof zij naast hem stond en de twee lettergrepen in zijn oor fluisterde.
Hun geschiedenis. Een klim, een val en nu een brief.
En dat alles op die ene donderdag.

Ze hadden elkaar vlak voor de zomervakantie ontmoet. Thomas studeerde Communicatie aan de plaatselijke hogeschool, zij Engels aan de universiteit. Dat was wat ze elkaar op die eerste avond toefluisterden.
‘Ik wil geen relatie,’ had zij gezegd, terwijl ze zich soepel door zijn armen liet draaien.
‘Ik ook niet.’
‘Het lijkt me echt afschuwelijk om mee te moeten naar al die familiefeesten,’ zei ze. ‘Ik bedoel, je wordt gewoon gekeurd alsof je een koe op de markt bent. Niet lachen, ik kom echt uit een boerendorp.’
‘Hoe heet je?’ vroeg hij, omdat hij niet wist of hij een grap moest maken over haar boerendorp of dat hij haar daarmee zou beledigen. Misschien hield ze van koeien, al deed ze tegenover hem van niet.
Haar antwoord had hem verrast. Het was geen dorpse naam, maar ook geen stadse; het was een naam van een lang vergeten koningin, een Romeinse misschien, met een krans bloemen in haar krullende haar.
‘Ik ben blij dat ik geen Olivia heet,’ zei ze en ze vleide zich dichter tegen hem aan zonder opdringerig over te komen. In gedachten kon hij de bloemenkrans bijna ruiken. ‘De o-klank is echt verschrikkelijk. Wat is jouw naam eigenlijk?’
Hij had haar iets ruwer rondgetrokken. ‘Jij gaat hem niet mooi vinden,’ waarschuwde hij haar.
Maar het viel mee, want ze beweerde dat ze de o-klank wel mooi vond wanneer hij in het midden van de eerste lettergreep stond. ‘Bovendien,’ zei ze en haar stem was nog heser geworden, alsof hij elk moment weg kon vallen, ‘weten we allebei dat onze namen er niet toe doen. We gaan toch wel met elkaar naar bed.’
Hij schrok en ze voelde het feilloos aan.
‘Ben je nog maagd, Thomas?’
‘Natuurlijk niet,’ loog hij. Hij had zichzelf voorgenomen om eerlijk te zijn: meisjes vonden het alleen maar leuk wanneer zij de eerste waren, zeiden zijn vrienden. De helft was zelf nog maagd en durfde dat niet toe te geven. Hij zag ze vanuit zijn ooghoeken: Jeff, Lucas en Christiaan, alle drie met een opzichtig opgestoken duim, Jeff zelfs met twee. Naast Lucas stond de zoveelste blondine met lange, dunne benen die elk moment door midden konden breken.
‘Wil je me dan niet zien?’ fluisterde Livia en ze greep zijn rechterhand, die om haar midden lag. Voor Thomas kon protesteren, had ze hem op haar borst gelegd. Alleen de stof van het shirtje scheidde zijn huid van de hare en een aangename rilling trok door zijn lichaam. ‘Wil je me dan niet voelen?’
Het kostte hem behoorlijk wat zelfbeheersing, maar hij slaagde erin om zich los te trekken. ‘Niet de eerste avond al.’
Hij verwachtte een boze blik, teleurstelling, en tot zijn verbazing was niets minder waar. Een glimlach verscheen op Livia’s gezicht. Ze greep zijn pols, midden op de dansvloer, en boog zich weer naar hem toe.
‘Je bent anders,’ fluisterde ze. ‘Eindelijk. Bedank dat je me laat zien dat jongens ook anders kunnen zijn.’
Thomas wilde een gevatte opmerking maken, maar opeens gloeiden zijn wangen en hoorde hij zichzelf zeggen: ‘Jij bent ook anders.’

Heel leuk! Ik volg! :grinning:

Bedankt voor je reactie!

Ze was opgeslokt in de menigte voor Thomas meer tegen haar kon zeggen. Zijn vrienden namen hem mee naar de bar, duwden hem een glas bier in de hand en dreven hem naar een hoek, alsof ze een groep meisjes waren die plannen maakte om gezamenlijk naar de wc te gaan.
‘Geil wijf,’ zei Jeff.
Nee, dacht Thomas. ‘Ja,’ zei hij.
Ze had juist willen kijken of hij iemand was die een meisje uitkoos op de hoeveelheid seks die ze uitstraalde, of hij iemand was die meer gaf om de buitenkant dan om het karakter dat in dat omhulsel huisde. Ze had hem bedankt omdat hij die iemand niet was.
‘Heb je haar nummer?’ vroeg Christaan, die zoveel nummers in zijn telefoon had staan dat hij regelmatig de verkeerde date belde. Maar zijn tactiek was niet eerlijk: hij had Tinder, dé datingapp die iedereen volgens hem moest installeren. Noem een wanhopig meisje één keer mooi en ze geeft je niet alleen haar nummer, maar ook haar adres, Facebook en lichaam.
‘Ik heb haar twee minuten gesproken,’ zei Thomas.
Christaan haalde zijn schouders op. Hij leek aan te voelen dat hij geen verdere opmerkingen moest maken. Misschien kwam het doordat die paar minuten waarin ze gedanst hadden zo kort duurden dat beiden niet de kans hadden gehad om te blunderen, misschien kwam het doordat zij inderdaad anders was of misschien kwam het door het stukje stof tussen zijn huid en de hare, maar Thomas bleef aan haar denken. Terwijl hij naar Christaan keek, zag hij hem niet. Haar gezicht lag over het zijne, onzichtbaar en toch aanwezig.
Hij hoopte dat ze de rest van de avond in het café zou blijven. Misschien zou ze per ongeluk tegen hem aan dansen of zou hij haar opeens zien, en kon hij haar vastpakken en haar laten schrikken. Daar zou ze om lachen, dat wist hij zeker.
Die avond bleef het bij fantasie. Thomas zag haar niet meer, in elk geval niet in dat café. Hij was terug in zijn kamer, inmiddels was de donderdag voorbij. Het was al één lange minuut vrijdag. Hij had de brief nog steeds in zijn hand. Terugdenken aan een verloren tijd was veiliger dan hem openen.
‘Lafaard,’ fluisterde Thomas tegen de envelop, alsof die een spiegel was. ‘Godvergeten lafaard.’
Hij maakte een scheur in het papier en rukte het open, zo ruw en zo hard dat de scheuren zich naar de zijkanten van de envelop verspreidden. Rivieren die aftakten van de stroming, dacht hij. Ooit had zijn vader tegen hem gezegd dat een rivier het leven was en dat elke zijstroom een moment was waarop je stopte met vooruit gaan, een stukje naar de zijkant ging en je liet meevoeren naar de verkeerde kant, tot je vanzelf weer bij de hoofdrivier uitkwam.
De brief bevatte meerdere blaadjes. Ze had de tijd genomen. Misschien was ze zelfs al begonnen met schrijven voordat Thomas die andere vrouw had neergeschoten.
Hij wilde ze verscheuren, zich bewust van het bewijs dat ze bevatten en de pijn die de woorden hem konden doen. Maar het lukte hem niet om zijn vingers in beweging te zetten.
Ondanks de haat die hij voelde, was hij de stem op de dansvloer nooit vergeten.