[VERHAAL] 50 ways to die

Omggg :astonished:

Leuk verhaal :slightly_smiling_face: ik volg

5 Dagen later:
Ik lig op mijn bed en kijk uit het raam. Sneeuwvlokken dwarrelen naar beneden.
Wauw, wat had ik nu graag buiten gespeeld met Sascha.
Gelukkig mag ik morgen weer naar school! Doordat ik drie weken in coma heb gelegen heb ik veel gemist en moet ik veertien toetsen inhalen.
De deurbel gaat en al snel hoor ik de vertrouwde stem van Sascha.
Na een zachte ‘Oké’ te horen, volgen er snelle voetstappen op de trap. Dan vliegt de deur open.
Sascha staat met haar muts op in mijn kamer. We glimlachen allebei.
‘Cat! Hoe gaat het?’ vraagt Sascha enthousiast.
‘Gaat prima. Alleen nog een beetje last van mijn rug en nek, maar verder is alles oké!’ zeg ik. Ik zie dat Sascha iets uit haar tas haalt. Het is een langwerpige envelop. Zodra ze mij de brief overhandigd zegt ze;’ Namens de hele klas’
Ik pak de envelop en gris hem open. Op de voorkant staat een olifant met een roos vast. Ik klap de kaart open en zie inderdaad alle namen staan. Zelfs Sanne en Ingrid staan erop.
‘Wat staan Sanne en Ingrid er overdreven op. ‘‘Wordt snel beter, dikke Kuss’’’ Bléégh’ zeg ik. Ik maak er een soort van kots-gebaar bij.
We moeten allebei hard lachen.
‘Ik moet weer gaan, sorry’ zegt Sascha. Ze geeft me een knuffel. Dan loopt ze naar de deur en zegt nog even snel ’ Doei’.

Nummer 5
De volgende ochtend sta ik extra vroeg op. Ik heb zin om weer naar school te gaan. Lekker afleiding!
De laatste keer dat ik op school was, was vlak voordat Sascha en ik geesten gingen oproepen.
In een keer bespringt me een angstig gevoel. Rosa! Ik wil er niet aan denken dus besluit naar beneden te lopen, zonder dat mijn nek en rug pijn doen.
‘Gooooooooeeeeeedemorgeeeeeen’ schreeuw ik. Ik zie mijn vader in zijn fauteuil zitten en drukt zijn oren dicht. Oeps, waarschijnlijk iets te luid.
‘Zo, jij bent enthousiast’ zegt mijn moeder die in de keuken mijn brood klaar maakt. Ik ruik gebakken ei.
‘Ik breng je met de auto vandaag. Ik durf het nog niet aan om je naar school te laten fietsen’ zegt mijn moeder. Ik vind het best en eet mijn broodje ei op. Dan loop ik naar boven, poets mijn tanden en doe make-up op.
Om ongeveer tien voor acht besluiten we te gaan en pak ik mijn tas.
‘Doei pap’ schreeuw ik. Ik hoor een zachte Doei terug. Ik loop naar buiten en zie mijn moeder al in de auto zitten. Snel stap ik in en we rijden de straat uit.
‘Mam, nog even over die Rosa, hé’ zeg ik als we het ziekenhuis passeren.
‘Weet je echt niet wie het is?’ Mijn moeder schud haar hoofd.
‘Dat moet je dan maar aan oma vragen’ antwoordt ze. Ik zucht.
We komen bijna aan bij een spoorweg overgang. Het is erg rustig en er rijden geen treinen. Voorzichtig rijd mijn moeder de spoorweg overgang op. Dan voel ik een harde schok. De auto houdt er mee op, midden op de spoorweg overgang.
Mijn adem stokt als ik dan ook nog zie dat de spoorbomen dicht gaan en een harde bel hoor. Ik kijk mijn moeder verschrikt aan.
‘Mam! We moeten eruit’ schreeuw ik. Mijn moeder knikt. We duwen aan de portieren, maar ze gaan niet open.

En ik dacht dat ik een klote dag had …
SPANNEND

omg
dit heeft een vriendin van mij ook een keer mee gemaakt, maar gelukkig is het goed afgelopen!

Omg, lijkt me zo eng ^^ :expressionless:

spannend verhaal!
ik volg

Dat einde doet me heel erg denken aan een aflevering van Gooische Vrouwen haha het viel me ineens op, no offence

Haha, kan wel. Heb geen idee wat er toen gebeurde… :slightly_smiling_face:

Nieuwe volger!!!

Haha, ik weet t ook niet meer.

Hoofdstuk 7
Ik ruk zo hard ik kan aan de autodeuren, maar niks werkt. Radeloos kijk ik naar het treinspoor om te zien of de trein er al aankomt.
Het duurt niet lang of ik zie inderdaad de trein. In paniek begin ik te gillen.
Dan geef ik een harde trap tegen de deur en vliegt de deur open. Snel ren ik naar buiten en trek mijn moeder mee.
Terwijl de trein raast zie ik dat omstandigers met een hand voor hun mond ons aan kijken. Sommige kijken zelfs weg.
We rennen zo hard mogelijk richting de spoorbomen en SJOEF! De trein komt met een harde klap tegen de auto aan. Het geluid is afgrijselijk.
Verschillende mensen komen naar ons toe gelopen. Ik moet huilen. Mijn moeder staart wazig voor zich uit. Het voelt alsof een beschermengel op onze schouder zit. Het had onze dood wel kunnen zijn.
Terwijl de trein stopt zie ik verschillende mensen gillen. Iedereen staart vol ongeloof richting de auto. Als ik me omdraai schrik ik me dood. Op het treinspoor ligt allemaal bloed.
Even kijk ik of ik een schrammetje heb, maar dat is niet zo. Dan krijg ik een beangstig gevoel in mijn maag. Wie stond er op het treinspoor op het moment dat de trein aan kwam racen?

Nummer 6
‘Heeft u zelf ook nog iets opgelopen?’ vraagt de politieagent tegenover ons.
Ik schud mijn hoofd. Mijn moeder ook.
‘Nee, niks’ mompelt mijn moeder. De agent pakt zijn kladblok en begint te schrijven.
‘Lagen er nog waardevolle spullen in uw auto?’ vraagt de agent opnieuw.
Ik zie mijn moeder denken en even later schud ze haar hoofd.
‘Maar meneer, wie lag er nu onder de trein?’ vraag ik. Ik zie de agent opkijken.
‘Daar kan ik helaas nog niks nieuws over zeggen. We zijn onderzoek aan het doen’ antwoord de agent. Ik kan het gewoon niet geloven. Ik heb in totaal wel vijf keer dood kunnen zijn in een paar weken.
Ik voel dat mijn rug pijn begint te doen. Alle spanning was niet goed voor me.
‘We zullen bellen als we meer weten, oké?’
‘Ja, is goed’ antwoordt mijn moeder. We staan op en lopen richting de deur.
Ik ruik de geur van koffie als we in de hal staan. Overal lopen agenten met dossiers in hun handen en allemaal andere dingen.
Samen met mijn moeder loop ik richting de uitgang. Net als ik voorbij een hoog hangende kroonluchter ben gelopen hoor ik een klik en valt het ding naar beneden. Het boeit me echt niks meer. Het enige wat ik denken is ; Wie ligt er onder de trein? Ik hou me echt niet bezig met de agenten die om hun heen roepen en schreeuwen. Ik wil gewoon naar huis. Ik heb nu zonet mijn zesde doodervaring meegemaakt en ben er nu wel klaar mee. Ik moet het mijn moeder vertellen.

Zodra ik thuis ben plof ik op de bank. Dan gaat mijn mobiel af. Mijn mobieltje had ik tijdens de ramp in mijn broekzak zitten, dus die ben ik niet kwijt.
‘Hallo met Cat’ zeg ik.
‘Hoi Cat. Met Sas. Wat heftig wat er is gebeurd!’
‘Sas, ik vind het echt niet meer leuk. Ik ben nu echt gewoon bang. Dit is mijn zesde bijna-doodervaring!’
‘Hmm. Hier klopt echt iets niet, Cat.’ zegt ze. Dan schrik ik.
‘Sas, zou het wat te maken hebben met Rosa?’ vraag ik. Ik slik.
‘Uhm, vast niet, joh!’ is het antwoordt. Ik wil net tegen Sascha zeggen dat ik ga, als ik in eens de andere telefoon hoor gaan.
Ik loop naar de telefoon en neem op.
‘Hallo, met Cat Roosendijk’
‘Hallo, je spreekt met het politie bureau. We weten wie er onder de trein lag. Haar naam is Ingrid’ BAM! Die woorden raken mij. Ingrid?
‘Het schijnt dat jij haar kent?’ zegt de vriendelijke stem. Ik slik. Ingrid, die bitch uit mijn klas!

oeff… ben ik blij dat het goed is afgelopen met Cat en haar moeder. helaas voor Ingrid…

Omg spannend !

Wauw… :grinning: nieuwe volger!

Hoofdstuk 8
Ik kan het gewoon niet geloven. Ingrid! Natuurlijk heb ik nog niet echt veel bewijs, maar gewoon die woorden van: ’ Het schijnt dat je haar kent’ die leiden er al naar toe.
Ik slik aan de telefoon. ‘Oh, ja. Ik ken haar’ zijn de enige woorden die ik kan zeggen. Dan barst ik in een keer in tranen uit. Ingrid heeft ons proberen te redden. In een flits heb ik het niet meegekregen, dat ze ons hielp.
‘Het spijt me voor je, Cat’ hoor ik de agent zeggen. Ik hoor de agent zuchten.
‘Oke, bedankt’ zeg ik en ik leg de telefoon af.
Met veel geweld pak ik mijn telefoon en toets het nummer van Sascha in.
Tuut, tuut, tuut. ‘Hallo, met Sascha’ hoor ik. Ik begin te huilen.
‘Oh, je weet het nieuws dus al?’ vraagt ze. In haar stem klinkt een soort van verdriet.
‘Ja, ik weet het’ zeg ik. ‘Ben jij er dan niet kapot van?’
Sascha denkt na. ‘Nouja, liever zij dan jij toch?’ zegt ze.
Mijn hart staat even stil. Hoe kan ze dat nou zeggen?
‘Waarom zeg je dat?’ vraag ik. Ik zeg het volgens mij op een redelijke woedende toon.
‘Nou, het is toch zo? We hebben beiden niks met haar. Ik wil liever haar kwijt dan jou’ antwoordt Sascha. Ik kan het gewoon niet geloven. Het is niet zo erg dat ze zegt dat ze MIJ niet dood wil hebben, maar een ander de dood wel toe wensen gaat me te ver.
‘Sas, ik zeg toch ook niet als jij dood gaat tegen Sanne, liever Sascha dan jij?’
Aan de lijn is het stil. ‘Doei’ hoor ik en de lijn wordt afgebroken.
Ik staar naar voren. Was het zo erg wat ik zei?

1 Week later:
Nummer 7
De herdenking van Ingrid was zwaar. Ze is nooit mijn beste vriendin geweest, maar toch raakt het me. Was het misschien door haar dat de deur open vloog?
Dan heeft ze haar leven opgegeven voor mij!
Als ik daar aan denk ril ik een beetje. Hoelang gaat dit nu nog door? Ik ben nu bijna zes keer om het leven gekomen. Hoe vaak moet dit nog door gaan?
Zou het twintig keer zijn? Of vijftig? Dat liedje van Train, dat ik vaak luister:
50 Ways to say goodbye…

Als ik thuis kom smijt ik mijn tas op de grond en zie dat er een brief half in de brievenbus hangt. Ik pak de brief en open het. Het briefpapier lijkt op perkament en de letters zijn bloedrood. Even voel ik een rilling door mijn lijf heen. Ik durf de brief niet te lezen eigenlijk.
Maar ja, het moet. Ik plaats mijn ogen op de letters en laat ze langs de woorden glijden:
De dood komt je tegemoet
Weinig tijd, weinig tijd

Mijn hart staat stil. De hele wereld is bevroren. De dood komt me tegemoet?
Voor ik het weet zie ik in de verte een lichtflits. Het doet pijn aan mijn ogen, zo vel is het.
In het midden van de goud kleurige bol staat iemand. Een meisje.
Ik schreeuw, maar het heeft geen nut. Mijn ouders zijn niet thuis.
Als ik naar het meisje kijk zie ik dat ze iets in haar hand heeft. Het glimt en ik kan zien dat het scherp is. Een mes! Ik wil wegrennen, totdat ik in een keer iets langs mijn hoofd voel gaan. Het mes van het meisje is naast me beland.
Ik schrik en zie dat er nog meer messen op me afkomen. Ik probeer het te ontwijken. Duikend sprint ik richting de deur en leg mijn hand haastig op de knop. Het meisje staat nog steeds op dezelfde plek.
Voor ik het weet sta ik buiten. Ik haal opgelucht adem als ik zie dat de auto van mijn ouders de straat in komt rijden. Ik wil zwaaien, maar dan voel ik me licht worden in mijn hoofd. Een pijnlijke steek gaat door mijn enkel. Ik probeer nog even te kijken. Het meisje staat buiten met een mes in haar hand. Voor ik het weet lig ik op de grond.

Je schrijft zo goed!

Aaah, dankjewel!