[verhaal] 100 tinten grijs

Een jonge vrouw probeert een ongeluk te voorkomen door iemand van de weg te duwen maar wordt daarbij zelf geraakt.
Gelukkig komt ze er goed vanaf en mag na een tijdje het ziekenhuis uit.
Alleen blijkt het dat er helemaal niemand op de weg stond maar een kat. Maar eenmaal uit het ziekenhuis komt ze toevallig de vrouw tegen die ze dacht te zien. Maar er is iets vreemds aan de jonge vrouw, ze lijkt exact op iemand uit haar jeugd.
En het ongeluk krijgt toch nog een akelig staartje.
-------

De oranjeroze lucht geeft de lome en trage sfeer in de lucht. Zelfs in de schaduw is het loom. Niet dat er hier ergens schaduw is. Op elke vierkante centimeter van het dak schijnt de felle zon. Beneden rijdt ergens een auto. De zon is onverbiddelijk, de warmte is zo immens dat ik bijna het gevoel heb in mijn ligbed geduwd te worden door de stralen. Ondanks dat begint het toch steeds een beetje koeler worden. Het zal inmiddels een uur of zes zijn, over de binnenstad uitkijkend zie ik dat de terrasjes weer een beetje gevuld beginnen te raken en dat mensen weer met ijs rond lopen. Over een paar uur zal ik mij bij hun voegen. Een lichte tinteling in mijn borst ontstaat, het is zo lang geleden dat ik hier was, in deze stad. Er is veel veranderd, maar de sfeer is niks veranderd. Ook al het water is er nog, deze stad is omsingeld water. Ze heeft haar rijkdom te danken aan al dit water, oude statige gilde gebouwen, oude poortjes en overal verwijzingen naar vergane rijkdom. In deze handelsstad ligt mijn hart.
Ik ben benieuwd of alles nog is zoals het was, het stadspark, de mensen, de bruggetjes en minigrachtjes en natuurlijk de Italiaanse ijswinkel. Ik neem me voor om tijdens het hardlopen door het park te gaan. Dan kan ik meteen kijken of ik vanavond langs de ijswinkel zal gaan. Maar nu eerst de ijskoude douche waar ik naar verlang.

Terwijl ik ren neem ik alles in me op, niks denkend. Ik neem het ritmische stappen van mijn voeten waar. De rust is met mij. De lindebomen ritselen zachtjes en op e achtergrond klinken enkele zachte eendengeluiden afkomstig uit de vijver. Zelfs de kinderen zijn omgeven door de loomheid van deze zomerse namiddag. De zachtjes kletterende fontein bij de ingang is verlaten, de sporen van een oorlog liggen her en der verspreid. Kapotte ballonen, waterplassen en door hun eigenaren verlaten pistolen vormen het strijdtoneel. Langzaam roer ik met mijn hand door het koude water. Verkoeling. Langzaam glijdt het zweet over mijn voorhoofd, de plotselinge drang om mijn hoofd in het grote bassin van de fontein te steken komt boven. Waarom ook niet… Als ik om me heen kijk zie ik dat het bijna onveranderd is, de lome zomerse sfeer, de spelende kinderen en de kwakende eenden. Hoewel ik aan de overkant het oude kantoor zie, ooit was daar in dat gebouw een advocatenkantoor. Nu is het een woonhuis, hoewel de grote etalageachtige ramen nog steeds de voorgevel sieren. De rest van de straat is ook veranderd, waar het vroeger een smalle straat was is het nu een brede, stedelijke weg geworden. De halfvervallen huizen zijn nu prachtig gerestaureerd.
Zou ze hier nog steeds wonen? Zou ze nog steeds met hem wonen, heeft hij het geweten? Wat zou er van haar geworden zijn? Als ik zou willen kan ik het navragen, er is vast wel iemand die mij herinnert, in de afgelopen negen jaar ben ik weinig veranderd.
Afgekoeld wandel ik over het trottoir, alleen het klinken van glazen, het getik van bestek en gelach van mensen is hoorbaar uit enkele achtertuinen. Het enige andere persoon op straat is een jonge vrouw die het kruispunt oversteekt. Ze is ongeveer mijn leeftijd denk ik. Haar licht bruine haar valt tot net iets onder haar kaak en beweegt zachtjes heen en weer.
Nee… Ze steekt niet over, de staat daar stil, als verdoofd. Ze lijkt de wereld om zich heen niet te zien, gevangen in het moment. Er komt een auto de hoek om, zonder na te denken sprint ik op haar af en druk haar tegen de grond. Van het en op het andere moment lig ik opeens midden op straat. Het asfalt schuurt de huid van mijn benen eraf. Met een harde klap val ik op het asfalt, meer huid wordt eraf geschuurd nu ik over de ruwe weg schuur. De ijzerachtige geur dringt mijn neus binnen en ik voel het over mijn hoofd lopen. Bij het overeind komen protesteert mijn rug hevig, maar voordat ik ook maar op mijn knieën zit raakt iets me hard. De reden dat ik in de eerste plaatst de straat op was gesprint schiet me weer te binnen.
Wat is het asfalt toch warm.

Ik werd echt benieuwd door de titel, ga zo lezen :slightly_smiling_face:

Ik wil meer lezen, echt goed verhaal…

Ik raakte ook nieuwsgierig door de titel :slightly_smiling_face:
Het idee van het verhaal vind klinkt leuk/ spannend en vind ik origineel, je schrijfstijl is ook wel fijn, ik vind alleen dat je sommige woorden iets te vaak achter elkaar herhaalt.

Verder!

Een stekende pijn in mijn zij brengt me weer bij bewustzijn, nu ik erop let doet eigenlijk alles pijn, mijn hele lichaam voelt beurs en beschadigd. Zelfs achter mijn ogen doet het pijn, alsof er een klein persoontje in mijn hoofd grappig denkt te zijn door met een naald in mijn oog te prikken. Wanneer ik overeind wil komen schiet een scheut pijn door mijn rug, dan toch maar even blijven liggen op het harde asfalt. Er zit iets in mijn arm zo te voelen, vast een losgeschoten steentje, dat wordt flink wat ontsmet werk. Mijn knieën zullen vast ook wel op een biefstuk lijken door het harde schijven over de weg. Zou ze nog leven, die vrouw? Nu pas merk ik dat mijn ogen dicht zijn, als ik ze open doe is alles donker, dat komt vast door de klap. Nee. Er klopt iets niet, het asfalt is warm en zacht, zou het gesmolten zijn? Vast niet, het is niet stroperig en zo hard ben ik er nou ook weer niet overheen gegleden. Als ik het grind uit mijn arm wil halen, het begint nu echt irritant te worden, stuit ik op een vreemd object, een slangetje met daaraan een naald. Ik lig in een bed, waarschijnlijk in het ziekenhuis. Hoe kon ik ook zo naïef zijn om te denken dat het niet zou gebeuren na een aanrijding met een auto, want dat is wat gebeurd moet zijn. Een hevige vermoeidheid maakt zich van mij meester en al snel ben ik in een diepe droomloze en pijnloze slaap verzonken.

Mijn ogen branden wanneer ik ze open doe, snel knijp ik ze weer dicht. Welke randdebiel heeft mijn bed nou weer onder het raam gezet? De zon brandt inmiddels vrolijk verder, aan de geluiden om mij heen merk ik dat er mensen in de kamer zijn. Wanneer mijn ogen gewend zijn aan het licht zie ik een vrouw en een man staan, een verpleegster en een dokter gok ik. De vrouw staat er ietwat schaapachtig bij, de man kijkt me strak aan. Wanneer hij merkt dat ik hem op heb gemerkt ontspant hij en gaat weer overeind staan. Hij stelt zich voor, zijn naam is Gabriel Vriezenburg, hij heeft wel iets engelachtigs met die sneeuwwitte jas, ik vraag me af wat voor boodschappen hij me zal gaan brengen, hopelijk niet dat ik zwanger ben, dat zou wel erg cliché zijn. Maar aan de ernstige blik te zien is het geen tijd voor grappen. Ik zie dat mijn been in het gips zit, samen met nog wat andere lichaamsdelen, verband is ook op veel plaatsen te voelen. Langzaam komt alles weer boven, het ongeluk, de auto en de vrouw. Ik leef nog. Als zij het ook nog doet is het het waard geweest.

Verder :open_mouth:

Ik mag van mezelf pas verder wanneer ik geleerd heb :’'D

Hij vraagt me of ik weet waarom ik hier ben. Ik antwoord hem dat ik een auto-ongeluk had. Hij knikt en vraagt mij of ik nog weet hoe ik het ongeluk gebeurde. Als ik antwoord dat ik probeerde een vrouw te redden die op de weg stond kijkt hij me vreemd aan. Hij vraagt me om nog eens goed na te denken, of ik het wel zeker weet, en of ik anders de vrouw zou kunnen omschrijven. Ik vertel hem dat ze bruin haar had, ongeveer kaaklengte, een diepgroene jurk en was redelijk slank, ik gokte haar op ongeveer mijn leeftijd, een jaar of 24 en rond de 1.70 schat ik zo in.
Hij kijkt me verbaast aan, “Geen herinnering aan dieren, of één bepaald dier in bijzonder?” , dieren… “Alleen de eenden in het park toen ik aan het hardlopen was, verder niks bijzonders. Er liep misschien nog ergens een hond op straat, maar verder heb ik geen herinneringen.”

Ik ben ziek D: