Una ricera rosso sangue, een bloedrode zoektocht

Hoi allemaal,
ik heb getwijfeld of ik dit zou posten maar het idee en verhaal spookte al zo lang rond dat ik het nu toch ga doen. Het is mijn eerste verhaal waar ik serieus mee aan de slag ben gegaan, dus tips zijn altijd welkom.

Proloog
Het dorp is stil en de maan aait teder met haar stralen het dorp, haar huizen, mensen en parken.
Iedereen ligt in een vredige slaap, op één man na. Het beeldlicht van zijn computer schijnt op zijn paar dagen oude stoppelbaard, wallen en warrige haar. Alles aan hem en zijn omgeving oogt vermoeid en vuil, zijn kamer: overal lege koffiekoppen, borden en etensresten. De man beweegt op eens, rukt verbazend wekkend snel de stekker van de computer uit het stopcontact en pakt pen en papier. Bij het maanlicht begint hij verward te schrijven…

Daar stond ze dan een dame met een leeftijd van 17/18. Lang donker rood haar. Als een rode waterval valt het op haar schouders, een bloederige waterval. Een lichte porseleinen huid, donkere jeans en een leren jack. Op haar haar na is er niks vreemds aan haar, maar iets bezorgd mij rillingen.
Zegt dat ik hier weg moet, maar het lukt niet ze houd me op mijn plaats. Ik kan hier niet weg, ik kan hier nooit meer weg. Nooit meer.

…en te krassen. Hij krast zijn schrijfwerk door en daarmee ook zijn trachten.
Moedeloos kijkt hij naar de maan die hem rustig aan kijkt als een moeder, “Wat moet er van mij worden”, zucht hij zacht.

Wat de man echter niet weet is dat in dit maanlicht op deze ene nacht niet zomaar maanlicht is. En in dit rode licht komt de vrouw in het verhaal tot leven.

Ik ben heel benieuwd naar meer!

1
Wat moet ervan mij worden? Een half beschreven persoon, in een half verhaal wat nooit een eind zal krijgen. Een persoon met een beschreven uiterlijk, maar geen karakter, dat ben ik. Overal is wit, de bladzijdes komen op mij af. Ik zit in een groot leeg boek. Ik moet hier weg, maar zodra ik begin te lopen gaan de bladzijdes mee en blader ik door een witte wereld. Ik ga zitten op de witte vloer. Het is niet koud of warm niet fijn of naar. Het is hier niks, ik ben niks. Wie ben ik, want als ik niks was was ik nu opgelost en onderdeel van de witte bladzijdes, maar mijn rode bloederige lokken vallen over mijn schouders, ze zijn alles behalve wit. Stond ik op het punt iemand te vermoorden, of… Hier zal ik de antwoorden niet vinden. Ik schijf naar achter en ram met mijn rug tegen het immense boek aan. Tot mijn schrik kukkel ik naar achter en kom met mijn rug op de rand van het boek. Een brandende scheut gaat door mijn rug maar ik krabbel nieuwsgierig op. De ruimte is nog steeds onophoudend wit maar achter het om gevallen boek is een gat. Behoedzaam maar uiterst nieuwsgierig sluip ik dichter bij. Tot mijn vreugde is het een poort. Een vurig licht komt uit de poort, ik twijfel maar weet dat alles beter is dan deze niks ruimte, heel voorzichtig steek ik mijn hand erdoor, het is warm en het kietelt. Mijn schouders worden de poort door getrokken en mijn nek volgt en langzaam steek ik mijn hoofd door de poort. Het is oranje en warm om mij heen, als of ik in een drakenvlam zit. Vonkjes springen rond en langzaam word alles steeds duidelijker om mij heen. Ik lig in de zon op een hobbelig pad omringd door kale bomen. Achter mij staat de vurige poort open maar langzaam krimpt hij en sluit. Ik kom overeind en de zon verdwijnt onder de bomen. De takken van de bomen zijn vervlochten tot een ondoordringbaar dak. Ze vormen een soort tunnel waar van het eind niet zichtbaar is. Voorzichtig zet ik de eerste paar stappen, de bladeren knerpen onder mijn voeten en de wind ritselt door de takken en mijn haren. Het word steeds donkerder maar het pad blijft zichtbaar als een hobbelige smalle slang. Ik loop voort en ik begin te rennen, ik wil weten wat er aan het eind is. Ik ren, gedreven door mijn nieuwsgierigheid. Maar de lucht om mij heen word steeds donkerder en ik begin te struikelen, mijn longen branden en ik moet mijn nieuwsgierigheid bedwingen. Ik moet wachten tot het licht zal worden, want ik wil niet terug naar de witte pagina’s. Een grote boom met een gat erin lijkt een me een mooie plek. Ik klauter in het gat en ga zitten. Kippenvel verspreid zich over mijn lichaam en het word steeds maar kouder. Na een hele poos stort ik uiteindelijk in slaap.

Heb je de tekst per ongeluk iets te klein gedaan?

Leuke schrijfstijl heb je trouwens :slightly_smiling_face: