Uitleg 1e, 3e 4e naamval?

Hoe zit het met de der- en de eingruppe
en de uitgangen?:slightly_smiling_face:

Buh dit heb ik 2 jaar geleden gehad ben het vergeten :’) .
Haha, ik moet het zelf ook even opfrissen aangezien ik dit jaar mijn examen inga.

1e naamval is met onderwerp, 4e is geloof ik als er een plaats in de zin staat en de 3e met meewerkend voorwerp? haha ik weet niet precies meer, misschien even googlen?

Je kunt het trouwens ook zien aan bepaalde woorden, zoals

aus, bei, mit, nach, seit, von en zu.

Hinten, neben, unter, vor, zwischen etc. Als je dan die woorden in de zin ziet staan, weet je al meteen welke naamval je moet toepassen.

Ik weet alleen niet precies welke woorden er bij de Akkusativ en welke bij de Dativ horen, sorry!

De 1e naamval is gewoon als het het onderwerp in een zin is.
bijv. De man kijkt naar links, dan is de man 1e naamval.

De 3e naamval is het meewerkend voorwerp.of als er voor het zelfst. nw. mit, zu, an, bei vor etc. (heb je vast wel een rijtje van) voor staat
bijv. De man geeft een cadeau aan het kind, kind is 3e naamval,

De 4e naamval is het lijdend voorwerp
bijv. de man geeft een cadeau, cadeau is 4e naamval

Als je weet wat voor naamval het is moet je in zo’n schema kijken wat het dan wordt in die naamval
bijv. mannelijk enkelvoud is in de derde naamval dem

… als ik dit lees is dit best wel vaag, hoop dat je er iets aan hebt…

Supper bedankt!

@boven, is heel duidelijk, dankjee:D

an, auf, mit, nach, zeit, von, zu, zuwieder, gegen, auser, aus
Dat zijn de woordjes van de dritte fall.