[True story] My life.

Hello.

Dit verhaal staat al even op girlscene, maar ik heb een tijdje niet geschreven en wil dit graag weer oppakken. Daarom post ik de hoofdstukken die al op girlscene staan direct in één keer.
Dit verhaal is waargebeurd en beheerste een groot deel van mijn leven. Op deze manier wil ik proberen dit helemaal achter me te laten. Ik heb wel de namen aangepast om de mensen in mijn omgeving te beschermen.

Graag wil ik tips en kritiek, maar ook upjes zijn zeer welkom. Dus laat even weten wat je ervan vindt.

*het andere topic laat ik verwijderen.*

Hoofdstuk 1.
Ik hoorde voetstappen de trap op komen en ik dook nog verder weg, ik wilde niet dat hij me hier zou vinden. Dan zou hij weten waar ik al die tijd had gezeten als hij me zocht en me weer eens niet kon vinden. Hij, mijn vader. Die mij als de grootste mislukking in zijn leven zag, terwijl ik me van geen kwaad bewust was.
De voetstappen kwamen dichterbij en mijn adem stokte in mijn keel.
Ik was bang, ontzettend bang. Wat zou hij nu weer met me van plan zijn? Zou hij alleen tegen me schreeuwen of zou hij mijn spullen opnieuw kapot gooien? Zou hij mij vertellen wat ik allemaal fout deed of zou hij mij het liefst zo snel mogelijk pijn willen doen?
Lang kon ik er niet over nadenken, want de voetstappen werden alsmaar luider en ik wist zeker dat ik zo ontdekt zou worden. Snel pakte ik een deken waar ik onder kroop, ik deed alles om te zorgen dat hij me niet zou vinden. Ik zat ineen gedoken tegen een stoffige kast onder een oud stinkend deken, wat ik er allemaal wel niet voor over had. Iedereen zou mij voor gek verklaren, maar niemand wist wat er was gebeurd, niemand wist wat ik meemaakte.
De deur schoof langzaam open en er kwam iemand binnen. Veel kon ik niet zien, maar ik had een gat in het deken gevonden waar ik doorheen kon kijken, zodat ik net kon zien wat er gebeurde. Met een wilde ruk werd het deken van mij afgetrokken, ik dacht dat ik eraan zou gaan. Mijn laatste minuten waren bijna voorbij.
Maar tot mijn grote verbazing stond daar niet mijn vader die mij woest aankeek, maar Jordy, mijn vriendje. Ik keek hem angstig aan, mijn ogen waren rood en opgezwollen van het huilen, ik beefde als een rietje en mijn mascara was ontzettend uitgelopen.
Ik was blij dat hij er was, hij liet mij wel mezelf zijn. Hij kwam naast me zitten en ik kroop dicht tegen hem aan, bij hem was ik veilig, voor hoever dat mogelijk was.

Hoofdstuk 2.
‘Lois, kom je eten?’ riep mijn moeder van beneden. ‘Nee, ik heb nog steeds buikpijn’ antwoordde ik. Opnieuw sloot ik mijn ogen. Ik wilde helemaal niet gaan eten, ik vond het daar beneden vervelend.
‘Is het toch niet slim om iets te gaan eten, liefje?’ vroeg Jordy toen.
Ik wilde hem vertellen wat er gebeurd was, hoewel hij waarschijnlijk al wist wat er aan de hand was. Toch wilde ik er graag met iemand over praten, dus ik begon mijn verhaal. ‘Vanochtend had ik buikpijn want ik had eigenlijk een presentatie vandaag, maar dan word ik weer uitgelachen en gepest. Je weet dat ik me dan altijd veel te druk maak en er gewoon ziek van word. Ik zit ook weer helemaal onder de uitslag.’ Ik stroopte mijn mouw op en liet hem mijn arm zien. Hij wreef er zachtjes over. ‘Waar maak je je dan zo druk om? Je bent niet minder als de rest, je bent hartstikke mooi en lief, maar ik snap dat je zo’n gevoel krijgt als er iemand is die je dat constant aanpraat.’ Ik wilde hem geloven, maar ik kon het gewoon niet. Volgende keer zou ik toch weer ziek in bed liggen van de zenuwen.
Stress is ook niet bepaald goed voor mijn lichaam, omdat ik eczeem heb zit ik dan helemaal onder de uitslag.
Ik vertelde verder. ‘Mijn vader was naar boven gekomen omdat hij vond dat ik toch maar naar school moest gaan, ik begon te huilen omdat ik er gewoon niet naartoe wilde. Daardoor werd hij boos, hij vond dat ik me niet zo aan moest stellen en het maar moest proberen. Toen heb ik besloten in bed te blijven liggen.’
Jordy sloeg een arm om mijn schouder en liet me rustig mijn verhaal doen, al kon hij er ook niet heel veel aan veranderen. Het deed hem ook niet goed om zijn vriendinnetje zo te zien. ‘Toen hij merkte dat ik niet beneden kwam, stormde hij kwaad de trap op. Hij stond naast mijn bed te tieren terwijl grote klodders speeksel op mijn dekbed belandden. Op het moment dat ik mezelf wilde verstoppen onder mijn dekbed van angst, pakte hij de dichtstbijzijnde dingen die hij kon grijpen en gooide deze naar mijn hoofd. Deze keer waren het DVD’s, dus het had erger gekund. Voordat hij de kamer uitliep pakte hij mijn ventilator op en smeet deze door de kamer, hij sloeg tegen de muur en er vlogen verschillende stukken af.’
Jordy wist dat mijn vader vreselijk tekeer kon gaan, maar dit had hij niet verwacht. Hij vroeg zich nu toch wel af hoe het verder ging, dus ik besloot mijn verhaal af te maken. ‘Ik heb mijn kleding aangetrokken, ben naar beneden gestormd en heb de deur achter me dichtgetrokken. Op mijn fiets ben ik de straat uitgereden en ben naar het bos gegaan. Daar besloot ik te wachten. Te wachten tot mijn moeder thuis zou komen van haar werk. Als zij er zou zijn was ik veilig. Dan durfde hij niks meer. Mijn moeder zou om twaalf uur thuiskomen, dus heb ik het zekere voor het onzekere genomen en ben om kwart over twaalf naar huis gefietst. Ik kwam binnen, maar zag dat mijn moeder helemaal nog niet thuis was. Die griezel dekte de tafel, voor zover je het tafeldekken kon noemen. Hij smeet de borden van de ene kant van de kamer naar de andere. Daarom ben ik snel naar boven gevlucht. Ondertussen hoorde ik hem alweer tegen me schreeuwen en schelden. Dat is dus de reden dat ik me hier achter het schot heb verstopt, hij weet niet dat ik hier wel eens zit en heeft me hier ook nog nooit gevonden.’ Dat laatste hoefde ik niet te vertellen, want Jordy wist wel dat ik hier wel eens kwam, hij had me al eens vaker gevonden als er weer iets was gebeurd.
Hij hield me stevig vast en gaf me een zachte kus op mijn voorhoofd, ‘je bent mooi, schatje. Niet opgeven. Ik zal je helpen. Ik beloof het.’

Hoofdstuk 3.
De gebouwen flitsten voorbij. Het was een donkere dag en de regen tikte tegen de ruiten. Ik staarde naar buiten terwijl ik mezelf verloor in de muziek die door mijn oordopjes klonk.
Niemand weet waarom jij de enige bent die ik vertrouw, maar ik weet dat ik van je hou.
Ik houd van hem, dat is zeker. Maar soms is het zo moeilijk. Houd ik van hem omdat het écht zo is of doe ik dit omdat ik weet dat hij me nooit iets zal aandoen, dat hij er wel altijd voor me zal zijn? Zoek ik inderdaad zekerheid? Maar hoeveel zekerheid heb ik nou daadwerkelijk op deze leeftijd. Ik ben nog hartstikke jong, hij is mijn eerste vriendje en eigenlijk vinden mijn ouders mij ook nog niet volwassen genoeg. Ze vinden het niet verantwoord om een dertienjarige bijna een uur alleen met de trein te laten reizen. Dat is niet een hele vreemde reactie, maar ik had het liever iets makkelijker gezien. Waarom deed mijn vader zo moeilijk als hij me toch niet mocht, wat kon hem het schelen als ik…

‘Metrostation Slinge, Metrostation Slinge.’

Ik schrok op. Snel stopte ik mijn gedachten weg. Hoe kan ik nou zo over iemand denken die alles voor mij is? Als hij er niet is, lijkt het wel of ik iemand anders ben. Niets of niemand kan me dan nog schelen.
Nog maar twee haltes en dan ben ik er al. Kan ik fijn weer gaan praten over mijn gevoelens. Nouja, dat zijn niet de juiste woorden, ik kan namelijk niet praten over mijn gevoelens. Niet met mensen die denken alles te weten, terwijl ze het zelf niet eens meegemaakt hebben. Ze denken te weten hoe ik me zou voelen, omdat ze ervoor gestudeerd hebben of zoiets. Maar wat ik mee maak valt niet te leren uit een boekje, daar is wel meer voor nodig.
Ik kijk op mijn telefoon, kwart voor twee. Ik heb pas om twee uur een afspraak. Ik zet mijn MP3-speler harder en besluit nog even een rondje te lopen voordat ik naar binnen ga.

Hoofdstuk 4.
De deur werd geopend en ik stapte naar binnen. Aan de andere kant stond een lange man van rond de vijfentwintig jaar. Hij had blond haar en blauwe ogen, maar er was iets aan hem. Ik kon me zo snel niet bedenken wat, maar hij was anders. ‘Lois, kom binnen,’ zei hij vriendelijk. ‘Ik ben Stefan.’ Hij stak zijn hand uit en ik besloot het toch maar te accepteren, ik schudde zijn hand en liep naar binnen. ‘Jij staat onder behandeling bij Robin,’ begon hij, ‘maar zij kon vandaag niet aanwezig zijn en heeft mij gevraagd deze keer van haar over te nemen, omdat ik me op andere dingen richt als dat zij doet.’
Ik besloot er verder niet teveel bij na te denken, vond het alleen ontzettend vervelend dat er weer iemand anders was die dacht dat hij mij kon helpen. Ik werd aan tafel geplaatst en kreeg een vragenlijst onder mijn neus geschoven. Er stonden verschillende dingen op, dingen waar ik geen antwoord op zou willen geven, want ik stond niet open voor hulp, het zou toch alleen maar erger worden. Ik kon alles zo ver mogelijk weg stoppen en niemand kon zien wie ik echt was, diep van binnen. Niemand wist het. Behalve Jordy, hij was niet zoals de rest. Ik las snel de vragenlijst door. Hoe zou je jezelf omschrijven? Ben je gelukkig? Hoe zie je je leven over 10 jaar?
Na deze vraag besloot ik te stoppen, over tien jaar? Wat dachten ze wel niet? Dat ik deze onzin nog tien jaar zou volhouden? Duidelijk dat deze mensen niet weten wat er aan de hand is. ‘Ik maak dit niet,’ zei ik vastberaden. ‘Je maakt dit niet? Maar hoe kunnen wij je dan helpen?’ ‘Helpen? Jullie? Mij? Jullie kunnen mij niet helpen! Niemand kan mij helpen! Het maakt me niet uit wat jullie allemaal denken, het was ontzettend gezellig maar ik ga nu naar huis. Doei!’ Ik liep richting de deuropening en stapte naar buiten. Ik trok de deur achter me dicht. Het maakte me niet meer uit of ze dit leuk zouden vinden of niet. Ze probeerden het allemaal maar erger te maken.
Ik liep in de richting waar ik vandaan kwam, maar al snel versnelde ik, hij kon natuurlijk altijd nog achter me aan komen en me terughalen. Na vijf minuten stopte ik met rennen, ik wist dat ik veilig was en hij me niet meer kon vinden.
‘Meisje, wat is er aan de hand?’ Ik voelde een hand op mijn schouder en ik versteende direct. Ik draaide me om en wist niet wat ik zag. Achter me stond een dun meisje met lang rood haar, ze had geen make-up op en zat onder de rode vlekken. Ze droeg slordige kleding en had een rugtas bij zich. Waarom is zij benieuwd naar wat er met mij aan de hand is als ze er zelf uitziet alsof ze uit een concentratiekamp ontsnapt is?

Hoofdstuk 5.
Ik rukte me los en keek haar boos aan. ‘Bemoei je met je eigen zaken, misschien is dat maar beter voor je, kijk hoe je eruit ziet!’ Ik liep weg. Hier had ik helemaal geen zin in. Mijn eigen leven was al erg genoeg en als ik keek hoe zij eruit zag wist ik al dat ik haar niet moest kennen, ik kon er niet nog meer bij hebben.
Op het moment dat ik naar huis liep hoorde ik een stem die mijn naam riep. Ik besloot niet om te kijken, ik deed net of ik het niet gehoord had. Helaas werkte dat niet voor lang, want na tien stappen stond deze persoon naast mij. Het bleek mijn beste vriendin, Sharon. ‘Hey, vind je het erg dat ik je vanavond even bel? Ik voel me niet zo fijn nu dus ik wil het liefst naar bed,’ vertelde ik haar. Gelukkig vond ze dit geen probleem en ik vervolgde mijn weg naar huis.
Ik snelde naar mijn kamer en drukte mijn computer aan, waarom ik dat deed wist ik niet, want zoveel had ik daar niet te zoeken. Vrienden had ik bijna niet en het was nog vroeg. Jordy zat nog op school en eigenlijk had ik niet veel zin om met andere mensen te praten. Ik zette mijn muziek aan en voor ik het wist rolden dikke tranen over mijn wangen, ik was zo ongelukkig. Dit kon niet goed zijn voor een meisje, vooral niet op zo’n jonge leeftijd. Toen ik voor de spiegel stond besloot ik dat ik ook wel eens wat verdiend had. Ik mocht mezelf toch ook wel eens een cadeautje geven?
Voor ik het wist stond ik in de slaapkamer van mijn ouders, ik wist dat mijn vader ergens een grote bak met kleingeld had staan dus ik begon te zoeken. Onder het bed. In de kledingkast. Tussen het beddengoed. Achter zijn overhemden… Hebbes!
Ik haalde de bak eruit en keek erin, hij stroomde bijna over van de hoeveelheid kleingeld die erin zat. Waarom kon hij mij niet gewoon twee euro zakgeld geven? Dat zou hij vast niet missen en dan hoefde ik dit niet te doen. Ik haalde er twee euro uit en toen nog twee. Dit viel niet op. Opnieuw haalde ik er een muntje uit, net zolang tot ik veertien euro in mijn handen had. Ik zette de bak terug en liep de slaapkamer uit. Op dat moment kwam mijn vader de trap op. ‘Wat deed jij in mijn slaapkamer?’ vroeg hij boos.

Hoofdstuk 6.
‘Oh, ik zocht een shirtje,’ stamelde ik. ‘En heb je die daar gevonden?’ vroeg hij al iets kalmer. ‘Nee, ik denk dat hij nog in de wasmachine zit.’ Ik liep naar beneden en deed alsof ik in de wasmachine keek. Opnieuw kwam hij me achterna. ‘Ja, hier is hij! Maar ik ga even met Sharon naar buiten.’ Snel sloot ik de achterdeur en pakte mijn fiets. Toch handig op sommige momenten, een wasmachine in de keuken, dacht ik.
Toen ik de hoek om gefietst was belde ik Sharon. ‘Kan ik naar je toekomen? Ik wil naar het dorp.’ ‘Ja natuurlijk, kom maar langs,’ was haar antwoord. Gelukkig!
We liepen samen de snackbar binnen en bestelde een patatje. Eindelijk kon ik zelf eens wat voor iemand anders betalen. We praatten over wat er die dag gebeurd was. Ze vroeg of ze bij me mocht slapen, het was immers al vrijdag en eigenlijk vond ik dat wel fijn. Ik wist dat mijn vader niets zou doen als er iemand anders bij zou zijn. Zo gemeen was hij wel.
Ik pakte mijn mobieltje uit mijn zak en belde mijn moeder. ‘Mag Sharon blijven slapen vanavond?’ vroeg ik voorzichtig. ‘Ja hoor, als je wel even je kamer opruimt.’ Dat had ik er wel voor over. Samen gingen we naar huis en ik stopte snel wat kleding in de was. De rest van de rotzooi stopte ik onderin mijn kast.
Mijn telefoon ging, ik had een SMS. Van Jordy. Ik opende hem.
Schatje. Hoe gaat het met je? Mag ik vanavond misschien bij je blijven slapen? Kusje.
Zou mijn moeder daar blij mee zijn? Waarschijnlijk niet. Ik SMS’te terug dat Sharon ook zou blijven slapen, maar daar had hij geen problemen mee. Toen mijn moeder binnenstapte vloog ik de trap af, zodat ik het nog kon vragen voordat ze de woonkamer binnenliep en mijn vader ook kon meegenieten. Ik kreeg een ander antwoord als dat ik had gedacht. ‘Maar je kunt toch nooit met zijn drieën op jouw kamer slapen? Je bent trouwens ook pas dertien en hebt pas drie maanden verkering. Ik ben er niet zo blij mee.’ Ja, wat moest ik daar nu weer op zeggen? ‘En als Sharon en ik op de voorzolder slapen op twee matrassen en Jordy in mijn bed?’ ‘Als je niet stiekem heel de nacht bij hem in bed gaat liggen, dan mag het. Voor deze keer.’ Ik wist dat ze dit zei omdat Sharon er ook was, maar ik wilde er niet te lang over nadenken. Ik was ontzettend blij!
’s Avonds haalden we Jordy van het station. Ik mocht wel met de metro ’s avonds als er iemand anders bij was. Ook al waren we maar samen. Het was al laat toen we weer thuis kwamen. We besloten nog even tv te kijken en dan te gaan slapen.
Zoals beloofd lagen wij op de voorzolder en Jordy in mijn slaapkamer. We hoorden mijn ouders naar bed gaan en niet veel later lag Sharon ook te slapen. Ik kon niet zo makkelijk slapen, ik vond het veel te spannend dat Jordy voor het eerst mocht blijven slapen.
Een paar minuten later ging mijn slaapkamerdeur open en Jordy vroeg zachtjes of hij naast me mocht komen liggen. Dat vond ik geen probleem. Vanaf dat moment ging alles heel snel. We lagen dicht tegen elkaar en vergaten alles om ons heen. We genoten zo van elkaar. Voor even hoefde ik niet te denken aan alles wat ik meemaakte. Voor ik het wist lagen we beide in ons ondergoed en streelden we elkaar overal. Ik vond het best eng, want ik had nog nooit zoiets met een jongen gedaan. Misschien deed ik het wel helemaal niet goed, of vond hij het niet lekker. Of deed het zelfs pijn. Gelukkig was Jordy heel lief voor me en dwong me nergens toe. Ik voelde me op mijn gemak bij hem.
We hoorden beneden een deur opengaan en besloten te stoppen. Er ging iemand naar het toilet. We hielden ons doodstil, ze zouden me vermoorden als ze wisten wat ik deed.
Toen het rustig was zijn we samen de slaapkamer in gegaan en hebben daar nog een tijdje liggen knuffelen, zoenen en strelen. ‘Ik voel me echt fijn bij je, wil je me alsjeblieft niet alleen laten?’ vroeg ik hem. Hij hield me stevig vast en vertelde me dat hij nooit dingen zou doen die ik niet zou willen, dat hij me zou helpen en natuurlijk bij me zou blijven. Hij gaf me nog een kus en voor ik het wist was ik in zijn armen in slaap gevallen.

Hoofdstuk 7.
‘Lois, Jordy, jullie moeten komen kijken wat ik gevonden heb!’ riep mijn broertje terwijl hij de trap op kwam rennen. ‘Jordy is al naar huis, maar ik wil wel even bij je komen kijken.’ Ik liep achter Dion aan. Hij kwam mij nooit iets laten zien, waarom dan nu wel? Hij rende zijn slaapkamer in en ik liep hem achterna. Op het moment dat ik zijn tv zag, werden mijn ogen groter en viel mijn mond open. ‘Kijk wat die mevrouwen doen! En ze maken zo’n gek geluid.’ Ik zag drie vrouwen die gehurkt tegenover elkaar zaten, ze kreunden hard en keken naar elkaar alsof ze elkaar op wilden eten. Ze kwijlden en betastten elkaar overal. ‘Oh, ehh… hoe kom je hieraan?’ vroeg ik hem. Hij rende voor me uit naar de kamer van mijn ouders, trok een kastje open en haalde er een DVD uit. Hij duwde hem in mijn handen. Ik wist niet wat ik zag. Keek mijn vader porno? Waarom? Was mijn moeder niet goed genoeg voor hem?
Dion was pas acht jaar, hij hoorde hier helemaal niet naar te kijken. Ik stopte de DVD terug in de kast en deed het deurtje dicht. ‘Waarom doen die mevrouwen dat?’ vroeg hij. ‘Dat leg ik je later nog wel uit,’ en ik duwde hem de kamer uit.
‘Dion, ga je mee? Je moet naar school!’ riep mijn opa van beneden. ‘Bah, moet ik weer bij die stinkvent in de auto zitten. Altijd als ik uitstap moet ik bijna overgeven.’ ‘Het komt wel goed, opa kan er ook niets aan doen.’ Ik gaf hem een knuffel en wenste hem succes op school. Hij was zich natuurlijk van geen kwaad bewust. Hij kon dit nog helemaal niet begrijpen.
Ik plofte op bed. Eigenlijk vond ik het best zielig voor mijn opa. Vijf jaar geleden was mijn oma overleden. Ze had galstenen en we hebben geen afscheid van haar kunnen nemen. Het was zo plotseling. Mijn moeder heeft altijd beloofd voor mijn opa te zorgen en dat doet ze. We zorgen dat hij tweemaal per dag te eten krijgt en helpen hem als hij iets nodig heeft. Hij kan niet goed meer lopen. Zijn gewrichten zijn nou eenmaal niet meer als die van iemand van twintig.
Dion had wel gelijk, hij stinkt echt. Misschien maakt het hem niet zoveel uit, of doet hij alsof het wel meevalt, maar zelf moet hij het toch ook merken? Hij heeft geen controle meer over zijn blaas, vertelde mijn moeder me toen ik ernaar vroeg. Hij schaamt zich ervoor, daarom wil hij er niets over weten. Hij probeert het zo lang mogelijk uit te stellen. Maar voor hoelang kan hij dat nog? Het is denk ik geen fijn gevoel om telkens met een natte broek te zitten.
Toch is het mijn opa en geef ik veel om hem. Hij heeft me opgevangen toen mijn ouders moesten werken. Voor mij betekend hij meer dan mijn eigen vader. Ik houd van mijn opa. Ontzettend veel.

Hoofdstuk 8.
Ik keek op mijn mobiel. 6:30. Ik zat rechtop in bed. Een doffe klap had me wakker gemaakt. Ik kon niet thuisbrengen waar het vandaan kwam, het klonk niet bekend. Het enige wat ik wist, was dat ik niet lekker sliep. Ik voelde me niet veilig meer. Niet hier.
Slapen lukte niet meer, dus stapte ik uit bed. Ik besloot beneden te gaan kijken, misschien was er wel iets gevallen wat die klap had veroorzaakt.
In een veel te groot shirt liep ik de trap af. Mijn voeten raakten de koude plavuizen. Koud en… nat? Wat was hier gebeurd? Ik probeerde de plas te ontwijken. Langzaam tastte ik de koude stukken steen af, tot ik wist dat het veilig was om daar mijn voeten neer te zetten. Ik nam een grote stap en stond toen op het vloerkleed in de woonkamer. Er was niemand te bekennen. Ook was er niets te vinden wat deze plas kon verklaren.
Ik haalde een handdoek uit de keuken en legde deze op de natte plek. Ik liet het intrekken en tilde toen de natte handdoek op. Het rook niet vreemd. Eigenlijk zat er helemaal geen geur aan. Gewoon water dus. Ik wierp hem in de wasmand en zette een bak koffie. Ik hield niet van koffie, maar wist dat ik het nodig had als ik slecht had geslapen. Een grote plons melk belandde in de zwarte vloeistof, gevolgd door drie grote scheppen suiker.
Eenmaal op de bank trok ik mijn benen dicht tegen me aan en nam een grote slok. Toen ik de kamer goed in me opgenomen had, kwam ik tot de conclusie dat mijn vader aan het werken was. Zijn tas was weg en ook zijn jas hing niet over de stoel, terwijl deze hier normaal wel hing. We hadden wel een kapstok, maar hij gebruikte hem niet. Waarom zou hij? Het was veel makkelijker je jas neer te gooien op de dichtstbijzijnde stoel.
Het was een troep, een grote puinhoop. Overal lagen bonnetjes en papiertjes. Hij gooide overal alles neer. Mijn moeder mocht niet meer opruimen, dan kon hij niets meer terugvinden had hij eens gezegd. Normaal zat hij hier. Alleen. Niemand anders. Meer ruimte was er ook eigenlijk niet. Hij leek wel de koning op de bank. Wat zou er gebeuren als ik al zijn papieren door elkaar zou gooien en van de bank zou laten glijden? Ik dacht er over na, maar stiekem durfde ik dat toch niet.
Hij had een taxibedrijf. Daarom was hij eigenlijk altijd aan het werken. Meestal was hij thuis, dan kwamen er chauffeurs langs die allemaal koffie moesten hebben. En ik moest dan van boven komen om dat te maken. Dat zou hij toch zeker zelf niet doen? Nee, dat hoorde niet. Iemand die heel de dag aan het werken was hoefde dat niet. Die mocht commanderen. Die mocht alles van iedereen vragen zonder ook maar één vinger uit te steken.
Ik vond het fijn als hij niet thuis was. Dan kon hij me niet dwingen om naar school te gaan. Ik vond school niet erg, want ik kon goed leren. Alleen door de situatie lukte het gewoon niet. Ik kon me niet concentreren. Als iemand me dwong iets te doen, wilde ik het juist niet.
Wegblijven van school was geen goede oplossing, dat wist ik zelf ook wel. Er werd nu geen druk achter gezet, dus kon ik rustig nadenken. Ik besloot het te gaan proberen. Het was nog vroeg dus ik had tijd genoeg om mezelf en mijn tas in orde te maken. Zou hij trots op me zijn als hij ziet dat ik het heus wel wil proberen? ‘Ik ga ervoor!’ zei ik hardop tegen mezelf. ‘Maar als ze vervelend of gemeen doen, dan zal ik ze eens laten zien wie ik ben. Ik kan heus wel voor mezelf opkomen.’
Met opgeheven hoofd liep ik naar mijn slaapkamer. ‘Ik mag er ook zijn.’ Ik probeerde mezelf moed in te spreken, omdat ik wist dat het een grote stap voor me zou zijn. Ik was immers al twee weken niet op school geweest.

Hoofdstuk 9.
Ik stapte de deur uit en bekeek mezelf nog eenmaal vluchtig in de ruit. Voor het eerst vond ik dat ik er mooi uitzag, althans, mooi? Nee, mooi kon ik het niet noemen. Redelijk. Dat was een beter woord. Ik vond mezelf niet mooi en dat zou ik ook niet gaan vinden. Toch heb ik mijn best gedaan om er beter als normaal uit te zien. Mijn haren waren gekruld, ik had make-up op en leuke kleding aan. Het nieuwe shirtje wat ik uit de kast had gepakt paste perfect bij mijn spijkerbroek. Er zaten wel wat kreukels in, omdat ik hem achterin de kast had gepropt. Wat had ik moeten zeggen als ze vroegen hoe ik eraan kwam? Gelukkig was er niemand toen ik de deur uitging. Als ze er vanmiddag achter zouden komen kon ik altijd nog zeggen dat ik die gekregen had.
Mijn vader zou het niet opvallen, hij wist niet eens wanneer ik jarig was. Dat heb ik ondertussen geaccepteerd, maar vroeger heb ik dat heel moeilijk gevonden. Hoe kon je nu de verjaardag van je eigen kind vergeten?
Ruim voordat de eerste bel ging was ik op school. Ik besloot van de gelegenheid gebruik te maken en zocht de leraar op. Zo wist er in ieder geval iemand wat er aan de hand was en waarom ik niet op school ben geweest. Ik vertelde dat ik een astma-aanval had en dat het heel slecht met me ging. Natuurlijk was dit niet zo, maar ik kon de waarheid niet vertellen. Ik wilde niet nog meer gesprekken met mensen die nergens vanaf wiste. Mijn astma was op zulke momenten een makkelijk excuus.
De bel ging en mijn klasgenoten kwamen langzaam binnen lopen. Ze keken naar me. De meeste zeiden niks. Een enkeling kon het niet laten er toch een opmerking uit te gooien. ‘Welke bank heb jij beroofd?’ ‘Wat is er met jou gebeurd? Je ziet er ineens zo anders uit.’ ‘Heb je in je bed gepist?’
Ik voelde mezelf kleiner worden, maar bedacht me toen weer wat ik zou doen als dit zo gebeuren.
‘Bemoei je lekker met je eigen zaken en laat mij met rust. Als jij een perfect leventje hebt, kom je maar terug!’ Het was direct stil. Had ik dit echt gezegd? Wat was er met me gebeurd? Normaal gesproken had ik zoiets nooit gedurfd. Was dit wel slim? Zouden ze nu niet juist nog gemener gaan doen?
De rest van het uur werd ik met rust gelaten. Gelukkig.
Ik haatte de pauzes. Er was niemand die me in de gaten hield dus hadden ze vrij spel. Ze konden alles doen om me kapot te maken. Daar was ik me goed van bewust. Ik verstopte mij op het toilet totdat de pauze voorbij was. Daarna ging ik naar het lokaal waar we les hadden. Helaas werd er hier niet zoveel op me gelet. Ik had het kunnen weten. Maar dat het zo uit de hand zou lopen had ik nooit gedacht.
Ik voelde hoe iemand een stoel onder mij vandaan trok, net toen ik wilde gaan zitten. Hard viel ik op de grond. Op dat moment werd alles zwart voor mijn ogen.

Hoofdstuk 10.
Wat er op dat moment precies met me gebeurde weet ik niet meer. Ik kan me dingen vaag voor me halen vanaf het moment dat ik met een harde klap op de grond viel.
Ik voelde een helse pijn in mijn onderrug. Het was onbeschrijflijk. Ik sloot mijn ogen.
Was dit het? Was dit mijn einde? Zou ik eindelijk van alle pijn verlost zijn?
Helaas voelde ik dat ik niet stopte met ademen. Ik ademde gewoon verder. Wel wist ik meteen dat dit niet goed was. Zodra ik uitademde verliet een piepend geluid mijn mond. Het klonk alsof ik een muis had ingeslikt.
Opeens hoorde ik allemaal stemmen. ‘Lois, gaat het? Zeg eens iets?’ ‘Ze gaat toch niet dood?’ hoorde ik zelfs iemand zeggen. Helaas niet. Nee, ik ging niet dood. Niet nu.
Er gebeurde iets wat niemand voor mogelijk had gehouden. Ik opende mijn ogen en duwde alle mensen aan de kant die zich om mij heen hadden verzameld.
‘Lois, heb je geen pijn?!’ Natuurlijk had ik pijn! Wat dachten ze wel niet. Maar als ik eraan toe zou geven zouden ze hebben wat ze willen. Dat was iets wat ik niet kon laten gebeuren.
Hoe hard iedereen ook riep dat ik rustig aan moest doen, ik kon mezelf niet stoppen. Ik leek wel bezeten. Wie had mijn lichaam overgenomen? Ik wist niet wat er gebeurde, laat staan wat ik zou gaan doen. Na de eerste stap die mijn lichaam nam zakte ik bijna in elkaar van de pijn. Maar ik kon niet opgeven, hoe graag ik dat zelf ook had gedaan.
Ik liep iedereen voorbij, stapje voor stapje. Ik voelde mezelf witheet worden toen ik degene zag die mijn stoel weggetrokken had. Als blikken konden doden. Inderdaad, dan was hij er nu niet meer geweest. Zelfverzekerd liep ik zijn kant op, tot ik vlak voor hem stond. Zo had hij mij nog niet meegemaakt, ik wist het zeker! Ik zag hoe hij bang werd, zijn ogen werden groter en hij kromp ineen. Medelijden had ik niet. Hij zou voelen wat hij me aangedaan had. Ik haalde uit. Met mijn vlakke hand sloeg ik hem vol op zijn gezicht. Er zat een enorme kracht achter, want er was een grote rode afdruk zichtbaar. Deze kracht was niet van mijzelf, maar ik besloot het zo te laten. Zijn ogen vulden zich met tranen. ‘En, voelt dat nou lekker?’ vroeg ik hem. Er kwam geen woord uit. Toch wist ik dat hij hier wel van geleerd moest hebben. Zijn ogen spraken boekdelen.
Ik pakte mijn spullen en liep met een glimlach op mijn gezicht de school uit. Ik wilde hier geen minuut langer blijven.
Ik was trots op mezelf, ik had zojuist laten zien dat ik voor mezelf op kon komen. Hoewel ik veel pijn had, kon mijn dag niet meer stuk. Dacht ik.

Hoofdstuk 11.
Op het moment dat ik het schoolplein verliet besefte ik pas goed wat ik gedaan had. Ik werd weer met beide benen op de grond gezet. Fietsen ging bijna niet. Ik had teveel pijn. Het zat daar niet goed, dat was zeker. Ik besloot naar huis te lopen.
‘Wat ben jij vroeg thuis?’ vroeg mijn vader toen ik binnenkwam. Hij keek er bedenkelijk bij. Gelukkig zei hij niets, er waren weer chauffeurs bij hem. ‘Ik heb iemand op zijn smoel geslagen. Alleen zitten kan ik nu zelf niet meer.’ Ik wist dat mijn vader raar kon kijken, maar dit sloeg werkelijk alles. Het was duidelijk dat hij niet wist waar ik het over had.
Ik wilde naar mijn kamer. Toen ik nog maar één voet op de trap had gezet, ging de telefoon. Mijn vader las het display. ‘Wacht jij maar even hier,’ zei hij.
Ik wachtte in de keuken tot hij klaar was. Maar hij had nog niet opgehangen of hij begon al. ‘Ik heb hier de directeur van je school aan de telefoon, maar je bent nog helemaal niet uit. Je bent zomaar weggegaan.’ ‘Ik ben zomaar weggegaan? Iemand trok een stoel onder me vandaan, ik kan niet meer op of neer en niemand deed er wat aan. Toen heb ik die persoon zelf maar op zijn smoel geslagen!’
Tegen de wasmachine liet ik me op de grond zakken. Als ze maar niet dachten dat ik nog terug zou gaan! Ik begon te snikken. Wat een gemene mensen waren er op deze wereld zeg. ‘Nee, ik krijg haar niet meer terug naar school. Tot ziens.’ hoorde ik mijn vader zeggen. Gelukkig. Geen geruzie. Eindelijk nam hij het een keer voor mij op. Waarschijnlijk omdat de kamer vol zat met andere mensen. Ach, dat maakte niet uit. Ik hoefde vandaag niet meer terug.
Was dit mijn straf? Had ik niet gewoon allang dood moeten zijn? Ik sloeg mijn ogen neer en dacht terug aan de tijd dat mijn leven aan een zijden draadje hing. Hoewel ik van het verleden niet veel meer wist, kon ik me dit maar al te goed herinneren. Ik was vier. Vier, en doodziek.

Hoofdstuk 12.
Als vierjarig meisje was ik veel sneller moe als mijn leeftijdsgenootjes. Na een spelletjesdag op school kwam ik daarom helemaal gebroken thuis. Ik ging op de bank liggen en viel in slaap. Al een tijd wilde ik niet meer spelen als ik uit school kwam. Alleen slapen.
Dat was natuurlijk niet goed. Als klein meisje hoor je niet moe te zijn. Niet zó moe.
Mijn moeder was paranormaal begaafd. Eigenlijk, is. Nog steeds. Ze had medicijnstudies gedaan en wist veel over ziektes en het menselijk lichaam. Ze maakte een afspraak met de huisarts, maar hij kon niets ontdekken. We werden doorgestuurd naar het kinderziekenhuis. Na allerlei onderzoeken konden ze er daar ook maar niet achter komen wat er met mij aan de hand was, behalve dat ik ontzettend last van had eczeem. Ik zat helemaal onder de uitslag.
Mijn moeder wilde het er niet bij laten zitten, dus zocht ze verder. De buurman verwees ons naar een vrouw. Deze kon bloedprikken en direct onder de microscoop zien wat er aan de hand was.
Op de dag dat we een afspraak hadden, wist ik niet wat er ging gebeuren. Ik was te klein om het te beseffen denk ik.
Ik klom bij mijn moeder op schoot en voor ik het wist was er een druppeltje bloed uit mijn vinger geprikt. Even wachten en dan onder de microscoop.
De mevrouw begon. ‘Weet u dat ze heel ernstig ziek is?’ ‘Ja, dat weet ik. Maar ik weet niet wat er dan precies aan de hand is.’ ‘Uw dochter heeft leukemie. In een ver gevorderd stadium.’
Het zei mij allemaal niks, maar zo leuk vond ik het niet klinken. Mijn moeder en de mevrouw bespraken wat dingen. Ik kon beter worden, maar ze moesten er niet te lang meer mee wachten. Toch wilden ze allebei weten of ik zélf wel echt beter wilde worden, anders zouden ze er niet aan beginnen.
Alles werd me ineens duidelijk. Ik sprong op van mijn moeder haar schoot en keek haar met grote ogen aan. ‘Maar ik wil beter worden! Echt waar!’

Hoofdstuk 13.
Mijn moeder was dolblij. We hadden iemand gevonden die wist wat ik had, ik kon nog beter worden én ik wilde het zelf ook. Eindelijk was er iemand die ons kon helpen. Die haar niet voor gek verklaarde. Er was wel degelijk iets met mij aan de hand.
Toch was het erger als dat ze zelf dacht. Chemo zou al niet meer helpen, daarvoor was het te laat.
Ik was te klein om het te beseffen. Ik heb gevraagd wat er met me aan de hand was. Het antwoord wat ik kreeg was dat er iets niet goed zat in mijn bloed. Gelukkig hebben ze het woord bloedkanker niet genoemd. Hoe klein ik ook was, mijn wereld zou waarschijnlijk compleet instorten.
De mevrouw wist wel iets waardoor ik beter kon worden. We moesten ons daar alleen wel voor tweehonderd procent voor inzetten. Één misstap kon nog steeds dodelijk zijn.
We geloofden dat deze vrouw ons kon helpen. Ze had immers al zoveel mensen beter gemaakt. Als we het niet zouden proberen zou het sowieso verkeerd aflopen. Vroeg of laat.
Alles wat we moesten doen de komende maanden schreef ze op een blaadje. Mijn moeder moest dagelijks, zo niet wekelijks contact met haar houden om de vorderingen te bespreken.
Ik moest op dieet. Een heel streng dieet. Alleen dit kon ervoor zorgen dat ik beter zou worden. Gelukkig deed ik het niet alleen. Mama deed mee. Achteraf gezien ben ik haar daar ontzettend dankbaar voor. Als buitenstaander is het niet voor te stellen hoe zwaar het was. Vaak heb ik ook gedacht dat ik het niet meer kon, maar ik moest. Want ik wilde beter worden.
Mijn dagen waren vanaf dat moment saai. Saai en eentonig. Ik stond op en kreeg eten. Een plakje roggebrood met roomboter en kaas. ’s Middags was het precies hetzelfde. ’s Avonds mocht ik witte rijst, komkommer en tomaat en eigeel. Daaruit bestond mijn dieet. Meer mocht ik absoluut niet eten. Als je dan nog normaal mocht drinken was het redelijk vol te houden, maar ook dat ging niet meer. Het enige wat ik mocht hebben was sinaasappelsap met citroen en water. Gewoon simpel, water.
Als klein meisje is dat natuurlijk op dat moment het ergste wat je kunt overkomen. Op school hoorde je verhalen. Ik was jong, maar dit besefte ik maar al te goed. Nooit kon ik met papa en mama bij de McDonald’s gaan eten. Een lekker stukje vlees of vis? Niet voor mij. Chipjes, een snoepje of koekje bij de thee als je uit school kwam? Ook niet.
Gelukkig was ik dus niet alleen en had ik veel steun van mijn moeder. Natuurlijk at zij andere dingen als ik op bed lag, want zij kon hier niet op leven. Een volwassen vrouw die het daarmee moest doen, dat kon niet.
We hebben het lang volgehouden. Maar na twee maanden konden we absoluut geen roggebrood meer zien. De mevrouw vertelde mama dat ik wel brood mocht eten, maar er mocht absoluut geen tarwe inzitten. Zo zijn we op zoek gegaan naar een molen en iemand die brood kon bakken. Dit was niet niks. Niet goedkoop ook. Voor een brood betaalde mijn moeder al snel vier gulden.
Mijn moeder at normaal brood. Het was gewoon niet te doen om dat ook met mij mee te eten. Dan zouden we veel vaker speciaal brood moeten halen. Nu kon ik een hele week met een brood doen. Twee boterhammen per dag. ’s Ochtends één en ’s middags één.
Iedere week moesten we terug naar de mevrouw die mijn bloed onderzocht. Ze zag verbetering, maar hard ging het niet. Wel voelde ik me langzaam beter. Ik kon weer spelen en was vrolijker als ooit. Dat deed mijn moeder goed. Ze zag waar ze het voor deed.
Na een jaar zag mijn bloed er beter uit, maar was nog steeds niet helemaal wat het moest zijn. ’s Avonds mocht ik er een klein stukje vlees bij eten. Wat een feest was dat! Na een jaar eindelijk weer een stukje vlees mogen eten. Toch moest ik me nog aan het dieet houden. Meer als dat stukje vlees erbij mocht ik nog niet eten. Roggebrood kon ik niet meer weg krijgen. Ik kreeg er braakneigingen van. Logisch. Wat wil je dan als je een meisje van vier een jaar lang roggebrood laat eten.
Na zestien maanden onder behandeling, was ik eindelijk beter. Geen vies dieet meer. Ik mocht eten wat ik wilde. De eerste avond was echt mijn feestmaal. Poffertjes met een klontje boter en poedersuiker.
Later werd me verteld dat ik als een prinses zat te eten. Een grote glimlach op mijn gezicht die er niet meer af ging. Ik was ontzettend gelukkig.
Achteraf gezien ben ik mijn moeder ontzettend dankbaar. Zonder haar had ik hier niet meer gezeten. Ze heeft goed voor me gezorgd, altijd voor me klaargestaan. Eten gegeven wat ik nodig had, wat goed voor me was. Zij is geweldig. Echt.

Hoofdstuk 14.
‘Lois, wat doe je hier? Sta eens op, ik moet erbij.’ Mijn moeder stond voor me met een grote wasmand in haar handen. ‘Moet er nog kleding van jou gewassen worden?’ ‘Ja mijn zwarte broek, ik ga hem wel even halen.’ Ik probeerde op te staan, maar werd gelijk herinnerd aan de vreselijke pijn in mijn onderrug. ‘Help me even omhoog alsjeblieft, ik heb vreselijk veel pijn aan mijn rug.’ Ze zetten haar wasmand neer en stak haar hand uit.
Als ik stond, dan ging het wel. Maar zitten was echt geen pretje. Ik besloot de dokter te bellen.
‘Morgenochtend om half 10,’ zei ik tegen mijn moeder toen ik opgehangen had.
Ik had honger. Het was pas half vier. Nog minstens tweeënhalf uur voordat het eten op tafel zou staan. ‘Wat eten we vanavond?’ vroeg ik mijn moeder. ‘Ik denk rijst. Ik moet nog werken vanavond, dus we eten iets makkelijks.’ Bah, rijst. Ik hield niet van rijst. Niet zo heel vreemd natuurlijk.
Ik nam een appel en ging naar mijn kamer. Ik plofte op mijn bureaustoel en drukte mijn computer aan.
*Bzzzz, bzzzz* SMS. Mijn mobiel stond op stil.
‘Schatje. Ik zou dit weekend naar jou komen, maar kun je niet naar mij komen? Dan kun je mijn ouders ontmoeten! Dikke kus!’
Ik stond op en liet me op bed vallen. Hij had wel gelijk natuurlijk. We waren al een tijdje samen en ik had zijn ouders nog nooit ontmoet. Zijn ouders wilden vast ook weten waar hij ieder weekend te vinden was.
Direct spookten allemaal gedachtes door mijn hoofd. Zouden deze mensen mij leuk vinden? Zijn ze aardig, of heel gemeen? Wat als ik het totaal niet met ze kan vinden? Dat zou natuurlijk een ramp zijn. Het zijn wel de mensen waar je hoopt de rest van je leven tegenaan te kijken. Je begint geen relatie als je denkt dat het toch over twee weken weer over is.
Ik rende de trap af en sloeg de laatste drie treden over. ‘Mama?! Is het goed als ik het weekend naar Jordy ga? Dan kan ik zijn ouders ontmoeten!’ ‘Ja natuurlijk schat. Gezellig! Dan krijg je van mij geld mee voor de trein. Kun je dan wel vragen of Jordy je op het station haalt? En laat je wat weten als je daar bent?’ ‘Jaja mam, ik laat het weten!’
Wat moest ik aan? Mijn zwarte broek, die zat toevallig net in de was. Dus die zou morgenmiddag wel droog zijn. Ik dook in mijn kast en trok een stapel shirtjes eruit. ‘Te groot.’ ‘Te lelijk.’ ‘Te koud.’ ‘Te kinderachtig.’ Deze dan? Nee, ook niet. Had ik dan helemaal niets in mijn kast wat ik goed genoeg vond om aan te trekken naar zijn ouders?
Ik sloop de trap af en duwde de deur van de slaapkamer van mijn ouders open. Ik haalde het bakje uit de kast en zocht twaalf euro bij elkaar. Dat moest genoeg zijn om een nieuw shirtje te kopen, toch?

Hoofdstuk 15.
Ik stapte de auto in en mijn moeder bracht mij naar het station. Ik praatte niet veel. Ik keek naar buiten en dacht na. Hoe zouden ze me vinden? Het bleef maar door mijn hoofd spoken. Ach, ik maak er het beste van. Ze zullen me vast niet opeten!
Ik kocht een kaartje en liep naar het perron. Tien minuten wachten, was nog wel te doen. Ik had een grote tas bij met alle spulletjes die ik dit weekend nodig kon hebben. Natuurlijk, ik had veel te veel meegenomen, maar daar was ik tenslotte een meisje voor.

‘Goedemiddag dames en heren. Het volgende station is Den Haag.’

Ik bekeek mijn blaadje. Het station erna moest ik eruit. Mijn moeder vond het nodig dat ik op zou schrijven welke stations ik voorbij moest, zo kon ik zeker weten dat ik bij Leiden zou uitstappen.
Het maakte me niet uit, ik was allang blij dat ik naar Jordy mocht.

’Het volgende station is Leiden Centraal.’

Juist, daar moest ik uit. Ik stond op en liep naar de deur. Toen de trein tot stilstand was gekomen drukte ik op het knopje. De deuren gingen open en ik keek naar beneden. Deze opstap was veel hoger dan in Rotterdam. Voorzichtig zette ik mijn voet op het afstapje en daarna op het perron.
Wat was ik trots, ik was voor het eerst alleen met de trein gegaan. En ik was niet verdwaald! Niets kon mijn dag nog kapot maken. Ik was ervan overtuigd.
Ik liep de trap af en zag Jordy beneden staan wachten. Ik begroette hem met een kus en een dikke knuffel. ‘Mijn vader wacht buiten op ons,’ zei hij.
‘Ik moet wel even een bloemetje kopen voor je moeder, ik heb geld meegekregen. Dat was wel zo netjes of zo.’ We liepen naar de bloemenwinkel en ik kocht een mooi bosje bloemen.
Het drukkende gevoel op mijn blaas werd steeds erger. Mijn stuitje deed nog steeds pijn, maar ondertussen mocht die blaasontsteking ook wel ophouden.
‘Ik moet zo plassen!’ En ik dook in elkaar. Ik wist dat als ik stil zou zitten, dat het dan over zou gaan. Althans, dat was meestal zo. ‘Kom, dan gaan we snel naar huis.’ Jordy trok me mee en we liepen de stationshal door. Toen we bijna aan het einde van de hal waren dook ik weer in elkaar. Ik kreeg tranen in mijn ogen. ‘Het hoeft al niet meer,’ zei ik. Jordy keek me aan met een wazige blik. Hij begreep niet wat ik bedoelde. ‘Het is al te laat,’ zei ik terwijl ik begon te huilen.

Hoofdstuk 16.
Jordy trok me omhoog en gaf me een dikke knuffel. ‘Het geeft niet, mijn ouders doen daar niet moeilijk over. Ze begrijpen het wel.’ ‘Nee, ik durf nu echt je ouders niet meer te zien! Kijk dan, ik sta hier met een natte broek, rode ogen van het huilen en een bosje bloemen. Zal vast een hele goede indruk achterlaten, denk je niet?’ Ik werd bijna pissig, terwijl ik ook wel wist dat hij me alleen maar probeerde te helpen.
Hij beloofde me dat het goed zou komen. Ik vertrouwde hem dus besloot met hem mee te gaan.
Buiten stond zijn vader bij de auto te wachten. Ik liep achter Jordy aan. Nou ja liep, waggelde. Ik voelde me een eend. Mijn broek was warm, nat en het schuurde langs mijn bovenbenen. Wat een ramp.
‘Pap, dit is Lois,’ zei Jordy toen we bij de auto stonden. Ik stak mijn hand uit en stelde me netjes voor. De man noemde ook zijn naam, maar ik was met mijn gedachten heel ergens anders. Zijn woorden gingen compleet langs mij heen. Jordy vertelde hem wat er was gebeurd. Zijn reactie had ik eigenlijk niet verwacht, maar toch was ik er heel blij mee. ‘Och meisje, kan gebeuren. Ga hier maar op zitten, dan zullen we thuis je kleding even wassen.’ Hij stopte me een deken toe.
Eenmaal bij hem thuis zat zijn moeder op de bank. Ik liep naar haar toe, stelde me voor en gaf haar de bloemen. Dat maakte misschien een beetje goed wat er gebeurd was.
Ze liep naar de keuken om een vaas te zoeken en Jordy zijn vader ging er achteraan. Ik hoorde dat hij haar vertelde dat ik een ongelukje had. Ook zij deed er niet moeilijk over. ‘Heb je schone kleding bij je?’ vroeg ze. ‘Ja, dat heb ik wel.’ ‘Trek dan maar schone kleding aan en geef de rest maar hier, dan zal ik dat gelijk wassen voor je.’ Wat een lieve mensen waren dit. Wat fijn dat ze me zo hielpen.
‘Wij gaan even naar boven,’ zei Jordy tegen zijn ouders. Ik liep achter hem aan de trap op, richting zijn kamer. Hij gooide de deur open en ging op bed zitten. Ik keek zijn kamer rond, het was klein, maar wel gezellig. Ik nam plaats naast hem op bed. Hij zei dat hij me iets wilde vertellen.
‘Mijn broer heb je nog niet gezien, die komt straks thuis. Hij heeft dingen gevonden op internet. Dingen van mijn moeder.’ ‘Huh, wat bedoel je?’ Wat zegt hij nou? Dingen gevonden, van zijn moeder, op internet? Wat dan? Ik snapte er helemaal niets van. ‘Vertel verder.’ Hij ademde diep in en maakte zijn verhaal af. ‘Dingen van mijn moeder. Foto’s. Snapje? Foto’s.’ Hij stond op en liep heen en weer door zijn kamer. ‘Foto’s? Wat voor foto’s?’ Hij ontweek mijn blik, hij schaamde zich, dat was duidelijk. ‘Foto’s, weet je wel? Naakt…’

Hoofdstuk 17.
Ik opende mijn ogen. Slapen ging niet meer. Ik dacht teveel na, al twee uur lang. Het was maandag en het weekend was dus weer voorbij. Helaas. Ik heb het ontzettend naar mijn zin gehad. Eindelijk kon ik eens mezelf zijn, me niet druk maken. Eindelijk hoefde ik niet bang te zijn dat mijn vader me iets zou aandoen.
Toch vond ik het een vreemd idee dat er foto’s van Jordy zijn moeder op internet zouden rondgaan. Foto’s waarop zij niks aan had.
Ik kon het me gewoon niet voorstellen. Deze mensen waren heel netjes en leken helemaal niet zo losbandig. Het voelde allemaal heel dubbel. Als ik het gezellig had moest ik er direct weer aan denken, ik kreeg het gewoon niet uit mijn hoofd.
Jordy had het er zo moeilijk mee. Best begrijpelijk. Geen enkel persoon wil graag geconfronteerd worden met zijn moeder die naakt op internet verschijnt.
Ik stapte uit bed en trok mijn kleding van gisteren aan, haalde een borstel door mijn haren en liep de trap af. Ik moest hier even weg, even mijn hoofd leegmaken.
Terwijl ik op de bank ging zitten sprong mijn hondje op mijn schoot en gaf me een lik over mijn neus. Ik haalde hem aan. Het was zo’n schatje. Hij was klein, wit en heel zacht.
Voor mijn tweede verjaardag kreeg ik hem, van mijn opa. De opa die ik bijna nooit zag. De vader van mijn vader. Mijn vader is vroeger door hem mishandeld, dus hij heeft geen uitstekende band met hem. Toch gunde hij ons een opa, daarom gaan we af en toe bij hem op bezoek.
Ik stond op en liep naar de gang, waar ik Benzy zijn riem van de trap pakte. Even naar buiten, dat wilde ik graag. Als ik zag hoe blij hij was terwijl hij achter een stok aanrende en hem terugbracht, kon ik even alles vergeten.
‘Benz, kom!’ De riem propte ik in mijn zak, deze gebruikte ik namelijk nooit. Hij luisterde zo goed dat hij altijd los kon lopen. Alleen met andere honden was ik was voorzichtig, die waren natuurlijk onvoorspelbaar.
Ik opende de deur en Benzy stapte naar buiten. Ik liep achter hem aan en trok de deur achter me dicht.

Hoofdstuk 18.
Ik liet mezelf zakken in het gras en keek uit over het water. Het was prachtig weer. Er stond een zacht briesje, maar koud was het zeker niet. Een eend zwom voorbij met een takje in zijn bek, waarna hij in het riet verdween.
Stiekem was ik best vaak jaloers op dieren. Ze leken altijd zo vredig. Geen dingen die ze moesten doen terwijl ze eigenlijk niet wilden. Hele dagen rustig rondzwemmen en af en toe wat eten. Wat moest dat een heerlijk leventje zijn.
Benzy kwam naast me liggen en legde zijn kop op mijn been. Met zijn neus in de wind volgde hij de eenden, die ondertussen met zijn tweeën naar takjes zochten. Ik had echt het gevoel alsof hij de enige was die mij begreep. Hij zou nooit gemeen doen. Nooit mijn spullen kapot gooien. Altijd naar me luisteren. Als ik hem iets vertelde luisterde hij gewoon naar me, hij keek me dan aan en zijn kopje hield hij scheef. Precies of hij wist wat ik bedoelde.
*Bzzz* *Bzzz* Ik pakte mijn telefoon uit mijn broekzak en las de SMS.
Wil je naar huis komen? We willen je iets laten zien. Kus mama.
Ja hoor, wat nu weer?! Zuchtend stond ik op en sjokte naar huis. Heel hard ging het niet, want waarschijnlijk vond ik het toch niet boeiend. Misschien hadden ze weer een nieuwe auto gekocht. Of een of ander nieuw apparaat. Zo ging het wel vaker. Nieuwe computer. Nieuw koffiezetapparaat. Daar moesten échte koffiebonen in, ik hoor het mijn vader nog zeggen. Het interesseerde me allemaal niets, al moesten er echte planten in. Boeiend?
Ik opende de deur en liep naar binnen. Bizar, het was mooi weer en mijn vader zat binnen met zijn jas aan. ‘Kun je op de bank gaan zitten liefje? Je moet wel heel rustig doen hoor, beloofd?’ Ik knikte en nam plaats op de bank. Hij opende zijn jas en stopte zijn hand eronder. Ik moest mijn ogen dichtdoen, dus dat deed ik. Ik voelde hoe er iets op mijn schoot gelegd werd en mijn moeder haar handen ervoor hield. ‘Zo, nu mag je kijken!’
Ik opende mijn ogen. Zag ik dit goed? Ik knipperde tweemaal. Ja, ik zag het goed! Ik werd aangekeken door twee grote ogen. Het was helemaal zwart. En het was nog zo klein!
Mijn mond viel open. ‘Wat? Maar… hoe kom je hieraan?!’ Mijn vader begon te vertellen. ‘Ik ging vanochtend een bakje koffie drinken in het café. Toen ik wegging hoorde ik een piepend geluid uit de bosjes komen, dus ik besloot te gaan kijken. Het enige wat ik vond was een schoenendoos. Ik pakte hem op en haalde de deksel eraf. Wat ik daar aantrof was vreselijk!’ Ik zag dat het hem echt wat deed. Terwijl hij niet vaak zijn emoties toonde. ‘Er waren twee poesjes. Deze en een gestreepte. Ik kon die beestjes daar niet achterlaten. Ze zijn hooguit twee weken oud!’ Ik gaf de kat aan mijn moeder en sprong op. ‘Waar heb je die andere gelaten? En wat gaan we hiermee doen? Mogen we hem houden?’ ‘Ja, deze houden we. Die andere is met een mevrouw meegegaan.’ Ik kon mijn oren niet geloven. We hadden een kat!
Mijn moeder moest me nog wel iets vertellen, want het kon misschien niet goed aflopen. ‘Dit poesje is hooguit twee weken oud, normaal mogen ze nog lang niet bij de moeder weg. We gaan er alles aan doen om dit beestje in leven te houden, maar of dit echt gaat lukken is nog maar de vraag. De meeste poesjes overleven het niet als ze zo jong bij hun moeder weggehaald worden.’
Ik wist dat ze gelijk had, dit beestje was ontzettend klein. Het paste op één hand. Maar hij, of zij, moest het redden. Al moest ik altijd wakker blijven, dit beestje gunde ik gewoon een goed leven. Je kon zo’n schattig poesje niet zomaar dood laten gaan!

Hoofdstuk 19.
Dion was ondertussen uit school en sprong vrolijk door de kamer. ‘We hebben een poes, we hebben een echte poes!’ Ik moest lachen. Het was fijn om hem zo blij te zien. ‘En, hoe heet hij?’ vroeg ik hem. ‘Hij is zwart, dus hij moet ook een naam krijgen voor een zwarte!’ Ik moest hier toch stiekem wel heel hard om lachen. Niet zozeer om de opmerking, maar meer om de manier waarop het eruit kwam. ‘Oké Dion, aan wat voor naam zat je te denken?’ vroeg mijn moeder hem. Hij dacht diep na. Het zag eruit alsof hij ontzettend veel hoofdpijn kreeg. ‘Zwartje! Ja, dat is het. Hij moet zwartje heten!’ Nu begon ook mijn moeder te lachen. ‘Zwartje? Weet je dat zeker?’ ‘Ja! Of heb jij soms een beter plan?’ hij keek haar boos aan. ‘Nou, wat dacht je van Droppie? Of Moortje?’
Ik sprong op. ‘Die vind ik leuk! Het is echt een Moortje. Vind je niet, Dion?’ Hij knikte instemmend. Het was dus Moortje.
Dion rende van de keuken naar de gang en weer terug. Het was duidelijk dat hij wat zocht. Mijn moeder en ik keken elkaar vreemd aan. ‘Schatje, wat ben je toch aan het doen?’ vroeg mijn moeder terwijl ze naar hem toe liep. ‘Nou, wij hebben een huis. Een groot huis. Maar Moortje heeft geen huis! Ons huis is te groot voor hem. Dan verdwaalt hij. Dus ik zoek nu een kleiner huis.’
Opnieuw moest ik lachen, wat een schatje was het ook. Dion rende naar boven. We hoorden een hoop herrie en even later kwam hij naar beneden rennen met een grote doos die hij voor ons neerzette. ‘Ik moet nog iets halen, wacht!’ Hij rende weer naar boven en kwam terug met zijn lievelingsknuffel. ‘Zo, dit is Moortje zijn huis. En omdat hij nog zo klein is en geen mama heeft, mag hij met mijn dino slapen. Dino zal goed voor hem zorgen en op hem letten!’

Hoofdstuk 20.
Toen Moortje eenmaal bijgekomen was van zijn zojuist meegemaakte avontuur, liet ik hem met rust. Het was vast niet goed hem de hele tijd bezig te houden, hij was nog zo klein.
Ik liep naar mijn kamer en liet me op bed vallen. Mijn mp3 zette ik aan en met mijn oordopjes in mijn oren sloot ik mijn ogen. Ik dacht aan dingen waar ik eigenlijk niet aan moest denken, maar ik kon mijn gevoel niet langer beïnvloeden.
Een tijdje geleden had ik een jongen leren kennen, via internet. Het was totaal niet mijn type, maar toch vond ik hem ontzettend interessant. Quinten was twee jaar ouder, had maling aan alles en iedereen en deed wat hij zelf leuk vond. Hij had halflang, zwart, stijl haar en piercings. Meestal praatte hij niet terug als ik op MSN tegen hem sprak, maar als hij dat wel deed kreeg ik een heel speciaal gevoel van binnen. Er waren erg veel meisjes die hem leuk vonden, want hij kreeg ontzettend veel berichtjes. Ik was jaloers als hij ze wat kleffe dingen terugstuurde.
Jordy was leuk, maar niet speciaal. En zo knap als Quinten was hij zeker niet. Toch wilde ik het eigenlijk niet uitmaken, wat moest ik zonder hem? Hij was zo lief voor me, stond altijd voor me klaar. Ik kon hem toch niet zomaar inruilen?
Nou ja, inruilen… Quinten wilde me sowieso niet, die had immers veel leukere meisjes. Hij was niet blind, dat wist ik ook wel. Naast hun zou ik nooit kans maken, ze waren allemaal veel mooier, dunner en spannender dan ik.

Hoofdstuk 21.
Ik nam plaats achter mijn bureau en drukte het beeldscherm van mijn computer aan. Mijn MSN stond eigenlijk altijd aan, alleen was ik altijd weg. Er sprak, behalve Jordy, toch niemand tegen me. Deden ze dat wel, dan was het niet heel interessant.
Quinten was online, maar ik durfde niet tegen hem te praten, ik wilde hem niet nog verder wegjagen. Hij was niet geïnteresseerd in mijn problemen en dat zou hij ook nooit worden, ik moest er niet op hopen. Het zou altijd een droom blijven, een droom die er eigenlijk niet eens moest zijn…
Net voordat ik mijn computer uit wilde zetten sprong er een venstertje omhoog. Mijn hart maakte een sprongetje. Quinten! Hij sprak tegen me, uit zichzelf. Helaas ging het gesprek anders dan ik gehoopt had.

[i]Quinten says;
Hey. n_n

Lois says;
Haj. (:

Quinten says; er zit hier iemand naast me die jou wel zou willen leren kennen. =p

Lois says; wat bedoel je? =\

Quinten says;
Gewoon zoals ik het zeg, een vriend van me wil je leren kennen.

Lois says;
En wie is dat dan? [/i]

Ik vond dit vreemd, heel raar. Waarom wilde er iemand mij leren kennen? Had hij dingen over mij gehoord of gelezen? Vast niet. Maar er moest wel iets zijn, hopelijk kwam ik daar snel achter.

Quinten says:
Alex. Ik zal wel een foto sturen, dan mag je zelf kiezen of je hem wilt leren kennen.

Binnen een paar seconden stuurde hij de foto en accepteerde ik hem. Toen ik hem ontvangen had en hem opende stond mijn hart even stil. Was dit serieus? Dit kon hij niet menen. Wat een grap!

Hoofdstuk 22.
Ik staarde nogmaals naar de foto. Degene die erop stond was echt… Ja, hoe noem je dat… apart. Hij had halflang, bruin krullend haar, bruine ogen en hij lachte heel schattig. Ook had hij een kitten vast. Ik hield zelf ontzettend van dieren. Dus dat was al een pluspunt.
Ik twijfelde toch, waarom zou hij mij willen leren kennen? Ik was lelijk, dik, saai en totaal niet interessant. Het was vast een grapje.

Lois says;
Oke, geef hem mijn MSN maar.

Het kon niet slechter worden dan dat het nu was. Ik kon hem tenslotte altijd nog verwijderen als het me niet beviel. Als hij me tenminste echt toe zou voegen.
Ik sloot mijn computer af en liep naar beneden, vanavond zou ik wel kijken of hij er was.
Eenmaal beneden was Moortje alweer wakker, hij genoot zichtbaar van zijn nieuwe huis. Hij rolde languit door zijn doos en probeerde overal in te bijten, tot hij door had dat zijn doos voor de televisie stond, waar op dat moment voetbal op te zien was.
Zijn kop ging omhoog en omlaag en volgde de bewegingen van de bal. Als hij de bal niet meer zag probeerde hij omhoog te springen. Het zag er ontzettend grappig uit.
Na het avondeten liep ik rustig naar mijn kamer, ik ging er vanuit dat hij me niet had toegevoegd, zo kon ik in ieder geval niet weer teleurgesteld worden.
Ik drukte mijn beeldscherm aan en opende MSN. Ik begreep het niet, hij had me dus toch toegevoegd. Ik was benieuwd waarom, dus accepteerde ik hem en klikte dubbel op zijn naam, waardoor het venster direct opende.
Ik dacht na over wat ik moest zeggen, maar helaas kwam ik er niet uit. Niks was goed genoeg voor dit vreemde moment.
Zou hij uit zichzelf tegen me praten? Of moest ik de eerste stap zetten? Ik besloot nog even af te wachten.

Nobody likes my story. =(

Okay, dan stop ik met schrijven. (:

Nee blijf schrijven!
Ik lees het (;

Ik zal na een paar reacties nog wel een stukje plaatsen.

Ik lees het ook! verder :slightly_smiling_face:

Ik ben het nu aan het lezen en ik vind dat je zeker door moet gaan. Ik ben benieuwd en je schrijft fijn!

Oke, bedankt . (:

Ooh kom op verderr :frowning_face:

Ik zal vanavond een stukje schrijven. =’]

Thanku! :slightly_smiling_face:

Hoofdstuk 23.
Ik staarde wat naar het beeldscherm, tot ik op een gegeven moment een harde klap tegen mijn raam hoorde. Ik stond op en gluurde tussen de twee gordijnen door. Wat ik daar zag liet mijn adem stokken in mijn keel. Mijn hartslag versnelde en mijn ogen werden groter. ‘Ik weet dat je thuis bent, hoer! Doe godverdomme die deur open!’ schreeuwde er een. ‘Ook als je niet open doet krijgen we je nog wel!’ schreeuwde een ander.
Wat moest ik nu doen? Doen alsof ik niet thuis was? Alsof ik het niet gehoord had?
Een paar seconden later ging de bel. Ik beet op mijn onderlip en hoopte zo dat ze dat niet waren. Dat het allemaal een droom was, dat dit niet echt gebeurde.
‘Lois? Het is voor jou!’ riep mijn moeder van beneden. Ik deed alsof ik het niet hoorde, ik hield mijn lippen stijf op elkaar. Hopelijk gingen ze weg. Waarom bleven ze me opzoeken? Wat had ik ze misdaan?
Ik hoorde de voordeur dichtslaan en haalde even opgelucht adem. Direct daarna hoorde ik voetstappen de trap op komen. Snel kroop ik onder mijn dekbed en trok hem ver over me heen. Laat het niet waar zijn, laat het alsjeblieft niet waar zijn.
Toen de deur open ging hield ik mijn adem in en sloot mijn ogen. Ik bleef doodstil liggen, in de hoop dat ze me niet zouden zien, dat ze niet zouden merken dat ik hier was.
Dit was hopeloos, dat wist ik zelf ook wel, hoe kon dit nou niet opvallen? Iemand die onder zijn dekbed lag. Daar was altijd iets van te zien.
Mijn hartslag versnelde toen ik de voetstappen dichterbij hoorde komen. Naast mijn bed bleven ze staan. Ik voelde hoe een hand het puntje van mijn dekbed pakte en hem omhoog trok.

OMG OMG NU MOET JE WEL DOORGAAN ;o xD

Beetje spanning erin kan geen kwaad toch. =’]

ga doooooooooor !

Ik weet niet of ik vanavond nog zin heb om te schrijven. :laughing:

JAWELLL je moet zin hebben, ga dooooor!

Verder! Ik vind dat je echt goed schrijft :slightly_smiling_face:

Dankjewel. (: Ik ga nog wel een stukje maken.