slechts een dag

Slechts een dag

Wist je dat iemands leven in een dag kan veranderen? Plotseling een geheel andere wending kan nemen? Als een schipper die door een onverwachte gebeurtenis een geheel andere koers aanneemt, waardoor zijn reis opeens zinloos is, geen doel meer heeft. Het komt niet vaak voor, maar het is wel mogelijk. Ik heb het meegemaakt, en dit is mijn verhaal.

Hoofdstuk 1
Ik zal mezelf eerst even voorstellen, ik ben Melanie van Arend, en ik ben 13 jaar oud. Vóór die ene dag was ik een vrolijk meisje, ik had dik glanzend bruin haar, en ook bruine ogen, ik ben gedeeltelijk Joods, dat heb ik altijd al geweten, maar ik heb er nooit bij stilgestaan, het was gewoon zo, en daarmee uit.
Nu ben ik anders, heel anders. Dun. Zo dun, dat mensen me nakijken op straat, ik kan ze bijna tegen elkaar horen fluisteren: ‘Die is eng dun, die heeft zeker anorexia!’. Ik heb geen haar meer, omdat ik mijn hoofd heb kaalgeschoren, mijn glanzende bruine haar, waar ik zo trots op was en waar ik zo veel moeite voor heb gedaan, weg, in een paar minuten, onherroepelijk. Toen mijn ouders het zagen werden ze helemaal gek, ze probeerden me zelfs nog over te halen een pruik te kopen, maar dat wou ik niet, natuurlijk niet, waarom zou ik eerst mijn hoofd kaalscheren en dan een pruik gaan dragen, nee, dat was onzin, het gaat mij er juist om dat ik kaal ben. Net als zij toentertijd waren. Ik bewaar mijn haar in een doosje, in een oud, houten doosje, bekleed met groene zijden dat ik ooit van mijn moeder heb gekregen, toen ik nog klein was, vóór die ene dag heb ik nooit naar dat doosje omgekeken, maar nadat ik mijn haar had afgeschoren wist ik onmiddellijk waar ik het moest bewaren, in dat ene doosje, dat was precies geschikt, niet te groot, niet te klein, de perfecte plaats om mijn bruine lokken in te bewaren. Nu staat het onder mijn bed, als een van de weinige bezittingen die ik nog mag houden van mezelf.
Je bent zeker wel nieuwsgierig wat er op die ene dag gebeurt is, maar dat kan ik niet vertellen, nog niet, ik heb tijd nodig, totdat mijn wonden geheeld zijn en ik de vreselijke waarheid weer op kan halen, zonder opnieuw leeg te bloeden. Daarom zal ik maar beginnen met je proberen een beeld te geven van mijn leven zoals het nu is. Troosteloos en somber, maar dat heb ik verdiend want dat hadden zij ook. Mijn ouders dwingen me om naar school te gaan, ik verzet me hiertegen tot het uiterste, want dat wil ik niet, waarom mag ik wel naar school en zij niet? Waarom? Dat is toch oneerlijk! Volgens mijn ouders is dat de enige kans op een goede toekomst, een toekomst met mogelijkheden, met keuzes, maar waaraan heb ik die toekomst dan verdient? Ik gun mezelf niet zo’n toekomst.
Bovendien is school vreselijk, ik val ontzettend op met mijn kale hoofd, ik ga naar de tweede klas van de middelbare school. Het begin van het eerste jaar was leuk! Maar toen was die ene dag nog niet geweest. Ik had veel vriendinnen en was redelijk populair in mijn klas, en ook erg belangrijk: ik kon nog lachen om onbenullige dingen, bovendien werkte ik hard en haalde ik goede cijfers om aan de toekomst te werken die ik hierboven beschreven heb. Een toekomst met mogelijkheden, een toekomst met keuzes. Maar na de meivakantie veranderde alles. Want in de meivakantie is die ene verschrikkelijke, allesverwoestende dag geweest. Iedereen op school vond dat ik raar deed, en dat vinden ze nog steeds. Maar ze doen zelf raar, ik bedoel, ik neem tenminste verantwoording voor mijn soort mensen, en ik probeer de herinnering aan de wrede en bloederige geschiedenis levendig te houden. De anderen kinderen en zelfs het overgrote deel van het volwassen volk, staat zelden of nooit stil bij deze geschiedenis. En omdat ik dat wel doe, ben ik opeens raar… Persoonlijk kan ik daar geen logica in ontdekken. Nu word ik op school dan ook geplaagd en zelfs gepest met mijn ideeën en denkbeelden. Ik kan nu bijvoorbeeld niet meer normaal door de gang lopen, zonder allerlei beledigende woorden naar mijn hoofd geslingerd te krijgen. De jongens uit mijn klas noemen mij bijvoorbeeld ‘vuile jood’ of ze zeggen dat ik haarloos en vriendloos ben, omdat ik geen haar meer heb en ook geen vrienden. De meisjes zeggen het niet met zo veel woorden, maar ze laten wel duidelijk merken dat ze niks meer met me te maken willen hebben. Nou ja, ik vind het best, ik hoef ook niks meer met deze oppervlakkige kinderen te maken te hebben, wiens enige zorg het is of hun mascara niet klontert, of dat er geen vlekken op hun met zorg uitgekozen setjes kleding komen. Ik zelf draag natuurlijk geen make-up, maar dat had je zelf ook wel kunnen raden. Ik draag ook altijd dezelfde kleren, een zwart oversized sweatshirt, en een spijkerbroek met gaten, ik heb hier ook zwarte schoenen bij. Ik was mijn kleren niet, want zij moesten vroeger ook wel een jaar in dezelfde kleren rondlopen zonder ze te wassen. En bovendien hadden zij in de meeste gevallen ook geen schoenen. Toch probeert mijn moeder wel altijd mijn kleren te wassen, dan sluipt ze, ’s nachts, als ik slaap, mijn kamer in en pakt mijn kleren om ze te wassen. Dit lukt er alleen bijna nooit, omdat ik een hele lichte slaper ben, en bovendien verstop ik mijn kleren meestal, waardoor zij ze moet gaan zoeken, maar ze kan het licht natuurlijk niet aandoen, want dan word ik sowieso wakker en kan ik haar mijn kamer uitjagen. Ik heb nu zomervakantie, maar over een week moet ik helaas weer naar school toe. Ik zie er enorm tegenop, vooral omdat ik in de vakantie nog een paar kilo ben afgevallen, dus de pesterijen waarschijnlijk nog extremer zullen worden. Maar ja, ik zal het moeten doorstaan, zij hadden het namelijk vaak nog veel erger.
en wat vinden jullie ervan?? eerlijk zeggen he:P

wow 0_0 héftig, is dit echt gebeurt, ik ben nu wel heel benieuwd naar die éne dag… ga dus door
:grinning:

ik d8 ff dat dit een verzonnen verhaal was… maar het is dus echt?? weetjeniethoeheftig…
verder:D

Hoofdstuk 2
De eerste schooldag. Ik heb vannacht niet kunnen slapen, ik lag maar te woelen en een plan te bedenken om er onderuit te komen. Weglopen kan ik niet, mijn ouders hebben een alarm laten installeren na die ene dag en de dramatische veranderingen in mijn leven die daarop volgden. Ik ben radeloos en machteloos. En het ergste van al is, ik voel me schuldig. Een schuldgevoel is de ergste geestelijke pijn die ik ken, en ik lijd er vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week onder, zelfs in mijn dromen achtervolgt mij die ene dag, de miljoenen slachtoffers die er geleden hebben en die gestorven zijn op de plek die ik heb bezocht. Een vreselijke, vervloekte plek. De wekker gaat, het is zeven uur, ik denk aan de andere kinderen van school, die nu waarschijnlijk een klap op hun wekker geven, sommigen zullen energiek opstaan om zich klaar te maken voor de eerste schooldag, anderen zullen de wekker uizetten en zich nog even omdraaien. Er zal er geen een van hun zijn die reageert zoals ik. Ik zet mijn wekker niet uit, maar ik verstop me onder de dekens, ik verstop me voor het geluid dat aankondigt dat ik weer een dag moet lijden, dat ik weer een dag krijg met kansen die ik niet verdient heb, ik hou mijn kussen tegen mijn oren om dit geluid niet te hoeven horen. Zo meteen zal mijn moeder mijn kamer binnenkomen en me dwingen om me te gaan aankleden. Daar is ze al. ‘Kom op, lieverd, je mag weer naar school!’ zegt ze. Ze glimlacht naar me, ik weet dat het aardig bedoelt is, dat ze het beste met me voor heeft, maar toch kan ik dat niet uitstaan. ‘Ik ga niet!’ schreeuw ik, en ik meen het, ik ga echt niet. ‘Lieverd, doe niet zo raar, je moet en dat weet je best,’ protesteert mijn moeder hiertegen, ik kijk haar aan, ze lijkt op mij, zoals ik was vóór die ene dag. Ze heeft bruin krullend haar, en ze glimlacht bijna altijd, ze heeft een mooi figuur: niet te dun, maar ook zeker niet te dik. Ze is gestopt met werken toen ik geboren werd om voor mij te zorgen. Nu werkt ze een paar keer per week in het postkantoor in het dorp. Ze heeft het daar erg naar haar zin, ze hoeft niet al te hard te werken, maar ze heeft genoeg te doen. Boven al vindt ze het leuk om met haar collega’s en de klanten lekker te kletsen en te roddelen. ‘Ik wil niet! Ik wil niet, omdat ik het niet verdien!’ schreeuw ik naar haar. ‘Je hebt niets te willen,’ legt mama me rustig uit, ‘en bovendien verdien jij het net zo goed om naar school te gaan als alle andere kinderen van de hele wereld.’ ‘O ja, waarom gingen zij dan niet naar school?’ vraag ik woedend. ‘Zij gingen niet naar school omdat er oorlog was, liefje, en zij verdienden het wel om naar school te gaan, ze hadden er alleen geen mogelijkheden voor,’ gaat mama rustig verder. ‘Nou als nog ga ik niet!’ zeg ik vastberaden en ik sla mijn armen over elkaar, vóór die dag, toen ik nog meidenblaadjes las, met veel onzin erin en weinig inhoud, heb ik ooit gelezen dat je zo een vastberaden en beschermende houding creëert, dat komt nu goed van pas! Op dat moment komt papa binnen, een grote en stevige, maar zachtaardige man, met bruin haar. ‘Wat is er aan de hand, Ingrid?’ vraagt hij aan mijn moeder, ‘wil ze weer niet meewerken?’ Hij fronst zijn wenkbrauwen en kijkt me streng aan. ‘Nee,’ antwoordt moeder, ‘ ze zegt weer dat ze het niet verdient om naar school te gaan,’ antwoordt mijn moeder. Ze trekt een hulpeloos gezicht. Opeens besef ik hoeveel pijn ik ze hiermee doe, maar die gedachte verdring ik. Ik heb al genoeg last van schuldgevoelens daar hoeft niet nog meer bij te komen, zeg ik tegen mezelf. Maar toch kan ik de rest van de dag de bezorgde blik van mijn ouders niet van me af zetten.
Uiteindelijk ga ik wel naar school. Natuurlijk ga ik naar school, ik heb geen keuze, precies zoals mama al zei. Op de fiets heb ik het koud, vooral boven op mijn hoofd, wat natuurlijk niet meer verwarmd wordt door mijn haar. Het is nog maar September, maar het voelt eerder als December… Maar ik verdien het om kou te lijden. Ik dwing mezelf om zo hard mogelijk te fietsen, zo hard dat ik er pijn in mijn benen van krijg. Maar dat is goed, want zij hadden dat ook. En ik ben nog wel op weg naar school, ik heb niets te klagen.
De schooldag is lang, ellendig, doodsaai en vol met de gebruikelijke pesterijen. Zoals ik al vermoedde zijn die pesterijen zelfs nog extremer geworden. Verder was er niet veel speciaals aan deze dag, het was een dag als alle anderen, vol onverdiende kansen. Het enige uitzonderlijke was dat er een nieuwe jongen in onze klas is gekomen. Hij heet Max. Hij heeft rood haar en is erg bleek, net alsof zijn huid nog nooit in contact is geweest met zonlicht. Ik vind hem raar, maar op de een of andere manier werd mijn blik constant naar hem toegetrokken. Op een keer keek hij terug, een van de jongens fluisterde hem iets in zijn oor, zeker iets gemeens over mij en mijn denkbeelden. Max schudde zachtjes, bijna onmerkbaar zijn hoofd. Hij keek me nog eens aan, maar in zijn ogen las ik geen haat, zoals bij de andere jongens, ik las medelijden. Medelijden met mij, waarom zou hij nou weer medelijden met mij hebben? Daar is geen enkele reden voor, ik heb zelfs veel meer kansen dan ik eigenlijk verdien! Ik geef toe dat ik verwonderd, ja, zelfs bijna geschokt was hierdoor.
Waarschijnlijk zul je denken, waarom maakt ze zich daar nou zo druk over, het zal wel niet veel betekenen, misschien heeft ze het gewoon verkeerd gezien, maar ik heb het niet verkeerd gezien. De ogen zijn de opening van de ziel, een van de weinige manieren om uit te vinden wat iemand echt denkt en voelt, ogen kunnen niet liegen, dus je vind altijd de waarheid. Nee, ik heb me niet vergist, daar ben ik absoluut zeker van.
De rest van de week maak ik nog een paar keer oogcontact met Max, en telkens zie ik weer diezelfde emotie, medelijden, elke keer uitgesprokener. Verder heb ik nog niet met hem gesproken, tot vrijdagmiddag. De vrijdag was weer een ellendige en lange dag. Aan het eind van de middag, na de lessen, ben ik van plan naar huis te gaan, ik ben zelfs van plan om een droge boterham te nemen, als beloning voor deze zware week, wat ik mezelf anders nooit toesta! Ik liep de gang uit naar mijn fiets, tot ik opeens iemand op mijn rug voel tikken. Ik denk dat het gewoon een gebruikelijk pesterijtje is, dus ik loop stug door. Tot ik Max stem hoor: ‘Melanie, wacht even, ik wil met je praten,’ zegt hij. Ik reageer nog steeds niet maar loop stug door, wel merk ik dat mijn hart sneller gaatkloppen, waarom weet ik ook niet. Max loopt nog steeds achter me aan, ik versnel mijn tempo, hij ook. Ik voel me opgejaagd, als een wild dier waar jacht op wordt gemaakt. De gangen zijn verlaten, er is niemand die me zou kunnen helpen, bovendien is er niemand die me zou willen helpen. ‘Melanie wacht nou even!’ hoor ik Max achter mij hijgen. Maar ik wacht niet, natuurlijk wacht ik niet. Waarschijnlijk zou hij toch, net als iedereen, iets flauws tegen me zeggen, als ik hem ook maar het kleinste beetje vertrouwen schonk. Ik begon te rennen, Max staat plotseling stil, ‘Melanie, waarom doe je jezelf dit aan?’ roept hij naar me. Plotseling draai ik me met een ruk om. ‘Ik verdien dit!’ schreeuw ik naar hem. ‘En weet je waarom ik dit verdien?’ vervolg ik, ‘omdat ik Joods ben!’ ‘Niemand verdient dit, Melanie!’ zegt Max. Dan draait hij zich om en loopt weg. Ik kijk hem na, tot hij de hoek om is. Dan draai ik me om en sprint naar mijn fiets.
Op mijn fiets slaan zowel mijn benen als mijn gedachten op hol. Steeds sneller en sneller, tot het een draaiende kolkende massa is, bestaand uit onsamenhangende woorden en beelden. Als ik thuis kom ren ik naar de deur en val haastig naar binnen, hijgend en met knalrode wangen. ‘Hallo lieverd, heb je het leuk gehad? De eerste week zit er al weer op!’ roept mama vrolijk. Voor het eerst sinds die ene dag antwoord ik niet met een nors ‘nee,’ maar zeg ik met een haast ademloze stem:‘Ja hoor!’ Mama kijkt me verbaasd aan, ‘Gaat het wel goed met je lieverd? Je ziet er een beetje oververhit uit.’ ‘Ja, ja, het gaat prima! Helemaal prima!’ antwoord ik. Dat was niet gelogen. Het gaat echt prima met me, Max woorden waren niet aardig geweest, maar hij was wel de eerste sinds lange tijd (op papa en mama na) die interesse getoond had, had geprobeerd om me te helpen. Mijn vriendinnen hadden, vlak na die ene dag, wel een paar keer gevraagd wat er met me aan de hand was, waarom ik me zo vreemd gedroeg, maar nadat ik mijn hoofd had kaalgeschoren hadden ook zij officieel afstand van me genomen. Zelfs mijn beste vriendin die ik toen had, Paulien. We deden alles samen: shoppen, zwemmen, naar de bioscoop gaan , logeren, en bovenal kletsen over van alles en nog wat: kleding, schoenen, dieren, leuke jongens, noem het maar op of we bespraken het uitvoerig met elkaar. Ik moet toegeven dat het verlies van Paulien, waarvan ik dacht dat ze mijn beste vriendin voor altijd was en dat we elkaar altijd zouden steunen, een van de ergste veranderingen was. Maar dat zorgde er niet voor dat ik zou gaan stoppen met mijn plannen en weer de zelfde persoon zou worden die ik voor die ene dag was, integendeel, het maakte me juist fanatieker en gedrevener om tóch de dingen uit te voeren die ik me in mijn hoofd had gehaald.
‘Lieverd, je moet even wat eten, anders val je zo nog flauw!’ zegt mijn moeder. Ik laat me door haar de keuken in duwen. ‘Zo ga maar even lekker zitten, dan maak ik een boterham voor je, wat wil je erop?’ vraagt ze, in een poging om me weer eens een boterham met beleg te laten eten, ik weet dat ze denkt dat ik er toch niks op wil, maar ik verras haar opnieuw. ‘Ehm, doe er maar kaas op, mama,’ zeg ik. Dit keer kijkt ze me nog verbaasder aan, maar ze maakt gauw een boterham met boter en kaas voor me, voordat ik me bedenk. ‘Alsjeblieft, schat,’ zegt ze, terwijl ze de boterham voor me neer zet. Ik eet hem gretig op, wat smaakte dat goed zeg! Ik was de smaak bijna vergeten. ‘Ik verdien dit niet,’ denk ik, ‘ik verdien het om honger te lijden,’ maar dan hoor ik de krachtige, heldere stem van Max in mijn hoofd: ‘Nee, Melanie, niemand verdient dit!’ De stem van Max wint het, en ik ga verder met het eten van mijn boterham.
Nu is het zondagavond en morgen ga ik weer naar school. Ik zie er niet zo tegenop als gewoonlijk, want dit keer heb ik een doel voor mezelf gemaakt, een doel wat weer een beetje zin aan mijn leven geeft, namelijk Max mijn excuses aanbieden omdat ik zo uit mijn slof geschoten ben terwijl hij mij alleen maar probeerde te helpen. Het zal eng worden, daar ben ik zeker van, maar ik ga het toch doen. En nu ga ik proberen te slapen. Vaak hou ik mezelf lang wakker, om nog meer uitgeput te raken, maar dit keer ga ik dat niet doen, want ik zal mijn krachten morgen nodig hebben.

jaa, het is een soort van echt gebeurd bij mij… Maar niet zo extreem hoor

wow dat dat echt gebeurt is, vind het een mooi stukje, graag doorgaan :grinning: en eindelijk een écht bijzonder verhaal met lekker lange stukjes

-

tot hoeverre is dit echt gebeurd dan? ben je echt kaal?
Iniedergeval: je bent een goed mens en je verdient een goed leven! bedenk hoe mooi je toekomst kan zijn! jij krijgt de kans een goed leven te leiden, grijp die kans!
ik blijf dit verhaal volgen als je verder schrijft teminste!
x

hee!
bedankt voor jullie lieve reacties! (L)
Nee, ik ben niet kaal:P
Ik heb het zelf niet echt zo gehad, maar het is gewoon een soort van gevoel dat ik had en dat heb ik heel erg overdreven en zo, snap je?
beetje vaag allemaal.
Morgen schrijf ik nog een stukje!
XX!

nice:D

Hoofdstuk 3
Ik zit op mijn fiets op weg naar school, het is nog steeds koud buiten, maar er schijnt een waterig zonnetje tussen de bomen door. Ik kijk om me heen, wat is het hier eigenlijk mooi! Ik genoot vroeger, voor die ene dag, altijd zó van het naar school fietsen. Tussen mijn huis en de school waar ik naartoe ga is een uitgestrekt bos waar ik vroeger als kind vaak spelletjes in speelde met mijn vriendinnen, we konden uren zoet zijn in het bos, het was ook zo groot en mooi, en er was zo veel te doen. Nu fiets ik elke dag door dat bos heen en daar doe ik ongeveer een half uur over. Ik glimlach bij de herinnering aan vroeger. Ik ging altijd zo vroeg mogelijk weg van school en fietste dan heel langzaam door het bos heen om er zo lang mogelijk in te blijven, omdat ik zo genoot van de natuur. Uiteindelijk kwam ik altijd net op tijd op school aan, terwijl ik veel te vroeg vertrok.
De laatste tijd ben ik eigenlijk steeds zo snel mogelijk door het bos gefietst, maar vandaag doe ik het rustig aan. Ik heb toch nog alle tijd en het heeft geen enkele zin om te vroeg op school te komen, dat is alleen maar vervelend want dan moet ik in mijn eentje op het plein wachten, terwijl iedereen me raar aankijkt en beledigende dingen naar me roept. Nee, dan blijf ik liever wat langer in het bos.
Uiteindelijk kom ik, net als vroeger, net op tijd op school aan, de eerste bel gaat al als ik mijn fiets nog aan het wegzetten ben. Ik moet opschieten, dus ik loop door snel door naar het lokaal. Ik ga op mijn plek zitten, achterin de klas. Alleen.
Net als ik ben gaan zitten gaat de bel. De leraar, meneer Visser komt de klas binnen. Het is een oud mannetje, en hij geeft ons Nederlandse les. Hij ziet er grappig uit met zijn grijze haren in rare krulletjes en hij is eigenlijk altijd goedgehumeurd, daarom is hij een vrij populaire leraar. Hij is ook een van mijn favorieten.
Visser begint iets uit te leggen over de grammatica, en langzaam droom ik weg op mijn tafel.Dat is het fijne van achterin zitten: ik val niet zo op. Hoe zal ik het tegen Max zeggen? ‘Max! Sorry van vrijdag! Ik bedoelde het niet zo, ik was in de war en toen…’ Nee, dat klinkt stom en bovendien maak ik de zin dan niet af. Ik moet wel zorgen dat niemand anders het hoort, ik moet wachten tot hij alleen is, want anders lacht iedereen me natuurlijk uit. Ja, dat doe ik, ik wacht gewoon tot hij alleen is, en dan zeg ik: ‘Max, sorry van vrijdag, ik had niet zo boos willen worden.’
Maar de rest van de dag is er geen moment dat hij alleen is, hij is de hele tijd met de andere jongens, waar hij het zo te zien erg goed mee kan vinden.Ik moet het doen zeg ik tegen mezelf aan het einde van de dag, maar voordat ik voldoende moed heb verzameld is hij al lachend weggefietst.
Ik loop in gedachte verzonken naar mijn fiets toe, ik baal flink dat ik mijn excuses niet aan Max hebt aangeboden. Het voelt net alsof ik gefaald heb in het enige doel wat ik voor mezelf gesteld heb. Ik fiets weer als vanouds snel door het bos heen, zo snel dat ik pijn aan mijn benen krijg, maar dat maakt me niet uit, niks maakt me meer uit, waarom besta ik eigenlijk nog? Ik kan toch niks goed doen, en bovendien verdien ik het helemaal niet om te bestaan. Ik moet zachtjes huilen, wat maakt het ook uit? Ik ben hier toch de enige, ik heb in al die jaren nog nooit iemand op dit fietspad gezien. Ik laat mijn tranen de vrije loop gaan, eindelijk, na al dat leed, huil ik. Ik huil, zo hard dat mijn tranen me verblinden, ik stop, en ga aan de kant van het fietspad zitten, met mijn benen als een schild voor me. Ik sla mijn armen om mijn benen heen en wieg zachtjes heen en weer, de tranen blijven over mijn wangen stromen, stromen en stromen. Ik weet niet hoe lang ik daar al zit, maar na een tijd komt er een oude man voor me staan, met een camera om zijn nek hangen. Hij heeft een vriendelijk gezicht. ‘Wat een verdriet meisje, wat een verdriet!,’ zegt hij met een diepe en geruststellende stem. Ik kijk hem aan, mijn gezicht nat van de tranen. Ik zie dat het buiten al aan het schemeren is, ik denk aan thuis, ergens in mijn achterhoofd denk ik aan mijn ouders, die waarschijnlijk doodongerust zijn, denken dat ik zelfmoord heb gepleegd, of dat er iets anders vreselijks is gebeurt, maar ik verdring de gedachte. Ik zeg niks tegen de man, maar kijk hem alleen maar aan. Ik ben inmiddels gestopt met huilen. ‘Mag ik je fotograferen?’ vraagt de oude man. Ik begrijp er niks van, maar ja, wat maakt het ook uit. Ik knik van ja. De man vraagt of ik wil gaan zitten zoals ik net zat, op de grond met mijn armen over mijn benen geslagen. Ik doe het, en hij maakt er een paar foto’s van. Hij aait me over mijn gezicht en zegt dat ik maar snel naar huis moet gaan, dat het al donker wordt, en dat mijn ouders vast doodongerust zullen zijn.
Ik sta op, loop naar mijn fiets en ga zo snel mogelijk naar huis. Onderweg denk ik aan het vriendelijke gezicht van de oude man, waarbij ik een ontzettend vertrouwd gevoel had gehad, net alsof ik hem al mijn hele leven ken. Bijna alsof hij familie van me is.
Thuis aangekomen druk ik op de bel, mijn moeder komt aangesneld, en doet de deur open. Als ze mij ziet, met rode ogen van het huilen en moddervegen aan mijn broek maar verder ongedeerd, moet ze bijna huilen van opluchting. Nadat ze me eens flink had geknuffeld, roept ze naar papa: ‘Ze is er hoor!’ Later bleek dat papa de politie al aan het bellen was.
Mijn ouders vinden dat ik meteen verzorgd moest worden. Mama pakt me in een deken op de bank voor de tv, en laat me tegen haar aan liggen, papa maakt een kopje thee voor me. Ik geef me, na al die tijd, over aan mijn verdriet, en drink een kopje thee. Ik liggend tegen mama aan en papa bij mijn voeten, zo zitten we op de bank televisie te kijken. Ik let nauwelijks op wat er op de tv gebeurt, maar de ongelooflijke gezelligheid en vertrouwelijkheid die om ons heen hangt zal ik me nog jaren blijven herrinneren… Afgezien van mijn kale hoofd lijken we bijna op een normaal gezinnetje.
Veel later, als ik al lang in bed lig, bedenk ik me dat ik mezelf in minder dan een week tijd al twee keer heb toegestaan te genieten van het leven, zonder schuldgevoel. Vrijdagmiddag na school, toen ik een boterham met kaas heb gegeten, en vanavond, toen ik met papa en mama op de bank televisie heb gekeken.
Ik neem me voor om weer wat strenger te worden voor mezelf.

jij kan egt mooi schrijven!
jaja zoals ik al zei ik blijf het volgen XD

ik wil weten wat er op díe dág was (8

heavy,
meer!

mooi! :grinning:
verder

Mooi! ^^ Kvind je verhaal echt… aangrijpend, en ben benieuwd hoe dit afloopt…

Zeker mooi :open_mouth:
verder

Hoofdstuk 4
Vandaag voel ik het meteen weer als ik opsta, het schuldgevoel. Het is zo verscheurend, dat het wel op pijn lijkt, die alleen overgaat door niet te eten.
Van verhalen van mensen uit concentratiekampen heb ik weleens gehoord dat honger lijkt op pijn die alleen overgaat door wel te eten.
Als de wekker gaat komen mama en papa samen mijn kamer binnen, zoals altijd verstop ik me onder het kussen, maar tot mijn grote verbazing en opluchting vertelt mama me dat ik vandaag niet naar school hoef. ‘Wel willen we even met je praten, Mel, dus kleed je maar snel aan en kom naar beneden.’
Ik doe wat me gezegd wordt en kleed me aan. De vertrouwde outfit: Het zwarte sweatshirt, de versleten spijkerbroek en de afgetrapte schoenen. Omdat ik deze kleren al zo vaak heb aangehad, lijkt het soms net alsof ze bij mijn lichaam horen. Als een soort tweede huid. Net zo verwaarloosd als mijn lichaam zelf ook is.
Beneden zitten mijn vader en moeder met zijn tweeën aan de keukentafel. De ontbijttafel is voor drie personen gedekt. Broertjes en zusjes heb ik niet. Vroeger vond ik dat vaak jammer, ik kon er hele nachten over huilen omdat ik me zo alleen voelden. Maar nu maakt het me niet meer uit. Zo’n oppervlakkig probleem, daar kan ik nu niet meer mee zitten. Ik loop de keuken binnen en ga op mijn stoel zitten. Ik kijk mijn ouders vragend aan. Mijn vader zegt: ‘Melanie,’ zo noemt hij me alleen als hij iets serieus wil zeggen, onwillekeurig schrik ik er een beetje van dat hij me zo noemt, hoewel het toch gewoon mijn naam is. ‘Dit kan zo niet langer, wij hebben altijd gedacht dat dit maar een fase is, die redelijk normaal was, maar in plaats van dat het beter wordt, wordt het alleen maar erger. Wij denken dat het je misschien helpt om naar een psycholoog te gaan, om daar een paar keer mee te praten, want het is duidelijk dat we dit niet meer met zijn drieën op kunnen lossen.’
Ik weet niet wat ik hiervan moet denken. Misschien hebben ze wel gelijk, maar aan de andere kant, ga je niet alleen naar een psycholoog als je gek bent? Dacht mijn bloedeigen ouders dat ik gek was? Ik had ze toch zo vaak uitgelegd hoe het kwam.
Ik probeer mijn zelfbeheersing te bewaren, en zeg met een zo rustig mogelijke stem, die toch nog een beetje trilt van de ingehouden woede: ‘Ik denk niet dat dat nodig is.’
Mama kijkt me smekend aan, ‘lieverd, misschien denk je nu van niet,’ zegt ze, ‘maar later zul je blij zijn met de wijze beslissing die je gemaakt hebt.’
Waarschijnlijk kwam het door de toon waarmee ze dat zei, net alsof ze het tegen een kleuter heeft, dat ik buiten mezelf raak van woede. Mijn vingers en tenen beginnen te tintelen, onder in mijn buik voel ik een groeiende woede opkomen, als een lawine van boze woorden en beledigingen die niet meer te stoppen is, en voor ik het weet begin ik te schreeuwen: ‘Denken jullie nu echt alleen maar aan jezelf?’ schreeuw ik ‘jullie zouden wel een perfecte dochter willen, en omdat ik niet de standaard dochter ben, willen jullie me nu naar een psycholoog,’ ik spuugde het woord uit ‘laten gaan, zodat die me misschien weer beetje bij beetje terug kan buigen naar de dochter die jullie willen, die me kan hersenspoelen, zodat ik vergeet wat ik zelf voel en denk, en alleen nog maar voel en denk wat jullie willen dat ik voel en denk. Nou, ik kan jullie verzekeren dat dat niet gaat gebeuren!’ Ik kijk ze allebei woedend aan, en storm daarna de keuken uit, naar boven, naar mijn kamer. Daar ga ik op mijn bed liggen, en daar blijf ik.
Pas na een hele tijd word ik weer rustig. Dan bedenk ik me hoe stom ik ben geweest, dat mijn ouders me alleen maar probeerden te helpen. Ik heb mijn eigen glazen ingegooid, iedereen die me probeert te helpen, jaag ik weg, eerst Max en nu ook nog eens mijn ouders. Plotseling schrik ik van de gedachten die ik nu heb. Dus ik wil geholpen worden? Ik wil geholpen worden, ik wil geholpen worden, ik wil geholpen worden, gonst het door mijn hoofd. Dus ik wil niet meer lijden? Ik wil niet meer lijden? Niet meer lijden? Geholpen worden? Wat wil ik? Geholpen worden, niet meer lijden, antwoord ik mezelf automatisch. En dan neem ik een besluit. Ik ga met mijn ouders praten, ik maak het weer goed, ik vertel ze dat ik wil veranderen, desnoods ga ik zelfs mee naar die stomme psycholoog van ze, al walg ik van het idee. En ik maak het ook goed met Max.
Op de een of andere manier vind ik deze gedachte zo geruststellend dat ik bijna meteen in slaap val.

bedankt voor jullie leuke reacties!
XXX!(L)

Klinkt als Auschwitz

Je kan goed schrijven;;
verder ^^