Schrijf het verhaal verder

Oke, ik had een ideetje en eens kijken of het aanslaat.
Ik schrijf gewoon een beginstukje van een verhaal en dan gaat er iemand anders verder. Zo ontstaan er echt de meest rare verhalen.
Ik doe het vaak met mijn vriendinnen en we lachen ons altijd helemaal dood. Het hoeft natuurlijk niet echt te kunnen.

Daar komt die!

Er was eens een meisje, met paars haar. Lopend in het zuurstokkenbos.

Jullie beurt, hoe gaat het verder?

In haar rechterhand heeft ze een gouden sleutel. Nietwetend waar de sleutel voor bedoeld was liep ze door het bos. Zonder al te veel naar links of rechts te kijken liep ze over het kronkelige zandpad, vresend voor alle wezens die in dit zuurstokkenbos konden leven.

Opeens stak er een vreemde wind op. Het rook naar zomer, winter, en de herfst tegelijk. Maar waar was de lente? Verdwaasd keek het meisje op. En vol verbazing keek ze naar de sleutel, die een goude, pulserende gloed kreeg. Wat gebeurde er nou? Ze probeerde de sleutel weg te gooien, maar tevergeefs, het zat aan haar vast. Met haar linkerhand probeerde ze de sleutel uit haar handen te wrikken. Maar haar poging mislukte, in plaats daarvan gebeurde het omgekeerde. Nu zaten beide handen aan de vreemde sleutel vast! Het meisje hoorde geritsel om zich heen. Zeker de vreemde wezens uit het bos. Wat moest ze nu doen? Ze was helemaal alleen, ze kende de weg niet, haar handen zaten vast aan een magische sleutel en ze kon zich op geen enkele manier verbergen of verdedigen!

plots werd ze op haar schouder getikt, ze schrok zich een hoedje en vreesde voor haar leven.

Ze stond te trillen op haar benen. Langzaam draaide ze zich om, klaar voor het gevecht dat zou opkomen. Maar toen ze zich omdraaide geloofde ze het niet. Het was een jongen. Een heuse jongen, net zoals haar. Alleen was er iets vreemds met hem. Zijn ogen waren hemelblauw en leken geen puppilen te hebben, en uit zijn rug torenden twee uitsteeksels boven hem uit. Ze waren groot en gitzwart. Pas na een tijdje wist het bange meisje wat het was. Het waren vleugels. Engelenvleugels. Wat was dit prachtige schepsel, dat haar met zijn schoonheid betoverde?

Ze wilde zo snel mogelijk weg rennen, maar net op dat moment viel er iets uit de lucht. Het leek op een stokje, nee nu het dichterbij kwam herkende ze het weer een sleutel. Hij landde recht in haar glanzende blonde lokken. Deze sleutel had niet alleen een magische kleur, maar ook een vreselijke stank. Die moest ze gewoon uit haar haren halen, ze kon deze stank niet verdragen. Ze liet haar handen voorzichtig naar boven gaan, ook al zaten ze nog steeds vast aan de sleutel. Ja, ze voelde hem zitten hij voelde wat glibberig aan. Ze had het gevoel dat het hele bos om haar heen leefde, wat eerst nog een sprookjesbos had geleken was nu helemaal veranderd in een donker bos met moerassen. Het leek wel alsof er wezens zaten die haar in het oog hielden. Als ze heel goed in de verte keek zag ze er een kasteel, had ze dat wel goed gezien, hier zou geen gebouw horen te staan. Plots hoorde ze zware voetstappen achter zich en ze stond in een schaduw van iemand of iets!

edit: sla dit stukje maar over, het was nog een vervolg op typemachine ik was vergeten om de pagina te refreshen

Haar hart klopte in haar keel, en langzaam draaide ze zich om. De engelachtige jongen was verdwenen. Even bedacht ze dat hij weggevlogen was. In plaats daarvan keek ze in het gezicht van een lief klein meisje. Ze had een rode mantel aan, en haar kastanjebruine lokken vielen tot haar schouderbladen, in haar handen hield ze een mandje vast.
‘Hallo, klein meisje’ vroeg ze zachtjes. Het meisje antwoordde niet. Het keek haar alleen met een doordringende blik aan.
‘Hoe heet je?’ probeerde ze weer. Het meisje schudde haar hoofd, en stond op het punt weg te lopen. Ze strompelde achter haar aan, hopend dat zei de weg wist.
‘Wacht! Waar ga je naartoe?’ riep ze. Dit keer draaide het meisje om en keek haar aan.
‘Ik ga naar het bos’
‘Waarom?’
‘Ik ga mijn oma bezoeken’ Het meisje slikte bij het woord oma, en ze dacht angst in haar chocoladebruine ogen te bespeuren.
‘Ik wil graag mee’ zei ze. En samen vervolgden ze hun weg, door het zuurstokkenbos. Ze keek soms omhoog, hopend het beeldschone wezen dat ze eerder had gezien, in de lucht te vinden.

Ze wist niet goed meer waar of wanneer, maar ergens, ooit, had ze een verhaal gehoord over een meisje met een rood jasje. Of droeg dat meisje een rode broek of toch een rood rokje? Ze wist het niet meer. Haar geheugen leek vervaagd, in dit zuurstokkenbos. Ze herinnerde zich wel iets van een hemelsblauw jasje, wat ze zelf ooit had gedragen. Nu zou ze deze kleur niet meer aan kunnen, het was niet mooi met haar haren. Althans, misschien toch wel. Hier kon alles. Zo liep het meisje met de paarse haren achter het meisje met het rode jasje, nog steeds vastzittend aan de sleutel. Waar die dan voor was… Misschien waren er hier robots of andere wezens, die ze als het ware op moest winden met de sleutel. Of ze zou een schat vinden, met daarin geluk. (Geld kent het meisje niet meer, dat bestaat tot nu toe niet in het zuurstokkenbos). Af en toe zag het meisje met de paarse haren een schim. Geen beangstigende schim, maar één die een goed gevoel geeft. Het is raar, maar fijn, heel fijn! Maar voor hoelang?

Toen het meisje eindelijk het lange pad met het andere meisje was afgelopen zag ze een dwerg, die dwerg probeerde de oma op te eten. Niet dat het hem ooit zou lukken… Maar toch. Plots hoorde het meisje vuurwerk en pakte snel het andere meisje en rende naar binnen, maar de deur zat op slot en ze knalde allebei keihard tegen de deur aan. Auw. Snel stonden ze op en het meisje probeerde de gouden sleutel in het gat te doen. Wauw. Het lukte.

Verbaasd keek ze in het rond. Had ze daarom die sleutels gekregen? Om kleine deuren van hutjes te openen? Ze schudde haar hoofd. Blij keek ze naar haar handen, die bevrijd waren van die vreselijke, zware sleutel. Toen ze binnen waren, zagen ze de oma in haar bedje liggen. De dwerg keek hun boos aan. Op zijn wang had hij een lelijke rode striem. Mopperend liep hij naar de deur, en ging naar buiten. Het meisje draaide zich om, en keek de dwerg na.
‘Ik had zo’n honger.’ hoorde het meisje nog. Ze draaide zich weer om, haar adem stokte in haar keel terwijl een pulserende rode gloed het kleine meisje en de oma omhulde.
‘Oma, u bent vrij!’ jubelde het meisje.
‘Zij is het…’ Allebei keken ze het meisje aan.
‘Je moet naar de andere sprookjes figuren. Snel!’
‘Wacht, waar hebben jullie het over?’ protesteerde het meisje. Maar voordat ze het wist, stond ze alleen in het zuurstokkenbos. De hut, het kleine meisje en de oma was verdwenen…

Verbijstering maakte zich van haar meester. ‘Wacht even,’ dacht ze ‘oma’s weten altijd raad’. Volgens het meisje had de oma haar moeten helpen. Of was dit juist helpen? Ze besloot te gaan lopen. Ze voelde de streling van een zachte wind langs haar wang gaan. Zo’n zeewindje, alleen dan windkracht 1. Ze genoot.

Ze liep verder en verder. De zuurstokken om haar heen waren gevuld met leven. Ze zag kleine trombones met hun vleugels klapperen. In de verte lag een zeehond op het droge te zonnen. Het bos werd minder dicht, vrolijker en kleurijker naarmate ze verder liep. De wind speelde met haar haren en ze voelde zich heel even fijn. Maar het was van korte duur, angst sloop haar lichaam binnen. Hoe moest het nou verder? Wat als de dwerg terugkwam?