Nederlands so help..

Hey ik heb een so nederland over wwg vnw pv ond gez lidw telw etc. kan iemand mij helpen plies?? ik begrijp het niet

uitleg…

zinsontleding…

pv vind je door de zin in een andere tijd te zetten bijv :
Ik ga naar school.
Ik ging naar school.

ging is hier dus het pv.

wwg( ik neem aan dat je werkwoordelijk gezegde bedoelt) =
zijn alle werkwoorden in de zin voorbeeld:

Jan gaat met Henk zwemmen.

gaat en zwemmen zijn werkwoorden dus gaat zwemmen is het wwg

Kijk eens op google. ;p

Thanks allebei en ik heb al op google gekeken maar er staat vage uitleg

ond: Wie doet er wat?

voorbeeld: De leerlingen gaan schaatsen.

Wie gaan schaatsen?

De leerlingen = dus onderwerp

Lidwoord is altijd de/het/een

Suikerspin,
wat snap je niet? Stel vragen. Want er is zooo veel uit te leggen over zinsontleding ( WAT KUT IS, we kregen het in de onderbouw en je hebt het helemaaaal niet meer inde bovenbouw nodig, flikkers).

Stel vragen over wat je echt niet snapt! Vb zin waar je hulp bij wilt.

nog meer??

ik snap echt niks Helemaal niks geen ene flikker

wat is nwg, lv, mv, bwb, bvb?

zinsontleding nog ff.
Tja je zet gewoon achter het onderwerp een streepje achter het pv en wwg en lv enzo. maar je kan de zin dan ook veranderen zeg maar:
Ik ging naar school fietsen.

Ging ik naar school fietsen?
Naar school ging ik fietsen.
Fietsen ging ik naar school. (kan dit hahah?)

dus je krijgt dan Ik/ging/naar school/fietsen
Onderwerp: wie ging naar school fietsen= Ik
Persoonsvorm: Ik ga naar school fietsen. = ga
Werkwoordelijk gezegde: alle werkwoorden ( dus woorden die je achter ik/hij/wij blabla kunt zetten) = ging fietsen

Het is ingewikkeld.

heb geen tijd om het je uit te leggen, sorry.
maar deze site legt het wel goed uit vind ik.
KLIK

onderwerp is de gene die het werkwoord doen in de zin.
lijdend voorwerp is hetgene die het hoofdwerkwoord ondervinden (lijden).
persoonsvorm kan je vinden door de zin in verleden tijd te zetten. dan wordt namelijk de tijd daarvan anders.
werkwoordelijk gezegde zijn alle andere werkwoorden plus versoonsvorm

ik zei tegen hem
ik = ond.
zei = persoonsvorm.
hem = lijdend voorwerp

naamwoordelijk deel van het gezegde is deel van het gezegd (dus persoonsvorm + werkwoorden), maar het is geen werkwoord maar ander woord en heeft dus betrekking op de persoonsvorm.

ik ben blij.
blij is hierbij naamwoordelijk deel van het gezegd.

meewerkend voorwerp is “aan of voor”
voorbeeld: ik geef een cadeau aan haar. aan haar is meewerkend voorwerp.

bijvoegelijke bepaling zegt iets over het gezegd. en kan je veelal beantwoordenn met vragen als: waarom? waardoor? waarmee? waarheen? hoe lang? hoe? etc.

vb: wij gaan naar frankrijk. naar frankrijk is dus bijvoegelijke bepaling. en zegt dus wat over waar wij heen gaan (=gezegde)

bijwoordelijke bepaling zegt wat over een zelfstandig naamwoord.
vb. een mooi cadeau. mooi is bijwoordelijk bepaling.

lidwoord is dus: het en de

telwoord zijn getallen (één kuiken, twee deuren, eerste plaats, tweede plaats etc) maar ook andere woorden die een hoeveelheid aangeven. (veel, een beetje, zoveelste etc.)

hoop dat het zo duidelijk is?

.

thanks!! echt jullie zyn spr!!!

ik heb wel opgelet enzo maar ik kon me niet echt goed concentreren en het was ook een maand geleden ofzo dus ik ben weer vergeten…

sorrie als ik heel nerderig overkom, maar anders krijgt de topicstartster een verkeerde uitleg.

op www.cambiumned.nl kan je oefenen!
Bij zoeken ‘ontleden’ ofzo intypen en dan krijg je allerlei oefeningen. :wink:

oh ja, nu zie ik het ook. dom. geen probleem. nu ik mijn bericht teruglees zie ik het ook. dus niet nerdy. :slightly_smiling_face:

Staat het niet gewoon in je boek?
Kijk achterin in het register, daar moet het toch staan?