Moïra en Marcus- Ik zoek geluk

Hee. Ik heb dit tijdje terug al gepost, maar laten verwijderen. Toch heb ik besloten dat ik het af wil maken en toch weer wil posten. Ik wil GRAAG reacties [i]en commentaar.

“578… 579… 580…” Luid op tel ik de klavertjes één, twee, drie of vijf die ik tegenkom, terwijl Marcus achter mij op het kleed zit te mompelen over hoe vreselijk hij het vind dat er naast de paarse viooltjes oranje tulpen groeien.
“Zie je dan niet hoe dat vloekt!” bijt hij me toe als ik weer eens met mijn ogen naar hem rol.
“Je weet zelf wel dat ik vind dat alle kleuren gewoon feilloos in elkaar over zouden moeten gaan. De natuur is net één grote puzzel, Moira, één grote puzzel. En moeder natuur heeft hier duidelijk een verkeerd stukje neergelegd.” gaat hij verder terwijl hij met mijn net gekochte walnoten probeert de tulpen kapot te gooien, dondersgoed wetend dat het hem niet zal lukken en het alleen maar betekend dat hij straks voor mij nieuwe mag gaan halen. Hij blijft ermee doorgaan, omdat hij denkt dat hij daarmee de wereld meer in evenwicht brengt. Het is één van de redenen waarom ik zo van hem houd. Hij heeft een kijk op dingen die geen ander heeft. Hij heeft zijn eigen logica ontwikkelt, is overtuigd van het feit dat zijn kijk op de wereld, zijn commentaar op mens en natuur, door iedereen zou moeten worden gekopieerd. En dat wanneer zijn visie wereldwijd gevolgd wordt, de wereld er op vooruit zou gaan, en op een dag zelfs moeder natuur hem niet meer zal pesten met een dode boom te midden van een rij groene eiken, of zoals vandaag de vloekende bloemen. Want dat doet moeder natuur volgens hem, ze pest hem.
“581… 582… 583…” tel ik onverbiddelijk verder.
“Moira, lief. Je ligt nu al uren op je buik te tellen. Kun je niet voor even bij me komen zitten en tenminste doen alsof je het bloemen-incident waar ik me zo druk over maak net zo erg vind als ik?”
“Er moet hier toch wel ergens een klavertje vier zijn? En zolang ik die niet heb gevonden, ga ik door.”
Een zucht volgt uit de mond van mijn dwergje. “Als ze eenmaal ergens aan begint…”
Ik pak en walnoot en tracht hem naar zijn hoofd te gooien, maar ik mis. “Ergens.” begin ik.
“Ergens moet hier toch wel geluk te vinden zijn? We zijn op één van de mooiste plekken die ik ken, en ik heb verder overal gezocht! Ik heb een hele winter lang plekken bezocht die je volgens de boeken, de radio en de televisie gelukkig zouden maken, maar niks gaf me dat gevoel. Ik heb hoefijzers bij me gedragen, miljoenen rituelen uitgevoerd en zelfs yoga maakte me niet rustig. Dit klavertje vinden is mijn laatste hoop, dwergje. Mijn laatste hoop.’

Als een echte man zit ik achter op de fiets van Marcus. Aan beide kanten van de fiets bungelt één van mijn benen. “De amazone-zit is ook uitgevonden om de wereld meer gratie, meer charme te geven hoor.” kaart Marcus aan.
“Met jouw gevoel voor evenwicht vind ik dit toch wat fijner zitten.” Marcus is niet zo’n held wat fietsen betreft. Één verkeerde beweging en hij rijdt me vol overtuiging de rozenberm in, om vervolgens ook nog te weigeren de doorns uit mijn armen te trekken.
“Doet het jou niet toe hoe dit eruit ziet dan? Stel dat wij een foto zouden zijn. Dan zou iedereen zeggen dat er iets mis is aan de compositie. Dat jij niet klopt. Een gespierde, licht getinte jongen fietst zelfverzekerd door de straten van een klein ouderwets dorp, met achterop een pareltje die erbij zit alsof ze haar glans is verloren. Ongegeneerd, alsof…”
“Bij hoeveel was ik?” onderbreek ik zijn zin om een minuten durende schets over hoe ik niet in ons plaatje pas te stoppen. Om nog maar niet te beginnen over zijn gespierde lichaam. Spieren heeft hij, daar liegt hij niet over, je ziet ze alleen niet zoals het bij een jongen zou zijn die wekelijks de sportschool bezoekt.
“Bij hoeveel was je waarmee?”
“De klavertjes!” Hoe kon hij nou niet weten dat ik het daar over had? “Hoeveel klavertjes met teveel of te weinig blaadjes had ik al gehad? En we gaan morgen ochtend toch wel weer terug om
verder te zoeken naar mijn geluk he?”
Marcus zucht en stopt abrupt met fietsen, midden op het schelpenpad. Hij houdt mijn hoofd tussen zijn handen en kijkt me eventjes nadenkend aan, zijn handen twee a drie keer verplaatsend. Hij frutselt even aan zijn imaginairy baardje –want dan doen alle grote denkers volgens hem- steekt zijn vinger in de lucht en roept zoals het een waar genie betaamt: “Eureka!”
“Ik weet het Moira! Ik weet eindelijk wat er mis is met jou. Er zit hier, in dit mooie hoofdje met prachtige jukbeenderen, hier zit een draadje los.”
Even gniffel ik van het hele toneelspel dat hij voor mij uitvoert, om zijn belediging wat vorm te geven.
“Geeft toch niks.” zeg ik nonchalant. “Zo’n groot iets als jij kan dat toch zo weer repareren?”
“Maar natuurlijk,” begint hij zijn zin, terwijl zijn ego zich voedt met het sarcastische compliment dat ik net gaf. “Ik pak gewoon een soldeerbout, en een beetje van mijn natuurlijke soldeertin, en ik las die boel daar zo weer in elkaar!.”
Een kus drukt hij op mijn voorhoofd, waarna hij weer op de fiets stapt en verder zwabbert richting huis.[/i]

up

hihi, best leuk verhaal!
Vreemd, en dat is juist leuk. Ben benieuwd naar de rest!
up

“Gaan we zo?” vraag ik terwijl ik ijverig doorga met het aan elkaar naaien van lappen stof. Marcus’ oma is bijna jarig, en voor haar 103e verjaardag -vraag me niet hoe ze het zo lang vol houdt, ze doet alles wat god verboden heeft, rookt en drinkt- wou Marcus graag een quilt maken. In eerste instantie had ik er niet echt zin in toen hij er weken geleden over begon. Zorgvuldig kocht hij keer op keer een nieuwe lapje stof, wiens kleur en patroon precies over zouden vloeien in het vorige lapje dat hij had meegebracht. Hij was er ruim op tijd mee begonnen, met het verzamelen dan. Vanochtend toen ik naast hem wakker werd, en hem vroeg of hij me zo weer wou brengen naar het bloemenveldje, keek hij verveeld op zijn horloge, waarna hij op sprong en als een gek door het huis begon te rennen. Dat doet hij altijd als hij stress heeft.

“Lief, wat is er?” vroeg ik hem.
“Morgen! Morgen is het zover.” hij duwde mij een naald en draad in handen, gooide een droog stuk brood en een pak jus d’orange naar mij toe en plofte naast mij neer.
“Kom op, waar wacht je nog op? Naaien!” hij gaf me wat lappen stof, die ik volgens zijn voorbedachte patroon aan elkaar moest naaien.
“Je had beloofd dat we vandaag verder zouden zoeken.” Ik weet zeker dat hij de teleurstelling in mijn fluisterhuilende stem kom horen, maar hij deed alsof hij niks hoorde, nam zelf een hap van het niet-zo-vers-gebakken brood en begon ijverig zijn naald en draad met het stof te mengen.

“Gaan we zo?” herhaal ik. Hij hoort me wel, ik weet het zeker. Ik kan het zien aan zijn ogen. Altijd wanneer hij doet alsof hij niet verstaat wat ik zeg, of het niet wil horen, knijpt hij een beetje met zijn linkeroog. Hij is af en toe een beetje héel erg opvallend Oost-Indisch doof. Dat is ook weer één van de dingen aan hem die echt precies bij hem passen, maar waarvan ik niet weet of ik ze nou leuk of verschrikkelijk vind. Demonstratief draai ik me om, met mijn rug naar hem toe. Wie de bal kaatst kan hem terug verwachten, toch? Als ik nu voor me uitkijk, kijk ik recht door het raam naar de fiets waarop ik uren geleden al had willen zitten. Ik vind het heerlijk om te fietsen als de zon nog maar
net opkomt. De vroeg arriverende stralen strelen dan zo heerlijk zacht mijn haren en mijn huid en zorgt ervoor dat mijn sproetjes meer zichtbaar worden. Die doen mij trouwens veel goeds, die sproetjes. Ze geven me een onschuldige gloed, daardoor kom ik met veel meer weg dan dat eigenlijk zou moeten. Al sinds ik me kan herinneren.

Ik was jong, misschien 5 of 6. We woonden nog in een rijtjeshuis waarvan de straat altijd zo levendig lijkt in mijn hoofd. Elke dag een blauwe lucht, grasgroen gras, spelende kinderen en tuinierende ouderen. Ik en mijn buurmeisje waren altijd samen aan het spelen, maar na 2 jaar begonnen de barbies ons toch wel te vervelen. “Ik weet wat we kunnen doen.” zei ze en toen ik har aankeek gaf ze me de blik. De blik die ze altijd in haar ogen kreeg als ze dacht aan de grote bloementuin van de over buurman. De bloemen groeiden daar langer dan ze elders deden, en had ons altijd al een leuk idee geleken om daar een doolhof in te maken.
“Het mag niet van mama.” zei ik, onschuldig als ik was had ik nog nooit een regel overtreden.
“Ik heb er wel straf voorover, en misschien merkt buurman Bart het niet eens!”
“Weet je nog hoe boos hij werd toen Suusje de bal in de tuin gooide?” vroeg ik terwijl ik haar mijn engste en meest boze gezicht liet zien.
“Kom, we doen het gewoon.” Ze rende voor me uit, gooide het tuinhekje open en deed wat stappen in de bloemen. “Jij mag pas als ik er uit ben.” schreeuwde ze me toe.
En dus bleef ik lief wachten tot ze klaar was, om daarna het zelfde pad door te lopen. Oh, wat hebben wij een plezier gehad die middag. Ja, het was geweldig, tot buurman thuis kwam en mijn buurmeisje uit de tuin zag stappen. Zelf zat ik nog in onze persoonlijke doolhof, en drukte mijn handen op oren zodat het geschreeuw me niet doof zou maken. Na een paar minuten kwam ze naar me toe. “Hij vroeg of ik in mijn eentje aan het spelen was.” zei ze en gebaarde mij mee te komen.
Mijn hart klopte in mijn keel, en dat werd alleen maar erger toen ik zijn gezicht kwam. Steeds een stapje dichterbij hem. Eenmaal voor zijn neus, keek ik hem verlegen aan, voor hoever dat mogelijk was met mijn grote ogen. De zon scheen op mijn gezicht vanachter het hoofd van de boze buurman. Hij opende zijn mond, en terwijl hij dat deed verzachtte zijn gezichtsuitdrukking. “Hoe kan ik ook boos zijn op zo’n sproetje als jij!” Opgelucht keek ik mijn buurmeisje aan.
“Speel maar verder meiden, ik leg volgende lente wel wat nieuws aan.”

verder!

nmiddels is het al bijna zeven uur. We zijn al sinds vroeg aan het naaien en volgens mij is het bijna af. Marcus heeft niet meer gezegd dan ‘Verkeerde stukje!’ of ‘Eten doen we vanavond wel.’, en ik ben de hele dag demonstratief blijven zitten. Zachtjes streelt een vinger langs mijn ruggengraat.
‘Liefje, doe nou niet zo.’ Marcus komt achter mij zitten.
‘Ik vraag je nooit wat.’ zucht ik. ‘Ik vraag je godverdomme nooit wat. Ik doe altijd wat jij wilt doen, tenzij ik het echt verschrikkelijk vind. Zelfs je vieze sokken was ik, en je weet wat voor een fobie ik daarvoor had.’
‘Wat probeer je te zeggen?’ vraagt hij terwijl hij mijn schouders begint te masseren. -God, hij weet dat dat me zo ontspant dat ik niet meer boos kan blijven. Normaal gesproken dan.-
‘Dat je ook wel eens wat voor mij kan doen.’
‘Deed ik toch, vanochtend? Of ben je al vergeten dat ik je ontbijt heb gebracht?’
Wat kon ik er slecht tegen hoe hij deed alsof hij niks verkeerd deed. Zag hij dan echt niet in dat het me dwars zat en dat het zijn schuld is?
‘Als jij oud brood en jus d’orange ontbijt vindt? En daarnaast had je me wat beloofd, Marcus.’ Dit keer liet ik me niet overhalen door zijn zachte handen op mijn schouders. ‘En belofte maakt schuld.’

Het is nog maar vijf uur ‘s middags, en ik zit aan tafel met de familie van Marcus. “Traditie.” noemde hij het feit dat ze na rond een uur of twee vanmiddag al aan de eettafel gingen zitten en hun glas om de 10 minuten lieten vullen met rode of witte wijn en al aardig snel niet meer compleet bij zinnen waren. Ik was met tegenzin hierheen gegaan, ik had liever verder gezocht naar het geluk. Marcus’ oma zag blijkbaar dat ik het niet zo naar me zin heb, want ze komt naar me toe lopen. Zij heeft het geluk wel gevonden, tenminste, hoe ze er bij loopt lijkt ze me iet een vrouw de het niet gevonden heeft. Voor een 103-jarige was ze nog fit en enorm goed bij geest. “Bevalt onze familie je niet?” Ze kijkt me aan met haar gerimpelde ogen.
“Nee, dat is het niet. Het spijt me als het zo over komt.”
“Wat is het dan, kleine meid?” Normaal zou ik het niet pikken als iemand me zo noemde, uit haar mond klinkt het zo lieflijk. Haar stem heeft iets, een bepaalde trilling die me zo open maakt.
“Het is niks. Het is gewoon dat Marcus… Ach ik wil ook niet klagen.” Ik draai mijn hoofd weg en voel me schuldig voor het feit dat ik het hele feest aan het verpesten ben. “Gaat u maar.”
Even schrik ik van de manier waarop ze mij daarna aankijkt. “Niks daarvan jongedame. Jij zit ergens mee, en als verjaardagskado voor mij gaan we daar nu over praten.”
“Ik heb u al wat gegeven, ik heb een hele dag aan dat ding lopen naaien.” Mijn hand houd ik voor mijn mond als ik mompel. “Dat ding ís het hele probleem.”
Vragend kijkt ze me aan, en ik besluit maar mijn hart maar te luchten bij deze vrouw, die ondanks de glazen wijn toch nog vrij helder is.
“Ik ben op zoek…” begin ik. “Ik zoek naar geluk. Ja mevrouw, ik weet dat het gek klinkt, maar ik ben ervan overtuigt het ergens te kunnen vinden. Wat het dan ook zijn mag. En ik ben nu al dagen bezig met een klavertje vier zoeken, om te kijken of die mij het geluk kon brengen. En gister zouden we gaan zoeken, maar Marcus dwong me om die quilt te naaien.”
Nu is zij het die me schuldig aankijkt. “Dus mijn verjaardag staat je geluk in de weg?”
“Nee, nee! Totaal niet. Het is gewoon dat ik het vinden moet, en Marcus nooit eens wil helpen met de dingen die ik wil. Hij stelt zijn dingen standaard boven de mijne.” Nu glimlacht ze.
“Ik herken mij zo in jou.” fluisterde ze. “Ik heb ook geluk gezocht, en de mijne heb ik gevonden in Engeland. Een dag op beachy head heeft mij gelukkig gemaakt. En nu ga ik -ja zelfs nu ik 103 ben- nog twee keer per jaar daarheen.”
Hoopvol kijk ik haar aan. Het is dus niet zo gek dat ik het zoek, zoals Marcus wel beweerd. Zelfs zijn bloedeigen oma heeft er naar gezocht, en het gevonden. Ik vraag haar of ze denkt dat ik het daar ook kan vinden, waarop ze antwoord dat ik maar eens echt opzoek moet gaan. En dan niet hier om de hoek.

Up?

up. maar ga je nog verder met vijfvoud van mijn hart voor jou? want ik vind het jammer dat je bent gestopt

Ik zit in n dip met vijfvoud. Ik moet er even weer inkomen…

o oké :slightly_smiling_face:

leuk, jammer van de dip, maar je komt er vast wel weer boven op :slightly_smiling_face:

Up :slightly_smiling_face: Zal ik weer doorgan of?

JA JA JA JA JA JA JA JA JA JA JA JA JA JA JA!!!

haha

Oeeh, yes please further bitte:D

aaahh ik wil meer