Lege straat

Op een dag zag ik jou weer, je was nog net zo mooi als ik je herinnerde.
Je zat op de achterbank van de auto. Je zag me niet.
Ik had zenuwen, ik werd rood, ik begon te zweten.
Nee, dit was mijn kans, ik MOEST gewoon iets doen.
‘J&E, J&E, J&E’ ik riep zo luid als ik kon. Je hoorde mij niet. Je moeder keek, schudde met haar hoofd en trapte op het gaspedaal.
Ik gaf de moed niet op, ik liep de longen uit mijn lijf, ik riep. Maar het had geen zin meer.
10 meter werd 100 meter en 100 meter werd 1000 meter en 1000 meter werd een lege straat.
Ik was verloren.
xx
wat vinden jullie ervan??

Reacties?

Tsja, niet slecht.
Maar er zit geen ‘verhaal’ in je stukje.
En dan bedoel ik geen verhaal zoals in een boek, maar geen doel geen betekenis.
Als dat je bedoeling is okee, maar daardoor heb ik het idee dat ik een losse flodder zit te lezen.

Zoek eerst uit waarover je iets wilt schrijven. Wordt het poetisch? Dramatisch? Komen er dialogen in voor.
Ikpersoon? Verleden of tegenwoordige tijd?

aah dit is totaal iets anders… wat vind je daar van?

Op een dag.

Op een dag, dan leerde ik je kennen. Je was knap, maar niet uitzonderlijk. Je was leuk, maar niet fantastisch. Je was lief, maar niet ongelooflijk. Je was van alles wat, maar ook niets.
Je was gewoon, net als alle jongens. Iedereen vond je leuk. Ik niet, want je was een jongen. Jongens vond ik dom, ik vond ze raar. En jij behoorde nu eenmaal tot dat idiote geslacht.

We zaten in een saaie klas, in een saaie les. Ik betrapte mezelf erop dat ik de hele tijd naar jou keek. ,Nee!’ zei ik tegen mezelf ,nee, het mag niet, je vindt jongens vies, je vind ze dom!’. Maar stiekem voelde ik dat het anders was, stiekem voelde ik dat jij anders was. Opeens zag ik dat je glimlachte, wauw zo een mooie glimlach! En toen,toen werd ik uit mijn gedachten wakker geschud, die saaie trut heeft me gevraagd hoeveel 859641 : 5623 is. Weet ik veel. Ze heeft al snel door wat er gaande is, ,Nablijven!’ luidt haar antwoord. Typisch, ze heeft gewoon iets tegen mij, altijd ik! De bel ging, één voor één slenterden mijn klasgenoten naar buiten, klagend over de reusachtige hoop huiswerk. Ik bleef zitten, ik was alleen, helemaal alleen. Ik voelde me eenzaam, voor de eerste keer in mijn leven. Ik begon aan mijn huiswerk.
De tijd ging langzaam. Uiteindelijk verloste die hysterische troela me uit mijn leiden!
Ik mocht naar huis. Nog nadromend over die sexy glimlach, liep ik naar buiten. Toen ik aan de fietsenstalling kwam, druk nadenkend. Opeens zag ik jou staan, jij glimlachte, morgen 20u in het park, fluisterde hij.