Latijn examenpensum 2016

Haai mede Latinisten,

Ik heb een inhoudelijke vraag over hoofdstuk 4 (boek I van de Aeneis), in het hoofdstukje ‘Storm’. Hierin staat er in regel 55-56 ‘‘Illi indignantes magno cum murmere montis circum claustra fremunt’’ → Verontwaardigd bulderen die met een groot gerommel van de berg rond hun boeien.
Maar wie/wat zijn die ‘‘die’’ (’‘illi’’?) Gaat dit over de kerkers in regel 54 (’‘carcere’’), of de worstelende winden (’‘luctantes ventos’’) en ruisende stormen (’‘tempestates sonoras’’) in regel 53 (lijkt mij logischer)?

Alvast bedankt en een upje is ook zeker welkom. :grinning:

Hee,

Ik denk niet dat je heel veel aan mij zal hebben, aangezien ik dat boek niet heb en nog maar in 4 gymnasium zit, maar het lijkt mij logischer dat het over de worstelende winden en ruisende stormen gaat. Maar dan kan ik de accusativi van ventos en sonoras niet thuisbrengen, maar aan de andere kant, carcere zou een ablativus vorm moeten zijn, maar illi is juist dativus enkelvoud of nominativus mannelijk meervoud.

Dit kun je dus meer zien als een upje, hier heb je niet veel aan denk ik.

Mijn vertaling van dat stukje is

Hier in zijn woeste grot onderdrukt koning Aeolus de worstelende winden en de loeiende stormen met zijn gezag en beteugelt met boeien en in een kerker. Ze brullen verontwaardigd…

Ik denk dat die ‘ze’ dus de worstelende winden en de loeiende stormen zijn, want ‘illi’ is meervoud en kan dus niet verwijzen naar ‘carcere’ want dat is enkelvoud.