[Kreukelwoord] Mijn schrijfsels :) (kritiek graag)

Hi girls :slightly_smiling_face:

Zo af en toe post ik hier wat ik schrijf, maar de helft raak ik kwijt hier, en dat is zonde. Vandaar dat ik er voor gekozen heb om in één topic ‘alles’ te plaatsen. Ik begin dus gewoon met het begin van mijn word bestand te plaatsen.

Ik zou kritiek/commentaat/whatever erg waarderen. Dit mag per verhaal of algemeen, kies zelf maar. Zal voor de handigheid er een nummer voorzetten, misschien maakt dit reacties makkelijker.

Heel erg bedankt!

Petra.

PS. Mijn spelling (vooral werkwoorden) is niet goed, ik krijg dat zonder hulp ook niet beter atm.

1. Het spiegeltje

Zoals zovaak fietst ze nog ver voor zonsopgang over de grauwe, grijze weg. De wind laat de slierterige takken van de bomen nog meer spoken dan normaal. Als de wielen van haar fiets het zand raken, laat ze haar fiets bijna geluidsloos in het zand vallen. Haar vertrapte vans doet ze uit, en ze laat de koude vloed van de zee langzaam contact maken met haar voeten. Uit een zak van haar versleten overzeas broek haalt ze een klein spiegeltje. Het spiegeltje waar ze al honderden keren in heeft gekeken. Het spiegeltje waarin ze honderden keren hetzelfde zag. Het spiegeltje waarin ze telkens weer haar haren zag, haar verwarde haren. Het spiegeltje waarin ze telkens weer haar mond zag. Haar mond waarvan de hoeken altijd omlaag hangen, alsof ze voor eeuwig gevangen zijn in de nacht. Maar ook is het het spiegeltje waarin ze keer op keer haar ogen zag. Haar oceaan blauwe ogen. Haar hoopgevende ogen, in welke zij zich opnieuw en opnieuw terug vond. Deze keer ziet ze weer hetzelfde. Dezelfde verwarde haren, alsof ze verdwaald zijn. Dezelfde omlaag hangende mondhoeken, alsof ze de weg naar boven kwijt zijn. En weer ziet ze haar ogen. Maar haar ogen zijn anders. Haar ogen zijn alle kleur verloren, alsof het oceaan blauwe er uit is gelopen, tesaam met haar tranen. Haar ooit zo hoopgevende ogen zijn weg. De blik die ooit nog warmte uitstraalde, is veranderd in een koude, kille blik. Als de vloed van het water voor de laatste keer contact zoek met haar voeten, laat ze het spiegeltje vallen. Het spiegeltje dat haar door al die tijd moed had gegeven. Terwijl haar tranen zih mengen met het water, vervolgd zij haar weg dor het water. Nu het licht in haar ogen, het enige lichtpuntje in haar leven, weggevaagd is, kan ze het zacht brandende vuur in haar hart ook voor altijd laten doven.

2.Rennen tot er niks is

Ik doe de deur open. De lucht is oranjeroze gekleurd en een walm van koudheid omringt mij. Ik zet een stap naar buiten en adem door mijn neus, de door de regen gezuiverde, lucht in. Zonder na te denken begin ik te lopen. Mijn beeld van de realiteit vervaagt. Het glijd van me weg met elke stap die ik zet. Met elke meter die ik maak, in mijn gedachten en in het echt, en met elke hap adem die ik inslik voel ik dat ik het contact met de wereld verlies. En ik geniet er van. Ik geniet van het moment waarop het fluiten van de vogels, het kraken van de takken en het zoemen van de auto;s zich samen mengen tot muziek. De mooiste muziek die ik ooit heb gehoord. Het moment waarop de koude, natte regendruppels aanvoelen als hete zonnestralen die zachtjes op mijn huid branden. In de hoop dit proces te versnellen ga ik nog een beetje sneller lopen. Ja, dit is het. Zo zou ik altijd willen lopen. Zo zou alles moeten zijn. Zo zou het perfect zijn, maar diep van binnen weet ik dat het pad dat ik loop mij terugbrengt naar het uit waar de rode nerven van het hout mij voor altijd zullen herinneren aan het bloed dat ooit gevloeid heeft.

3. Dromen

Het mag dan over zijn, nog steeds denk ik terug aan de tijd met haar. Ik mag haar dan niet meer de mijne noemen, voor mij waren de dagen met haar een droom. Of, ze waren geen droom, ze zijn een droom. Een droom waaruit ik weiger wakker te worden. Als een kind in de oorlog die zich vastklampt aan de warme hand van z’n moeder, houd ik gretig vast aan mijn herrinneringen. Telkens weer zie ik voor me hoe wij daar samen liepen. Zij en ik, hand in hand. Keer op keer verdwaal ik weer als ik in mijn gedachten recht in haar luchtblauwe ogen kijk. Als ik weer die glinstering in haar ogen zie, waan ik weg. Ik voel de vlinders weer een storm in mijn buik maken elke keer als ik denk aan de manier waarom de zon het ochtenddauw weerspiegelde in haar ogen. Als ik mijn ogen sluit zie ik haar staan. Als ik mijn armen uitsteek voel haar huid, nog even zacht als ooit. Even krijg ik weer kippenvel. Als ik mijn lippen tuit, zoals ik al die tijd heb gedaan, voel ik haar lippen niet meer. Haar lippen niet meer op de mijne. Ik weet dat ik wakker moet worden, maar ik leef liever in mijnd droom, dan dat ik wakker word in een nachtmerrie. ‘’ Laat mij maar dromen. Laat me dromen. Ik wil niet weten dat er iets veranderd is, zo anders is.’’

4. Kind

De treindeuren sluiten voor mijn ogen, en we rijden weg. Ik zie haar kleine kinderogen de rode treinstoelen betasten. Ze werpt me een blik voor verlangen toe en ik kan niet anders dan aan haar verlangen toegeven. “Ga maar zitten.” Gebaar ik haar, en ze tilt zichzelf met haar tengere armpjes in de stoel.

“Ik dacht dat we naar opa gingen.” Fluistert ze als we ergens onderweg zijn uitgestapt. Ik leg mijn vinger op haar mond en trek haar mee het bos in. Ik duw haar wild voor me uit, terwijl ik mezelf laat rusten op een vochtige boomstronk. De wind jaagt zachtjes door de kreukelbladeren en takken kraken ritmisch onder haar voeten. Ik kijk hoe zij met haar iele handjes de bladeren oppakt en in de lucht gooit. De zon valt door de bomen, waardoor de lichtstralen op de lichtbruine bladeren vallen, die mij vervolgens verblinden. Weer kijkt ze me aan, en mompelt daar bij iets wat ik niet kan verstaan. “Wat zei je?” vraag ik zonder al te veel geluid te maken. “Spelen…?” vraagt ze en loopt met uitgestrekte armen op mij af. Ik voel een brandend gevoel in mijn maag. Een brandend gevoel dat staat voor een brandend verlangen. Een brandend verlangen om te rennen en te schreeuwen. Om mijzelf te laten bedelven onder de bladeren, maar ik mag niet. Ik moet volhouden, en niet toegeven aan haar smekende ogen. Ik schud zachtjes en rustig nee, en zie de tranen in haar ogen verschijnen. Ik draai mijn hoofd weg en staar in de diepte, zodat ze niet ziet dat er ook tranen zich in mijn ogen verschuilen. Het kampvuur knispert zacht en de krekels maken hun muziek om ons heen. Ze zit achter me en ik voel haar ogen in mijn rug prikken. Even later komt ze naar mij toe. Ik sla mijn armen om haar heen en fluister bijna onverstaanbaar zacht: “Sorry.” Vragend kijkt ze me aan en ik zeg het nog een keer, deze keer iets harder. “Ik begrijp het.” zegt ze. Mijn kleine meisje, mijn kleine, lieve meisje/ Tranen stromen over mijn wangen. Tranen van verdriet, tranen van jaloezie. “Je wou vanmiddag wel meespelen he?” Ik knikte en we beginnen te praten. Verbaasd luister ik naar haar, geschokt door hoe ze me door heeft. Hoe ze precies weet dat ik wel mee wou doen, hoe ze weet dat ik het niet mag, van mijzelf. Bijna vallen we in slaap, als ze nog zachtjes fluistert: “ Iedereen wordt ouder, maar je bent nooit te oud om even weer kind te zijn.” Ik val in slaap, en haar woorden blijven door mijn hoofd spoken.

De zon schijnt fel als nooit tevoren als we de trein instappen. Even lacht ze naar me en ik bedank haar voor de wijze woorden van gister. “Op naar opa,” lacht ze. De treindeuren sluiten voor mijn ogen, en we rijden weg.

5. Niet hier/weg

Zijn handen gaan zachtjes door mijn haren. Gister morgen waren we vroeg weggegaan, nog voor dat de zon een kans had gekregen om ons deel van de aarde te verrijken met haar licht. Hij had me opgehaald. Hij maakte me wakker, zoals ze in alle films doen, door steentjes tegen mijn raam te gooien. Ik opende mijn raam en zag hem staan. “Kleed je aan en pak je spullen.” zei hij zachtjes, doch dringend. Ik wist niet wat hij wou doen, en hij had zelf ook geen spullen bij zich. Toch ben ik met hem meegegaan, want ik vertrouw hem als geen ander. Samen liepen we de straat uit, waar om de hoek zijn motor geparkeerd stond. Hij zette mij een helm op, en pakte er vervolgens ook een voor zichzelf. Daar reden we, door het zwart van de afgaande nacht. We reden toen de zon opging, we reden toen de zon onderging. Uren lang, zonder onderbreking. Uren lang blies de wind zijn half lange haren in mijn gezicht. Uren lang klampte ik mij gretig vast aan zijn leren jack.
Nu liggen we hier. Ik weet niet waar we zijn, en ik wil het ook niet weten. Het idee van weten waar we zijn zou het moment verpesten. Ik lig stil en zwijg. Mijn hand beweegt zich over mijn buik, richting de zijne. Ik leg mijn hand op zijn buik en hij pakt hem vast. Terwijl hij zijn gezicht naar de mijne draait, geniet ik van het zachte geluid en de bijna onvoelbare wrijving die zijn haar veroorzaakt als het vredig over de mijne glijd. Hij haalt mijn grote pilotenzonnebril van mijn ogen en gooit het weg. “Laat nooit meer iets jouw mooie grasgroene ogen bedekken.” zegt hij met zijn liefste fluisterstem en hij geeft mij een kort kusje op mijn voorhoofd. Zijn lippen voelen aan als fluweel op mijn huid. Als de avond valt, stappen we weer op zijn motor. We maken ons klaar om weer urenlang te rijden, om weer urenlang tegen elkaar aan gedrukt te zitten en weer terug te gaan naar de realiteit, waar wij voor altijd vast houden aan deze herinnering.

Hee,
Ik vind drie en vier het mooiste;p
En in 1 staat in de viernalaatste regel zih, ik gelood dat daar zich moest staan?en in 4 staat ergens een / ipv een .
Verder kon ik niks ontdekken.
Post je snel weer iets? Want je hebt een hele fijne stijl vind ik.
Xx

oeps dubbel…

6. Maar drinken kun je niet

Je rug tegen de muur geleund, mijne tegen de stoel. Buiten is het koud, de hagelstenen gooien zich vol overgave op de koude tegels. ‘Chocomelk.’ zeg je. ‘Dit is de perfecte middag voor chocomelk.’ Nog voordat je bent uitgesproken sta ik op om het te halen, en ik ga weer zitten. Je kijkt naar me, ik kijk naar jou. In je ogen houd je me even gevangen, totdat je ze neer slaat. Je zet de chocomelk aan je lippen, en wanneer je het glas weer naast je zet, moet ik stiekem eventjes giechelen. Het is net als vroeger. Weer of geen weer, we waren samen. Als de zon scheen, gingen we varen. Varen met je bootje over de grote zee, wat achteraf het kanaal achter oma’s huis bleek te zijn. ‘Niet alleen gaan varen!’ gebood ik je een miljoen keer. Dan zei je mij dat je dat nooit zou durven, omdat de grote haaien je misschien wel op zouden eten. En dat de haaien dat niet zouden durven met mij, omdat ik zo boos kon kijken.

Of we gingen samen naar ‘heel ver weg’. We namen bakken vol koekjes mee, en wel tien pakken melk. En die namen we dan ook weer mee terug, want ‘heel ver weg’ was gewoon het speeltuintje hier om de hoek. In dat speeltuintje duwde ik je op de schommel. Je zei dat er dan vlindertjes waren, als je omhoog ging, of juist met een vaart weer naar benee. En dan schreeuwde je ‘niet hoger! Niet hoger!’, en dan zette ik mijn handen extra hard in je rug, en zei ik dat je nooit hoog genoeg kon zijn. Want je was immers nooit dicht genoeg bij de lucht, en de lucht, daar zouden we samen heen. Als we groot genoeg waren om te vliegen, of als je toverspreukjes eindelijk werkten en we waren veranderd in roodborstjes.

En als net als nu de hagelstenen uit de lucht vielen, of de regen onze reis naar ‘ver weg’ belemmerde, gingen we naar binnen. Weer gingen we naar de koelkast, we pakten natuurlijk een grote lading koekjes. ‘Voor elke dag dat ik leef ééntje.’ zei je dan, en ik liet je daarin geloven. Je was volgens mij nooit echt goed in tellen. Ik probeerde natuurlijk chocomelk mee te nemen, maar dat mocht niet van mama. Ik stopte het dan, heel onopvallend, onder mijn shirt, en als mama er naar vroeg had ik gewoon teveel vierkantje broodjes gegeten, en was mijn buik daarom zo puntig. Grappig, hoe naïef ik destijds was. Dan klommen we samen naar de rommelzolder, waar altijd wel een nieuwe ontdekking was. Je had een grote fantasie, en ik vond het heerlijk om daar in mee te spelen. Je vertelde verhalen over grote, sterke beren, en je maakte jezelf er bang mee. Als we dan weer een middagje tegen beren gevochten hadden, of hadden moeten schuilen voor een lawine die de yeti had gemaakt, waren we moe maar voldaan. We zaten dan tegen over elkaar. Je rug tegen de muur geleund, mijne tegen de stoel. ‘Chocomelk.’ zei je dan. ‘Dit is de perfecte middag voor chocomelk.’ En nog voordat je was uitgesproken, was ik alweer opgestaan om het uit de tas te halen. Je nipte een beetje van je chocolade melk, en omdat je nogal een kluns was, maakte je elke keer weer een snorretje boven je lippen. ‘Al die jaren dat ik je ken, is er veel veranderd.’ zeg ik tegen je. Je glimlacht. ‘Maar drinken zonder knoeien kan je nog steeds niet.’

7. Russian Roulette

Ik gooi mijn la dicht en stap op van mijn bureau. De klok laat me met zijn gekoek-koek weten dat het 8 uur is. Zonlicht is er tegenwoordig niet meer te vinden op dit tijdstip. De zon heeft ons alweer hopeloos alleen gelaten, en de maan vervult samen met de straatlantaarns de taak die zij overdag zo perfect uitvoerd.

De proppen papier gooi ik in de blauwe afvalbak. ‘Afvalscheiden, denk een beetje aan het milieu.’ zei De Wit, toen hij weer eens in een wereld-reddend humeur was. Ik sluit de deur van mijn kantoor achter me. Mijn zwarte, gelakte hakken klik-klakken melodisch en zelfverzekerd. Want dat ben ik, zelfverzekerd. Bij de bali meld ik me af. ‘Fijn weekend, thuis.’ klinkt het nog net voordat ik het pand verlaat. Terwijl Jay de woorden uitspreekt krijg ik het eventjes benauwd, voor een klein moment snak ik naar adem.

Sleutels erin, omdraaien en de auto maakt contact. Bijna automatisch druk ik het donkerblauwe knopje van de radio in. Voeten op het gas, en hup, ik rij de weg op. Onmiddelijk bekruipt het onbehaaglijke gevoel me weer, het misselijkmakende gevoel dat me de hele dag al gezelschap heeft gehouden. Het gevoel dat elke keer op kwam dagen als ik dacht aan naar huis gaan.

Vannochtend werd ik wakker met een steen op mijn maag, althans, die indruk kreeg ik. De heledag is die steen blijven liggen, en ik weet niet hoe een steen het voor elkaar krijgt, maar hij is telkens een stukje groter geworden. Inmiddels is de steen al uitgegroeit tot een heuse zwerfkei. Zo eentje die vroeger werden gebruikt bij Stonehenge, om hunebedden te maken.

Ik rijd de straat in waar ons huis staat. Of wacht, correctie, waar mijn huis staat. Het is niet meer hij en ik, het is niet meer wij. Het is niet meer one big happy family. Hij is gisternacht te ver gegaan en anders dan normaal gun iik hem niet meer de kans om de wonden die hij veroorzaakt heeft, letterlijk en figuurlijk, te verzorgen en te helen. ‘Vergeven en vergeten?’ vroeg hij me terwijl hij mij aankeek met zijn felblauwe puppy-ogen. ‘Vergeven en vergeten.’ En daar had hij gelijk in. Ik wil hem vergeven, en ik wil hem vergeven. 'Het is niet meer te redden,'zei ik toen ik hem met pijn, angst en moeite de deur wees. ‘Onze relatie is een typisch gevalletje schipbreuk, maar voordat het te ver gaat en het echt mis gaat, gooi ik liever een man over boord.’

De lucht kleur grauw. Hij is binnen geweest gaat er door mijn hoofd heen. Vannochtend toen ik rond kwartover acht in mijn auto’tje zat, dacht ik een auto richting ons huis, correctie, mijn huis, te zien rijden die verdacht veel op die van hem leek, maar doordat hij gister mijn achteruit kijkspiegel’s leven heeft verkort,kon ik die gedachte niet bevestigen.

Terwijl ik de auto parkeer zie ik vanuit mijn ooghoek dat het tuinhekje open staat. Hij leert het ook nooit. Ik kijk om me heen, alles is grijs en grauw. Het is alsof ik leef in een zwart-wit tekening, maar dan niet zo’n vrolijke als die van walt-disney. Het enige wat nog een beetje kleur biedt zijn de lentekleurige blaadjes die hij, waarschijnlijk uit woede, van mijn net geplante bloemen heeft geschopt.

Met hevig bevende handen breng ik de sleutel in het slot. Ik gluur vluchtig door het raampje wat in de voordeur zit, maar door de jaren heen is deze een stuk minder doorzichtig dan dat het ooit, in zonnige tijden, geweest is. Terwijl ik de deur langzaam en behoedzaam open, hoor ik per centimeter die ik duw, steeds meer glas over de eikenhouten vloer schrapen. Voordat ik met mijn hand op zoek ga naar de schaken van het licht, probeer ik vast een beeld van wat ik zometeen voor me zal zien te creeëren in mijn hoofd. Met het net bedachte beeld nog op mijn netvlies gebrand, schakel ik het licht in. Ik knipper met m’n ogen, en nog een keer, en nog een keer. Het voelt alsof mijn hart stiltaat. De lichtstralen worden gereflecteerd door de miljoenen stukjes glas

Terwijl ik een weg vrij maak om naar de kamerdeur te komen, krijgt de steen in mijn maag er nog een paar honderd extra kilo’s bij. Enkele bloedspetters vallen op de grond. In mijn vinger zit een diepe snee, maar tijd om pijn te lijden heb ik nu niet. Ik open de deur naar de woonkamer, en moet mezelf vast houden aan de deurpost om niet te vallen. Was het in de gang al een bende doordat mijn antieke spiegel, die ik van oma heb, van de muur was getrokken, hier lijkt het alsof er een regelrechte natuurramp zich in de ruimte heeft voltrokken.

Tafels en stoelen liggen om, de televisie heeft een vlucht gemaakt van de ene kant van de kamer naar de andere en het dressoir ligt verdeeld over de hele kamer.

een geur van rook, een geur van brandend papier dringt zich mijn neus is en overwelmt me. Het kost me een aantal minuten voordat ik er achter ben dat het uit de slaapkamper komt. Mijn zwarte, gelakte hakken klik-klakken over de laminaten vloer. Melodisch en zelfverzekerd, want dat ben ik, zelfverzekerd met knikkende knieën

De deur van de slaapkamer schuif ik open, maar ik zie niks. Het is donker. In het midden van de kamer gloeid het rood van verschroeiend papier, fotopapier. Ik blijf in de deur staan, en plots springt het licht aan. Hij zit daar, en in zijn hand glinstert het door ons pas aangeschaftje pistoolte. ‘Voor onze eigen veiligheid.’ was zijn reden.

Hij wijst naar de stoel voor zich. Ik zet mezelf daar neer, en kijk hem aan in de helderblauwe ogen waar ik destijds in ben verdronken. Was zijn karakter maar zo puur als dat zijn ogen blauw zijn.

Met zijn lege hand schuift hij een papiertje naar mij toe. In frummel-letters staat daar op: ’ You and me, Russian Roulette. 4 shots, 1 bullet, it’s the last chance you’ll get.'Angstloos en emotieloos zet hij de loop tegen zijn slaap, en met al evenweinig twijfel haalt hij de trekker over.

Een luide knal, maar er gebeurt niks.

Een sluwe lach verschijnt op zijn gezicht terwijl hij een volgend papiertje naar mij toe schuift. Terwijl de geur van smeulende foto’s zich weer in mijn neus nesteld, komt hij achter me staan. Zachtjes zoent hij me op mijn slaap, en ik walg eventjes. Dan zet hij de loop tegen mijn slaap. ''You and me, Russian Roulette. 3 shots, 1 bullet. Would you like to make a bet?‘3,2,1’, en weer haalt hij de trekker over.

Een luide knal, maar er gebeurt niks.

Hij zet zich weer neer op de stoel tegen over mij. En hoe kan het ook anders, een derde papiertje wordt naar mij toe geduwd. You and me, Russian Roulette. 2 shots, 1 bullet. Are you scared yet?. Zoals bij het eerste schot zet hij vluchtig de loop tegen zijn keel. Met serieuse ogen, misschien toch wel angstige ogen, kijk hij me aan. Z’n vinger haalt met een snelle beweging de trekker over.

Een luide knal, maar er gebeurt niks.

Hij draait het derde papiertje om, en op de achterkant staat er in dezelfde frummel-letters wat geschreven. You and me, Russian Roulette. 1 shot, 1 bullet. Hij richt op mij, en maakt me gek. De trekker wordt overgehaald.

Een luide knal, een kogel. BANG BANG, YOU’RE DEAD.

8. Vergeten

Vergeten

De gordijnen wapperen terwijl er een koude windvlaag door mijn kamer trekt. Met een zucht sla ik de deur dicht, om me voor de zoveelste keer op te sluiten. Hoofdpijn. Als ik op bed ga liggen begin ik te praten. Praten tegen niemand. Praten tegen het niets. Woorden die vervagen, woorden die langzaam over mijn lippen glijden en verdwijnen, verdwijnen als de vele seconden die ik hier op deze kamer doorbreng. Met mijn rechterhand tast ik het bed af, terwijl ik mijn ogen gesloten houd. Als ik gevonden heb wat ik zocht, doe ik de oordopjes in. Ik geniet van de muziek en de rustgevende werking er van. Terwijl ik me overgeef aan de muziek voel ik mijn schouders verslappen. Een heerlijk gevoel van rust maakt zich van me meester.

“Het komt allemaal goed
Wacht nou maar af wat de tijd met je doet
Het is nu nog te vroeg
Alles wat groot is begon ooit klein
Je hoeft niet meteen een vlinder te zijn.”

Als ik merk dat ik gestopt ben met praten doe ik mijn ogen open. Ik draai mijn hoofd langzaam opzij, tot ik de klok aan de muur zie hangen. Met mijn ogen volg ik de kortste wijzer, die met zachte tikjes steeds weer dezelfde rondjes maakt. Steeds weer hetzelfde, steeds het vertrouwde. Het doet me denken aan jou en mij. Ik weet nog hoe jij ons ooit vergeleek met een klok. Allebei waren we een andere wijzer. Beiden legden we dezelfde weg af, we liepen elkaar achterna. Maar op sommige momenten kwamen we samen, waren we een en keken we met onze neuzen in dezelfde richting. Maar nu ben je er niet meer. Je bent er nog wel, ergens. Maar niet meer voor mij. De jij is gebleven, de wij volledig verdwenen. Misschien…

Nu zit ik hier met jou. Je kijkt me aan met je mooie bruine ogen. Je haar kriebelt in mijn gezicht als je je armen om me heen slaat. Een onbeschrijfbaar gevoel baant zich een weg door mijn lichaam. Een mengsel van ongelofelijk veel geluk met verdriet. Pas nu besef ik me echt hoe erg ik je gemist heb. Terwijl ik in je ogen kijk voel ik alle problemen verdwijnen. Alle zorgen, alle stress, het is allemaal niets geworden. Nu is er alleen jij en ik. Nu is er alleen wij. En niemand die me dat nog af kan nemen. Terwijl we de zon onder zien gaan zeg ik dat ik moet vertrekken. Maar deze keer slechts voor even. Nooit meer voor altijd.

up

okee, ik moest even lachen om het zinnetje;
" BANG BANG, YOU’RE DEAD "
best wel eng, dat laatste stukje, verhaal 7. ;$

btw, je schrijft goeed!

wow.

ik vind vooral 1 en 7 mooi

Dankjullie n__n