[kortverhaal] Amélie

Oké hier een kortverhaal dat ik geschreven heb voor een opdracht op school. Ik post het in stukjes, ik hoop dat jullie ervan genieten. [fgcolor=#F20F0F]dit verhaal is af[/fgcolor]
******

http://i50.tinypic.com/2yyp6oi.png

Frankrijk. Eerste Wereldoorlog.
Noah

Haar haren ruiken naar pioenrozen en ochtenddauw. De schemer rust zachtjes op haar tengere lichaam, in de dalen die haar sleutelbenen beschrijven en in de holtes van haar schouders tot zij slechts verlicht wordt met de laatste goudgele stralen van de avondzon. Ze lijkt haast niet te ademen. Enkel het zachte deinen van haar borstkas verraadt haar lichte ademhaling, die meer lijkt op een luchtspiegeling in de trillende lucht van asfalt. Ze ligt als versteend op haar bed naar het plafond te staren, haar lippen lichtjes gespreid zoals ze altijd doet als ze nadenkt.
“Ik hou van je”, fluister ik. Ik weet dat ik nooit meer iets even zeker zal weten want terwijl ik dat zeg, lijkt het alsof alle krekels in het wuivende grasveld dat haar huis omringt het gesjirp van hun trillende vleugels sussen zodat ik de traan die uit haar oog rolt, kan horen. Ze klemt haar lippen nu op elkaar, haar glanzende ogen nog steeds op het plafond gericht, terwijl de traan zijn weg volgt over de golven van haar lichaam en uiteindelijk halt houdt in haar nek, waar hij oplost in een slakkenspoor van verdriet.
Uiteindelijk wentelt ze haar lichaam zodat haar neus de mijne raakt en onze ogen elkaar vinden. Ze zegt niets maar laat haar rusteloze handen spreken. Ze beroert mijn lichaam vederlicht, alsof ik als nevel zou kunnen oplossen in de nacht.

Amélie

Hij ruikt naar pioenrozen en ochtenddauw. De gouden vlekjes in zijn ogen lichten op als de vuurvliegjes uit de achtertuin die hij soms voor me vangt en me heimelijk bezorgt zonder dat mijn vader het kan zien. Hij slaat zijn ogen neer, zijn lange wimpers als fladderende vlindervleugels die de goudgele sterren in zijn ogen even verbergen. Ik voel enkel de omarmende warmte die zijn lichaam pulseert. Ik strijk met mijn vingers over de sproeten op zijn neusbrug, zijn ietwat koortsige rode wangen van het harde werken in de brandende zon.
Ik voel me leeg, alsof ik ben weggevloeid en nu door de kieren van het huis stroom zodat mijn lichaam slechts een omhulsel is dat op mijn bed ligt.
“Morgen…”, zucht ik.
Zijn gezicht betrekt en toont me in een fractie van een seconde een grimas van onmacht.
“Vandaag.”
Ik sluit mijn ogen en voel zijn lippen op de mijne. Zacht, dwingend. Een labyrint van handen en armen, de geur van rozen. Een tong die over huid strijkt en zout proeft. Een mond die naar adem hapt en mijn naam die in mijn oren weerklinkt.
“Amélie. Amélie. Amélie…”, prevelt hij tot het slechts een klank lijkt die zijn liefde beschrijft.
“Noah”, fluister ik.

wauw

Als jij een boek schrijft, zal ik een van de eerste zijn die het koopt. Heel mooi geschreven, daarnaast heeft die naam een speciale betekenis voor mij, waardoor ik dit topic vond ^^

Goh dank u iedereen!
en @Vampi haha ik zal blij zijn als die dag ooit komt!
het gaat verder:

Noah

Ik ben uitgeput maar weiger mijn ogen te sluiten. Voor ik het weet, is vandaag voorbij. Het is hier zo warm dat het zweet van onze lijven druipt zodat we samen drijfnat zijn. Mijn hoofd rust op haar borst die nog gejaagd op en neer deint. Haar hart bonst in een verwoed cadans. Ik kan me geen mooier geluid voorstellen dan het horen van haar longen en het kloppen van haar hart. Het doet me denken aan de liedjes die mijn moeder voor me zong wanneer ik als kind weigerde te slapen.
“Je bent nog maar zeventien. Niets meer dan een kind!”, heeft de vader van Amélie, Monsieur Thomas, me maar al te vaak toegeschreeuwd wanneer ik er niet in slaagde één van zijn vele bomen tijdig te kappen. Morgen word ik een man. Ik veracht het. Morgen soes ik niet meer onder het geluid van Amelies hart, ik zal in een bed liggen dat niet het mijne is, luisteren naar de angstige ademhaling van de honderd andere jongens die hun dood tegemoet lopen.
“Morgen denk je aan mij”, zegt Amélie nu.
“Ik zal altijd aan je denken. Aan vanavond en alle andere dagen.” En ik kijk naar buiten en besef dat er geen morgen meer is. Vandaag word ik een man.
Ik word soldaat.

Amelie

Ik ben uitgeput. De nacht heeft haar mantel afgeworpen en kent nu weer een lichtblauwe hemel zonder enig wolkje en een felle zon. Een koele maar zachte bries wuift het geluid van de oorverdovende cicaden in de kamer. Ik strijk liefkozend door zijn bruine haren.
“Wanneer je terugkeert, trouwen we.”
“Je vader zal dat nooit willen”, murmelt Noah.
“Wie trouwt er met jou? Ik of mijn vader? Hij heeft helemaal niets te willen!” Ik bal opstandig mijn vuisten.
“Het leven gaat niet zo, Amélie. Denk je dat ik ooit heb gekozen om een tuinjongen van niets te zijn? Of dat ik nu in de oorlog word gestuurd? Hopen is moeilijk wanneer men elk stukje ervan met een moker afbreekt. Bovendien heb jij je vader nooit gretig naar Bertrand zien kijken.”
Ik voel hoe ik meer moeite moet doen mijn kalmte te bewaren. Ik richt me op en duw zijn hoofd van me af. Hij gaat zitten op de hoek van het bed en ondersteunt zijn gezicht met zijn handen. Ik begrijp niet hoe hij zich onzeker kan voelen omwille van Bertrand, die enkel zijn rijkdom en een arrogante persoonlijkheid te bieden heeft.
“Ik wil Bertand niet. Mijn vader wil hem. Om zijn geld, om de zekerheid die hij me kan bieden. Ik leef liever alleen dan zonder jou.”
En dan kijkt hij me aan, met in zijn ogen enkel een eenzaamheid die ik nooit eerder heb kunnen bevatten maar nu voel alsof het een vlam is die in mijn binnenste gloeit. Hij is slechts een kind zoals hij daar zit, met zijn haren in de war. Iemand die de oorlog in wordt gestuurd terwijl hij nooit meer heeft gezien dan de huizen in zijn dorp en de bloemen in mijn tuin.

omdat mijn opdracht dindsdag afgewerkt moet zijn, zal ik nu nog een stukje posten. zodat ik voor dinsdagochtend het hele verhaal hier heb :slightly_smiling_face: het duurt niet zo lang. ik schat 9 A4’tjes! Dus hier:

Noah
Ze slaat haar armen om mijn nek en legt haar hoofd op mijn schouder. Zo zitten we even tot ik genoeg moed bij elkaar heb geraapt om te fluisteren: “Misschien… misschien kom ik nooit terug.” Ik voel haar lichaam verkrampen. Ze hapt naar adem en piept dan: “Nee! Nee… je komt terug. Als je het zelf niet gelooft, hoe wil je dan dat ik dat wel doe?”
“Ik wil bij jou blijven.”
“Als je dat wil, dan kom je terug. Dan blijf je leven, ook al doe je het alleen voor mij.”
Ik grinnik. “Nogal egoïstisch.”
“Als jou willen egoïstisch is, ben ik de grootste egoïst van iedereen. Nog groter dan mijn vader!”
Een cynisch lachje speelt over mijn lippen. Uiteindelijk legt ze haar hoofd op mijn schoot en kijkt ze me aan met die grote, blauwe ogen die steeds van kleur lijken te veranderen. Ik speel met haar haren en druk af en toe een kus op haar lippen, alsof ik me ervan wil vergewissen dat ze echt is.
“Denk je dat mijn vader het weet?”, fluistert ze, alsof ze bang is dat hij ons horen zal. “Van ons bedoel je?” Ze knikt.
“Hij weet het niet. Hij is te veel bezig met zijn eigen zaken. Met de oorlog en het geld dat hij al dan niet verliest aan deze puinhoop.”
“Noah…”, fluistert Amélie nu, met een angstige blik naar buiten. Ze kijkt naar de zon, die haast schreeuwt dat het tijd is om te vertrekken en haar lichte stem te verruilen voor het brullen van geweren.

Amélie
Hij slaakt een beverige zucht gevuld met alle spanning die door zijn lijf raast. Ik wil hem vragen dat hij bij mij blijft. We zouden kunnen vluchten. We zouden kunnen blijven lopen met de horizon als eindbestemming. Alleen wij.
“Laten we na mijn dienst samen naar ergens toe gaan”, zegt hij.
“De horizon”, zeg ik.
“De horizon”, beaamt hij. En dan staan we op alsof het afgesproken was. Hij grijpt me vast en drukt me tegen zich aan. Ik voel zijn hart tegen de mijne bonzen. We versmelten tot ik niet meer weet waar mijn lichaam begint en waar het zijne eindigt. Tot ons gesnik niets meer klinkt dan één enkele roep, tot onze tranen zich als plassen op de holtes in onze schouders vergaren. Ik ben bang dat ik zal stoppen met ademen wanneer hij me verlaat.
“Ik wil niet gaan”, snikt hij.
“Ik houd van je”, fluister ik. Niets zal ooit meer waar zijn. Ik houd van hem, de jongen die rozen tussen zijn zachte vingers laat groeien, zijn handen over boomschors laat glijden zoals ik de ruggen van de boeken in onze bibliotheek beroer. De jongen wiens ogen gevuld zijn met dromen over de toekomst, en wanneer hij mij aankijkt met verwondering alsof het hem nog steeds verbaast dat ik hem liefkoos.

upp

:slightly_smiling_face: up

Wow zo mooi! :slightly_smiling_face: Als dat geen 10 word dan weet ik het ook niet meer!

Ooh dankjewel! :slightly_smiling_face:

Noah
Ze zucht en dan laat ze me met moeite los. Ik raap mijn kleren van de grond en laat ze met tegenzin over mijn hoofd glijden. Ze zit op het bed naar me te staren, de doorweekte lakens rond haar lichaam gedrapeerd.
“Je bent zo mooi”, zegt ze. Ik glimlach moeizaam omdat de tranen op mijn wangen haast niet opgedroogd zijn, en de gedachte aan de oorlog als een allesoverheersende gestalte in mijn gedachten gegrift staat. Ik sta in de hoek van de kamer en staar haar enkel aan, probeer alles in te prenten zodat ik haar nooit meer vergeet. De sproet onder haar lip, het kuiltje in haar wang, haar ranke hals. De manier waarop ze op haar onderlip bijt wanneer ik naar haar kijk, of hoe ze haar hoofd een beetje buigt wanneer ze iets niet begrijpt.
Ze staat op, het laken glijdt op de grond maar het kan haar helemaal niets schelen. Ik zal nooit vergeten hoe haar lippen de mijne op dat moment vonden.

Amélie
Wanneer hij vertrokken is en enkel zijn geur nog in de kamer hangt, lig ik in bed en wacht tot ik een trein uit het dorp hoor ratelen. Mijn vader klopt af en toe op de deur om me naar beneden te lokken, maar ik weiger de kamer te verlaten en blijf naar de tuin staren waar de bomen nog steeds met hun bladen ruisen en het gras Noah keer op keer vaarwel wuift. Ik wacht tot de middag maar hoor niets. Ik ben de enige die de stilte doorbreekt. Ik fluister zijn naam keer op keer alsof hij me horen zal, alsof de wind mijn stem tot hem zou dragen.
Het maakt niets uit hoe lang de oorlog zal duren, of hoe eenzaam ik me voelen zal zonder Noah. Ik zal op hem wachten tot ik me weer tegen hem aan zal kunnen drukken, tot ik hem weer in het gras van mijn tuin zou kunnen zien liggen terwijl de wind zijn haren streelt.

tips / opbouwende kritiek zijn ook altijd welkom :slightly_smiling_face:

Omg dit is echt echt echt echt heeeeeel mooi geschreven. Ik heb geen tips/opbouwende kritiek, echt niet. Snel verder a.u.b! :slightly_smiling_face:

327 dagen later

Noah

De lucht staat als een blok beton boven onze hoofden. Het is een van de vele dingen die hier nooit veranderen. Soms gebeurt er dagen niets. Dan zitten we aan het tafeltje te kaarten en gokken we om kleine dingen die in deze loopgraven kostbaar lijken. Een boekje met naakte vrouwen, soms een stuk kostbare chocolade. Het is alsof het leven is opgehouden sinds we hier zijn. We overleven en proberen de weg naar morgen te vinden, voordat de dood ons te vlug af is.
Soms gieren de granaten boven onze hoofden en trilt de grond uit protest. Geweerschoten weerklinken en we rennen terwijl het leven aan ons voorbijschiet. We dragen wapens en doen alsof we mannen zijn maar denken aan thuis en de wil om te leven en hier uit te geraken. De brief de me werd gestuurd, ongeveer een jaar geleden, was een brief die me verzocht mijn dood tegemoet te lopen. Het enige wat me nu nog overeind houdt is de gedachte aan Amélie. Ik herinner me de zachte kleuren van de rozen die in haar tuin groeiden, de bomen en het gras. De rumoerige cicaden en het kabbelen van de rivier achter het huis. Hier ken ik enkel modder en dorre planten.
Hoe langer ik hier ben, hoe meer ik vergeet dat er ergens anders iets anders bestaat dan geweld. Maman stuurt me brieven waarin staat dat mijn oudere zus Isabelle getrouwd is en nu in verwachting van een kind. Iedereen vraagt zich af wat het worden zal, terwijl ik me afvraag of ik het kind ooit zal zien. Hoe lang moet ik hier nog blijven, voordat ik weer thuis ben?

up

^

Woow, heel mooi!

Awh :frowning_face:
Verderrr

Noah

Om de tijd te doden schrijf ik brieven naar Amélie die ik haar nooit versturen zal. Ik leg haar uit hoe graag ik naar huis wil en dat iedereen hier zich zo eenzaam voelt. Ze sturen kinderen naar de oorlog, mensen die nog niet eens achttien zijn! Ik heb een kind van vijftien jaar zien sterven. Ik heb moeten doden om te overleven, ook al denk ik dat geluk al die tijd aan mijn zijde heeft gestaan. Soms voel ik me zo eenzaam dat ik betwijfel of ze ooit heeft bestaan.
Anderen bezwijken aan deze verterende eenzaamheid en zoeken gezelschap bij elkaar, wanneer zelfs de bomen zwijgen. Dan hoor ik ze gedempt zuchten, terwijl iedereen die het hoort uit begrip en schaamte zwijgt. Vanavond houden Alec en ik de wacht. Hij is een gevatte jongen van zeventien die zijn poëzie voedt met de wonden die de oorlog hem toebrengt.
“De stilste nachten zijn de meest verraderlijke”, fluistert hij nu. Maar voordat ik zelfs kan grinniken om het te beamen, zoeft een granaat met een gierend geluid door de lucht en knalt na enkele tellen oorverdovend uit elkaar. Een piepend geluid dringt door mijn oren terwijl ik zie hoe klompen aarde de lucht in vliegen en op mijn helm kletteren. De volgende uren, misschien minuten zijn één zwarte vlek waarin onze mannen andere mensen neerknallen. “Een verrassingsaanval!”, schreeuwt Alec die naast me over het modder strompelt, terwijl we onze geweren in onze handen klemmen alsof we weten wat we aan het doen zijn. We krijgen opdrachten toegeroepen van de mannen van hogere rangorden en schieten levens neer terwijl we door de nevel en klompen aarde en granaten zigzaggen.
Ik zie hoe Charles, de grapjas maar ook de meest ervaren van de groep door zijn knieën zakt nadat hij in zijn been is geschoten. Nog steeds rennend kijk ik om me heen, naar Alec die voor me loopt, de anderen die niet weten wat er gebeurt en het vuur dat uit de loop van hun geweren vlamt. Ik schreeuw het uit en ren naar hem toe.
“Wat wil je nu doen?”, schreeuwt hij boven het rumoer van de chaos.
“Jou redden.”
“Idioot! Ren voor je leven, zoek een schuilplaats. Je ziet toch dat ik het niet meer red?” Hij wijst naar het gat in zijn borst en been.
“Maar…” Niet ver van ons vandaan knalt weer een granaat.
“Ga!”, brult hij en hij duwt me ruw van zich af. Uiteindelijk maak ik mijn beslissing en ren ik met een briefje dat hij me in mijn hand heeft gedrukt terug naar ons kamp. Ik ben enkele meters ervan verwijderd wanneer ik door de lucht vlieg en de aarde aan me voorbij tolt. Ik zie een flits van beelden voor ik met mijn neus in de modder land. Het laatste wat ik weet, is dat het begint te regenen en dat ik ergens ver de geur van pioenrozen en ochtenddauw meen te ruiken.

omg nee :open_mouth: Noahhh :frowning_face: Gaat hij dood? Nee toch?
Snel verderrr

Verder!

Amélie

De lucht hangt als een blok beton boven mijn hoofd. “Misschien gaat het regenen”, zeg ik tegen mezelf. Ik leun tegen het raamkozijn en staar naar de stoel waarover een witte jurk hangt. Ik zou hem willen verscheuren, zodat al het kant en de parels niets meer zijn dan snippers. Ik weet niet waarom ik dit doe, waarom de oorlog eenzaamheid in onze stemmen giet en ongerustheid in ons lijf. Elke dag zou er iets kunnen gebeuren, maar we proberen te leven alsof we niet bang zijn.
Je merkt het wel, aan de manier waarop mensen overhaast trouwen. Alsof het leven voor je het weet voorbij is. Waarom iets morgen doen wanneer het vandaag ook kan? Omdat er geen morgen is.
Buiten klinken de stemmen van mijn vader en die van Bertrand. Ik kijk naar hen terwijl ze elkaar op de rug kloppen alsof ze net de loterij hebben gewonnen. Het zal hen alleen rijker maken en mij ongelukkiger.
Ik kijk in de spiegel en zie een vrouw die ik niet herken. Ze is dof en uitgeleefd maar tracht dat te verbergen onder een zacht gezicht. Uiteindelijk wend ik me af van de vrouw die ik geworden ben en ontkleed me. Ik roep Marie, onze hulp die me in de jurk hijst en me sust. Ze probeert me te paaien door te zeggen dat ik een mooie bruid zal zijn en dat Bertrand me gelukkig zal maken. Ik kan niet geloven dat de dingen zo zijn gegaan.
Dat het leven zich zo om me heeft gekronkeld en me nu in een ijzersterke greep verstikt. Is dit mijn lot? Ik zal nooit gelukkig zijn. Sinds die ene dag heb ik niets anders gedaan dan het leven te ontlopen. Ik heb de tuin vermeden en zat binnen de boeken in onze bibliotheek te lezen of te tekenen. Ik schrijf soms brieven naar hem die ik dan op het laatste ogenblik weiger te verzenden. Ik schrijf hem dat het leven hier is uitgewist.