[Kort Verhaal] Voicemail 15+

Dit stuk is gebaseerd op het nummer Stan van Eminem. Ik heb dit op aanvraag van iemand geschreven en ik hoop dat jullie het mooi vinden.
Tips en oprecht commentaar zou ik erg fijn vinden!
Ik hou enorm van schrijven dus hoe meer tips etc. Hoe beter!

Enjoy x

DE VOICEMAIL

Glazig staarde hij voor zich uit. Naar buiten, door de beslagen ramen van de woonkamer die ooit gezellig en knus was geweest. Naar buiten, naar de wereld die hij ooit met open armen wilde ontdekken. De wereld, die vanuit zijn oogpunt alleen nog maar bestond uit een grijze lucht die regen triest liet neerdalen op de grond. Moeder natuur die haar kinderen liet bibberen van de kou, ellendig liet voelen van eenzaamheid.
Zwijgend nam hij een slok van zijn thee, zuchtte en zette het glas weer terug op de houten salontafel. De kleine tik die vrijkwam echode nog eventjes na in zijn hoofd, maar verdween daarna al snel, alsof de thee helemaal niet bestond, net zoals de persoon die het had gemaakt.
“Stan? Misschien moeten we eens iets gaan doen. Ik weet dat je midden in je rouwproces zit, maar toch. Alleen maar binnen zitten is ook niet goed.” De vrouw die de woorden sprak liep langzaam de woonkamer binnen, met haar eigen dampende kop thee in haar handen. Ze keek haar vriend aan, zag zijn blauwe ogen, zijn verdriet.
“Stan, alsjeblieft. Het is ook niet goed voor de baby, deze sfeer.” Stilletjes ging ze naast hem zitten, waardoor het kussen van de bank een klein beetje indeukte. De jongen knipperde slechts.
“Hij heeft zelfs niets aan mijn broertje laten horen, Marie. Niets.” Zijn stem was niet veel meer dan een trillend geluid, maar zijn emoties waren er duidelijk in verwerkt. Waren duidelijk de oorzaak van zijn gedrag. Marie zuchtte, zette ook haar glas op tafel en keek haar vriend bezorgd aan.
“Bel hem dan. Sms hem – schrijf hem desnoods, Stan,” zei ze, terwijl ze haar hand om zijn rechterschouder vouwde. “Misschien durft hij het zelf niet.”
“Hij is geen pussy, Marie!” snauwde Stan, waarna hij opstond en naar het raam liep. Hij bleef naar buiten kijken, naar de mensen die met paraplu’s over straat liepen. Richting hun werk of gezinnen.
Hij wist het niet.
“Geen mietje. Er moet een logische reden zijn…” Hij draaide zich om, keek zijn vriendin aan in haar bruine ogen. Ergerde zich aan haar bezorgde blik.
Jezus, het irriteerde hem gigantisch.
“Ga dan wandelen of zo. Zoals je zelf net zei: dat thuiszitten is niet goed voor de baby.” Hij knikte naar haar buik en stilletjes legde Marie haar hand erop, alsof ze het ongeboren kind wilde vertellen dat het wel goed kwam, dat papa niet zo’n klootzak was als dat hij nu leek.
“Ik ga mijn vader bellen.”

***

In tweestrijd staarde hij naar de telefoon in zijn handen. Het ding dat hem in contact kon brengen met zijn vader, zijn held. De man die niets meer van zich had laten horen nadat Stans moeder was overleden, drie weken geleden.
Voor hun ogen, in zijn vaders armen.
Hij toetste het nummer in. Het mobiele nummer van zijn vader dat hij al zo lang uit zijn hoofd kende, dat het slechts een kwestie van knopjes indrukken was. Cijfertje na cijfertje en vervolgens het groene hoorntje. Wachten tot de pieptonen veranderden in een mannenstem, één die hem liefdevol zou toespreken. Eén die hem precies zou vertellen wat hij wilde horen.
Eén die hem zou beloven dat alles goed zou komen.
Hij kreeg de voicemail.
“Pap, met Stan. Ik… ik weet niet hoe ik het moet zeggen maar… we missen je. Ik snap gewoon niet… Nathan is nog maar zes, pap. Zes. En sinds mam…” De jongen slikte, staarde naar een oud schilderij aan de muur. Een schilderij dat zijn moeder had gemaakt, lang geleden, toen ze nog met zijn allen samenwoonden in Seattle.
Toen ze nog gelukkig waren, samen.
“We kunnen dit niet zonder je. Je moet het begrijpen – we hebben je nodig. Nathan gaat de verkeerde kant op, volgens mij heeft hij verkeerde vrienden. Zijn klasgenoten zijn bang voor hem, pap. Toen dat met mij gebeurde was jij daar, had jij het juiste advies. Jij geeft altijd het juiste advies. Nou, op dit moment hebben we het harder nodig dan ooit. Bel me terug, alsjeblieft. We kunnen dit niet zonder jou.” Een pieptoon gaf aan dat er een einde aan het bericht gemaakt moest worden en glazig verbrak de jongen de verbinding. Hij zette de telefoon terug, haalde een hand door zijn korte, bruine haren en begaf zich terug naar de woonkamer.
Vanaf nu kon hij alleen nog maar wachten.

De dagen streken voorbij. Ze veranderden langzaam in weken, meerdere weken en vormden uiteindelijk een maand. Eén hele maand waarin Stan nooit een bericht terug had gekregen. Dagelijks was hij naar de telefoon gelopen, had hij het nummer ingetoetst, om vervolgens de telefoon terug te zetten. Hij wist niet wat hij moest doen, was radeloos. Wanhopig om de enige held die hij in zijn hele leven had gehad, terug te zien.
Hem überhaupt te spreken.
Het deed Marie ook pijn. Zij zag hoe haar vriend, de grappige en spontane jongen, was veranderd in een stilzwijgende klootzak. Ze wist hoeveel pijn hij had, hoe eenzaam hij zich kon voelen, maar langzamerhand vond ze dat geen excuus meer voor hoe hij haar behandelde. Haar en hun ongeboren kind. Het kind dat hoogstwaarschijnlijk een meisje zou worden.
Stan wilde haar Cassidy noemen. De meisjesnaam van zijn moeder, ter eerbetoon maar ook in de hoop dat hun dochtertje net zo’n prachtvrouw zou worden. Stans moeder was sterk geweest, al die jaren, ook als hun vader dat niet was. Dat uitgerekend zij moest overlijden aan longkanker was zo onwerkelijk geweest, dat hij het zelfs nu nog niet voor de volle honderd procent geloofde. Hij niet en zijn broertje niet.

“Ik snap niet dat je de telefoon niet gewoon opneemt. Eerst dacht ik dat je het misschien te druk had met je werk, of dat je een nieuwe vriendin had en het er gewoon niet van gekomen was. Dagen, nee, weken heb ik gewacht. Elke keer weer heb ik gewacht op je telefoontje, pap, maar elke keer weer werd ik teleurgesteld. Het voelt alsof de energie stap voor stap uit me wordt gezogen, puur doordat ik me zo ellendig voel. Dat komt niet alleen door jou, dat weet ik ook wel, maar mams dood heeft me veranderd. Haar dood heeft een monster van me gemaakt, een verschrikkelijk, egocentrisch monster en ik kan er niks aan doen. Misschien moet ik met iemand gaan praten, ja, maar wat heeft dat voor zin? Wat heeft het voor zin om van iemand die zogenaamd professioneel is, te horen te krijgen dat ik het moet opgeven? Iets te horen te krijgen wat ik eigenlijk al weet, diep van binnen? Ik geloof het niet, pap. Ik kan er gewoon niet bij. Je hebt het verdomme beloofd.”

Dampende thee. Dampend van woede, overlopend van verdriet.

“Vier maanden. Vier maanden zijn verstreken, en nog altijd niets. Marie’s buik is nu al behoorlijk dik en vroeg of laat huppelt hier een nieuw wezen rond. Een organisme, mijn vlees en bloed. Jouw vlees en bloed. Maar dat maakt je allemaal niet uit, hè? Ik weet dat je deze berichten hoort. Ik weet het, want anders was of het nummer buiten gebruik gesteld, of had je me teruggebeld. En als dit niet jouw nummer was, had iemand anders wel gebeld om me dat te vertellen. Weet je – ik snap het nu wel. Je hebt je belofte verbroken. De belofte die je maakte met mam in je armen. De laatste woorden die zij hoorde, daar, op haar ziektebed. Ik zal er altijd voor jullie zijn, wat er ook gebeurd.”

Het had lang geduurd. Vierenhalve maand, precies. Niet meer en niet minder. Langer dan hij verwacht had, korter dan hij had gehoopt. Maar nu was het zover en er was geen terugweg mogelijk. Niets kon hem hieruit helpen ontsnappen, helemaal niets. Ja, een telefoontje, een bericht, één ding van iemand die hij zijn leven lang had bewonderd. Iemand, die hij zijn leven lang al had gezien als zijn grote voorbeeld, zijn held. Hoe cliché het ook klonk, voor hem was het de waarheid.
Hij had alle foto’s van de muren afgetrokken, had alle herinneringen aan hem verbrand. Alles wat ook maar enigszins verbonden was met Stans vader had hij weggegooid, kapot gemaakt, maar het maakte niets uit. De pijn, de woede, de teleurstelling – het had niets kunnen veranderen.
Hij kon niet eens huilen. Vanaf het moment dat hij het mes van het aanrecht had gepakt tot aan het moment dat hij het definitieve geluid hoorde – nooit. Geen enkele traan.
Alsof hij een zombie was, een zombie die alleen nog maar thee kon drinken en voor zich uit kon staren. Waren zombies überhaupt in staat om thee te drinken?
Hij wist het niet eens.
Met het gevoel alsof hij beton aan zijn voeten had hangen, staarde hij naar het water. Het koude water dat zachtjes tegen de kade aankletste.
Hij bracht zijn mobiele telefoon naar zijn oor.
“Hallo vader. Lang niet gesproken! Wat is het inmiddels – vierenhalve maand? De tijd vliegt! Niet dan?” Stan draaide zich om, liet zich langzaam op de grond zakken en ging op de koude tegels zitten. Met zijn rug leunde hij tegen de balustrade aan, waarna hij zijn ogen sloot en zijn hand in zijn broekriem stak. Zwijgend omklemde hij het koude metaal dat zich daar huishield, omklemde hij het stevig, alsof dat het laatste was wat hij nog over had.
“Nou, het is je gelukt hoor. Je hebt je best gedaan. Als je dit hoort, wat ongetwijfeld gebeurd, en je nog denkt van: Goh, zal ik mijn oudste zoon eens bezoeken? Doe dat dan vooral. De voordeur is open, zal altijd openstaan, tenminste, zolang er niemand eerder binnenkomt dan jij.” Hij lachte, schudde zijn hoofd en slikte. “Nee hoor, hij is gewoon los. Oh, en ga dan direct door naar de keuken, dan zul je nog eens wat leuks zien. Ja, inderdaad, je begrijpt me goed. Een verassing! Is dat niet geweldig?! Nou, vader, het was absoluut fijn je gesproken te hebben. Doe Nathan de groeten van me als je nog besluit hem op te zoeken in de jeugdgevangenis. Oh, trouwens, nog één ding: Je thee wordt koud.”
Het metaal dat hij tegen zijn slaap voelde was niet meer dan een klein element van de werkelijkheid. De trekker die hij overhaalde, het geluid dat het schot produceerde, was niet meer dan een echo die na enkele seconden weer verdween. En de stem, die uit de nog altijd verbonden telefoon klonk, bereikte hem niet. Hij was als een zombie, een koude, gepijnigde zombie.

“Stan? Stan, ben jij dat? Ik stap net mijn huis binnen, ik ben namelijk eerder teruggekomen van mijn zakenreis naar Afrika omdat ik jullie miste en toen hoorde ik dat je de voicemail aan het inspreken was. Ik heb je heel vaak proberen te bellen, maar de ontvangst daar is vreselijk. Ben ik op tijd met opnemen? Hallo, Stan?”

Alleen gingen zombies niet dood.

EINDE

Mooi geschreven, is het nu af?

Waarom is het 15+?

Dankje! Het is in principe af volgens het liedje, maar een vervolg zou prima kunnen. Ik heb er 15+ bijgezet omdat het stukje misschien schokkend kan zijn in verband met (zelf)moord. Vind je dat ik dat moet veranderen?

Neehoor, als jij het zo goed vindt. Ik ervaar het niet als schokkend, maar misschien anderen wel.