Klamme handen

Een zelfgeschreven thriller (stukje ervan)voor school. hope you will like it :slightly_smiling_face:

Hier zit ik dan. Nadenkend over alles wat me de laatste uren is overkomen. Met alleen een emmer, een doorweekte matras en een paar ratten die het duidelijk naar hun zin hebben in deze kelder. Ijskoud is het hier. Het is vast winter. Ik weet het niet zo goed, want het glas lijkt verdampt te zijn maar ik kan me gewoon niet veel meer herinneren. Even tot rust komen, en diep denken. Waar was ik laatst? Aha! Natuurlijk! Het was een klaarlichte dag en ik nam mijn fiets om, zoals mijn vader vroeg, een pakje op te halen aan het postkantoor. Ik weet nog goed dat ik puberaal gedrag vertoonde omdat ik aan het bellen was met een goede vriendin van mij en hij me kwam storen om een stom pakketje op te halen. Uiteindelijk ben ik (met tegenzin weliswaar) vertrokken met de oude fiets van mijn moeder. Ik nam het smalle weggetje door het bos, de kortste weg. Ik merkte dat een auto achter mij reed, maar ik reed gewoon door. Een eindje bleef ik fietsen maar ik merkte dat een zwarte bestelwagen mij overduidelijk aan het volgen was. Mijn hart begon te kloppen in mijn keel. Toen nam de bestelwagen met een oorverdovend geluid een scherpe bocht en knalde tegen mij aan. In een zwaai vloog ik tegen een brede boom. Smak! Ik was zo geschrokken en voelde zoveel pijn dat alles wit werd voor mijn ogen. Van de klap werd ik in een aantal milliseconden meegenomen in een bepaalde sfeer, ik was volledig buiten bewustzijn. Alles leek heel erg lang stil. Tot ik weer bij bewustzijn kwam en een vreemde man voor mijn neus gehurkt zat. ‘Ik zie dat je er weer bovenop bent gekomen.’ Zei de man. Hij had een bruine bivakmuts aan, en een zwarte lederen jas die veel te jong was voor de leeftijd die ik hem schatte. Ik merkte dat mijn kleren gescheurd waren en was doodsbang van wat er gebeurt was of nog te gebeuren stond. ‘Wat is er gebeurd?!.. Wat doe ik hier?! Blijf van me!’ gilde ik. ‘Wat is je naam?’ vroeg hij. Ik riep naar hem dat ik eerst antwoord wilde op mijn vragen en hij sloeg me heel hard in mijn gezicht. ‘Julie!’ schreeuwde ik. Over mijn wangen liepen tranen en ik wilde zo gauw mogelijk naar huis. Er ging een muffe geur in de kelder en met alle geluk was ik niet vastgebonden. Met zijn klamme handen ging hij langs mijn gezicht en ik probeerde hem weg te slaan maar hij was veel te sterk voor mijn slank postuur. Hij liep het trapje terug op en sloeg de grijs-zwarte deur achter zich dicht. Ik schreeuwde het uit. Een klein schoteltje werd mij achtergelaten. Droog brood en water. Moest ik hiervan leven?! Van alle energie die ik verbruikt had, liet ik me tegen een muur op de grond vallen. Een vreemde bult in mijn broekzak viel me op. Mijn gsm! Ik drukte op alle toetsen tot er licht van achter mijn schermpje verscheen. Geen bereik. Ik dacht aan al die keren dat mijn vader mij waarschuwde. ‘Julie, je bent nu 16 jaar, je hebt je gsm altijd op zak voor een noodgeval!’ Grappig. Nu er eens een noodgeval was en ik m’n gsm bij had, had ik geen bereik. Ik wist wel dat iemand me ging komen redden. Een knappe prins op een wit paard zeker? Nee, ik maakte mezelf gewoon wijs dat iemand me ging komen redden, maar ik wist diep vanbinnen wel dat ze mij nooit ging vinden. Die man had me hier naar binnengesleept toen ik buitenwesten was. Dit is een afgelegen huisje, hier gingen ze me nooit vinden, dat had dat vreselijk schepsel me verteld toen ik antwoord wilde op mijn vragen. Bij de zoveelste traan die over mijn wang naar beneden rolde, had ik mezelf voorgenomen niet meer te wenen. Nu niet meer. Wenen heeft geen zin. Ik liep naar het raampje en probeerde iets te zien. Damp ging tegen het venstertje. Ik bleef staren en ik zag het weer veranderen iedere dag opnieuw, en hier zit ik nu nog. Niet wetend wat komen zal. Wanneer komt er eindelijk hulp? Geen idee.