invulverhalen

hee hebben jullie nog leuke invulverhalen?

je weet wel zoon uit cosmo girl

xoxoxo

nee.

koop een cosmogirl :slightly_smiling_face:

In het beachboek van de cosmogirl staan er drie (=

Goooooogle

(=

Het is ______ (dag van de week) en een paar dagen geleden heb je, na veel _______ (werkwoord) en _______ (werkwoord) de stoute _______ (soort schoenen) aangetrokken; je hebt _______ (je crush) gevraagd om samen iets leuks te gaan doen. Vandaag is de _______ (bijv. naamwoord) dag. Je staat net lekker te _______ (werkwoord) onder de douche als je de deurbel hoort. Oh nee! Gelukkig doet je moeder, gekleed in _______ (raar kledingstuk) de deur open. Je hoopt dat het je crush niet is en je doucht vrolijk verder terwijl je heel hard en vals ________ (heel fout lied) zingt. Na ______ (tijdsduur) klopt je moeder op de deur: ‘________ (beschamend koosnaampje), ______ (je crush) zit beneden op de ________ (meubel) op je te wachten, hij/zij geniet erg van je zangtalent maar het lijkt hem/haar gezellig om je vandaag ook nog te zien en niet alleen te horen.’ Je schrikt je een _______ (hoofddeksel). Oh nee, hij/zij heeft alles gehoord! Nu durf je hem/haar nooit meer onder ogen te komen! Na ___ (getal) minuten klopt er opnieuw iemand op de deur. ‘_______ (schattigste koosnaampje wat je ooit hebt gehoord), kom je alsjeblieft naar buiten, ik heb me zo verheugd op deze dag. Ik heb vanalles voor je geregeld, we zouden samen naar een tupperwareparty gaan en daarna romantisch gaan eten bij _______ (snackbar om de hoek). Oh en wat ziet je moeder er vandaag trouwens ______ (bijv. naamwoord)uit.’ ‘Oh nee’, denk je, ‘het is ______ (je crush).’ Je durft hem/haar eigenlijk niet onder ogen te komen, maar wat hij/zij zei was zo lief dat je de deur toch van het slot afhaalt en je hoofd om het hoekje steekt. Bij de aanblik van zijn/haar prachtige ______ (lichaamsdeel) smelt je volledig. Je ______ (werkwoord) de deur open en vliegt hem/haar in zijn/haar _______ (lichaamsdeel).

In alle haast ben je vergeten je _______ (kledingstuk) aan te trekken, je ziet het en schaamt je dood. Snel ren je terug de badkamer in om er na _______ (klein getal) seconden weer uit te komen, fully dressed deze keer. Je bedenkt je ineens dat ______ (je crush) net voorstelde naar een tupperwareparty te gaan, hier heb je zelf totaal geen zin in en daarom stel je voor om samen naar _______ (een romantische plek) te gaan. Als jullie uuuren later eindelijk aankomen (jullie _______ (vervoersmiddel) had pech) ______ (manier om je te verplaatsen) jullie hand in hand naar een picknickplek. Thuis hadden jullie nog even snel een mand vol ______ (lekker eten) klaargemaakt. Jullie ploffen samen neer op het_____ (lelijk patroon) picknickkleed van de _______ (oud familielid) van ______ (je crush). De temperatuur is heerlijk, zo’n __ (getal) graden, de rest van de omstandigheden zijn ook perfect; ______ (type weer), veel ______ (irritant geluid) en het ruikt er naar ______ (geur). Kortom, het perfecte moment voor de eerste ______ (romantische handeling). Wauw! Wat kan hij/zij dat fantastisch! Dit had je na de catastrofe van vanochtend nooit kunnen dromen

dankjewell

[i]Dit zijn er 3 :laughing:

(jij) gaat een huisdier kopen. Ze wil heel graag een (dier). Ze (werkwoord) naar de dierenwinkel en ziet (een plaats) een _______ (levend wezen). _______ (die zelfde naam) rent naar _______ (dat zelfde levende wezen) en _______ (een lief gebaar) haar/hem. Dan _______ (werkwoord) ze weer door naar de dierenwinkel. _______ (die zelfde naam) _______ (werkwoord) naar binnen. Ze (dat zelfde werkwoord) meteen naar de kooi met een _______ (het zelfde dier) erin. Ze pakt een (kleur) _______ (dat zelfde dier). _______ (die zelfde naam) rekent af en geeft_______ (dat zelfde dier) _______ (lief gebaar). Als _______ (de zelfde naam) naar haar huis _______ (werkwoord) komt ze weer_______ (dat zelfde wezen) tegen. Ze geeft hem/haar alweer een _______ (datzelfde lieve gebaar) en besluit_______ (dat zelfde wezen) net zoals_______ (dat zelfde dier) mee naar huis te nemen. _______ (dat zelfde wezen) is erg _______ (emotie). _______ (de zelfde naam), _______ (dat zelfde dier) en _______ (dat zelfde wezen) leven nog _______ (een tijd: lang, kort enz.) en gelukkig!

Vanochtend werd je al wakker met _______ (pijn ergens in je lichaam). Me moeder gaf je een pilletje tegen de pijn, maar het bleek _______ (iets vies) te zijn. Je werd dus helemaal _______ (emotie) op mijn moeder! Na dat probleem ging je op _______ (je lievelings site). Maar wat bleek _______ (die zelfde site) is geld verloren en moest dus van internet worden gehaald. Toen ging je maar _______ (hobby). Maar tijdens _______ (die zelfde hobby) viel je en_______ (leuk persoon) was net aan kijken. Je gezicht werd _______ (kleur) van schaamt. Dus ging je maar naar _______ (je lievelings restaurant) om wat te snakken. Je bestelde_______ (je lievelings eten). Toen je jouw _______ (rang getal: eerste, tweede, derde enz.) hap nam stikte je erin. Iedereen zat je aan te staren en mijn hoofd werd weer _______ (die zelfde kleur). Je_______ (werkwoord) weg zonder te betalen! Een_______ (emotie) ober kwam achter me aan rennen maar je_______ (dat zelfde werkwoord) door. Eenmaal thuis had je weer die zelfde pijn. _______ (een lief persoon) kwam binnen met_______ (een lief cadeautje) voor jou! Na al die ongelukken van vandaag kon je dag niet meer stuk!

_______ (Naam bff) geeft een super pyjamafeestje met als thema _______ (kleuterprogramma) dat word dus de hele avond _______ (zelfde programma) kijken.
Op je_______ (vreemd voertuig) rijd je met een snelheid van (getal met 3 nullen) km per uur naar haar huis.
Het hele huis is versierd in de kleuren _______ (felle kleuren) en_______ (kleur die vloekt bij andere) en door het hele huis galmt de beat van _______ (carnavalskraker)
Je gilt de tekst mee en_______ (manier van begroeten) je Bff vrolijk. Ze draag een _______ (kleur kledingstuk) van _______ (beroemde designer) en jij een _______ (kledingstuk) van _______ (goedkope winkel). Je vriendin pakt snel_______ (horrorfilm waarvan je in slaap valt) uit de kast en jij pakt de _______ (kleur eten). Samen ploffen jullie op de _______ (iets om op te zitten) en starten de film. Als _______ (naam Bff) in de gordijnen _______ (manier van hangen) en jij _______ (geluid) van angst maakt. Word er aangebeld. Op dat moment gebeurt er in de film precies hetzelfde en dat beloofd niet veel goeds. Met_______ (naam bff) doe je een potje_______ (kort duf spelletje) en jij verliest. O nee, nu moet jij de deur openen. Op je _______ (diersoort) pantoffels en een _______ (keukengerei) in de hand loop je naar de deur. In je Japanse aanvalspositie doe je de deur open. Voor je ook maar iets hebt gezien begin je te _______ (geluid dat je maakt als je bang bent) niet dat het nodig was want voor de deur staat _______ (mannelijk familielid van je buurmeisje) in zijn _______ (kort kledingstuk) en hij heeft een verschrikkelijk slaaphoofd. “Kan het wat zachter?” _______ (dierengeluid) hij. Je voelt jezelf _______ (kleur) worden. “Wil je anders meekijken naar _______ (diezelfde horrorfilm)?” floep je eruit. Hij_______ (raar gebaar) en stapt naar binnen. Ineens gaat hij op zijn _______ (lichaamsdeel) zitten en haalt een _______ (kleur) bos _______ (bloemen) achter zijn rug vandaan. “Ik wil het je al langer vragen” _______ (dierengeluid) hij. “Maar dit is wel het geschikte moment. Wil je alsjeblieft met mij naar _______ (duf vermaak)?” _______ (Wat je roept als je blij bent) gil je. Deze pyjama party zal je niet snel vergeten…
[/i]

Het is kerstvakantie! Jij en____________(1) gaan lekker (2)(3)op wintersport in______(4). Jij hebt een___________(5)(6)(7) Skipak en superwarme (:sunglasses: bij elkaar geshopt zodat je er toch nog leuk uit ziet! Jullie gaan met_(9) en de reis duurt__________(10)(11) en daarom heb je al__________(12) en______________(13) ingeslagen voor onderweg. Als jullie aankomen, zien jullie dat er wel__________(14) centimeter sneeuw is gevallen! En het is____________(15).
Jullie verblijven in een huisje op de_____________(16)meter hoge berg en jullie worden gebracht met de taxi. Helaas kunnen jullie niet communiceren met de man die de taxi bestuurd, omdat hij______________(17) spreekt. Toch komen jullie uit op de verkeerde plek en moeten jullie______________(18) naar jullie huisje. Aangekomen op de juiste bestemming hebben jullie_____________(19) en voelen jullie je___________(20).Om bij te komen gaan___________(21) en jij lekker_______________(22) en spelen jullie (23). Dan hebben jullie zin om naar buiten te gaan. (24)(25) en jij gooit(26) sneeuwballen naar haar. Maar 1 raakt er op haar____________(27). (28) gilt ze uit!
Jullie zijn zo moe na het sneeuwballengevecht dat jullie slapen in
(29) op/in een_____________(30).
S’morgens moet jullie er al om____________(31) uur uit! Snel eten jullie wat______________(32) en vertrekken jullie. Jouw vriendin wil gaan____________(33) en jij gaat______________(34). Jullie nemen de_____________(35) en gaan met______________(36) kilometer per uur de berg af. Je kijkt naar je vriendin die____________(37) de berg af gaat. Jij verliest je concentratie en_____________(38) boven op een knappe jongen met een________(39) skipak en een__________(40) op zijn hoofd . Hij valt ook op een_____________(41). Jij krabbelt overeind en bied je excuses aan. Tot je grote verbazing is het___________(42). Hij kijkt je___________(43) aan en zegt dat het niet uitmaakt. Jullie gaan samen_______________(44) drinken in een café na afloop en hij brengt je_____________(45) thuis. Onderweg valt opeens een______________(46) jullie aan. Jij bent heel________________(47), maar gelukkig mept_________________(48) hem met een_________________(49) knock-out. Wat een____________(50) denk ik je!. Daarna__________________(51) hij je! Deze wintersport zul je nooit vergeten!

  1. Je vriendin
  2. Cijfer onder de 10
  3. Een tijd (maanden, uren, weken)
  4. land
  5. Bijvoeglijk Naamwoord
  6. Kleur
  7. Patroon
  8. Voor bij je winterkleding
  9. Voertuig
  10. Cijfer
  11. Uren, minuten of seconden?
  12. Voedsel
  13. Drinken
  14. Cijfer
  15. Soort weer
  16. Cijfer
  17. Taal
  18. manier van verplaatsen
  19. kwaaltje (ergens last van hebben)
  20. Hoe je je voelt
  21. Zelfde vriendin
  22. Activiteit
  23. Spelletje
  24. Zelfde Vriendin
  25. Iets wat je met sneeuw doet
  26. Cijfer
  27. Lichaamsdeel
  28. Kreet
  29. Een kamer in een huis
  30. Meubel in die kamer
  31. cijfer onder de 13
  32. Voedsel
  33. Hoe je de berg kunt afgaan op wintersport
  34. Hoe je de berg kunt afgaan op wintersport
  35. Soort piste
  36. Cijfer
  37. werkwoord
  38. Ander woord voor vallen
  39. kleur
  40. Hoofddeksel
  41. Voorwerp
  42. Acteur/Zanger
  43. Emotie
  44. Drinken
  45. Manier om gebracht te worden
  46. Wild dier
  47. Emotie
  48. Zelfde acteur/zanger
  49. Voorwerp
  50. troetelnaampje
  51. Een ander woord voor zoenen