Hulp Gevraagd!!

Hallo!
Voor school moet ik een sprookje herschrijven. Dat heb ik dus gedaan, haha. Maar zouden jullie het misschien even voor me willen nalezen en willen wijzen op fouten? M’n vader kan het helaas niet want hij heeft dyslexie, en mijn docent begon me al boos aan te kijken toen ik vroeg of ze het even door wilde kijken voor ik het inleverde. Dus, tsja. Als jullie het willen lezen: Alvast bedankt!

Mijn naam is Roodkapje. Nooit zul je mij zien zonder een rood kapje op mijn hoofd. Het kapje kreeg ik van mijn oma toen ik nog een heel klein meisje was. Sindsdien draag ik het iedere dag met trots. Mijn oma woont alleen. Ze woont diep in het donkere bos, in een houten huisje tussen de hoge bomen. Op een dag vertelde mijn moeder dat mijn oma ziek was. Ze voelde zich grieperig, en was die dag in bed blijven liggen. Daarom vroeg mijn moeder of ik mijn oma een mandje vol met lekkers wilde brengen. Natuurlijk wilde ik dat! Ik hield immers ontzettend veel van mijn oma. Wanneer ik ziek was, bracht mijn oma mij ook altijd een verassing. De ene keer een mand met fruit, de andere keer zelfs een zelfgebreide sjaal!
Nadat ik mijn cape om had gedaan, en mijn sjaal rond mijn nek had gedrapeerd, nam ik het mandje van mijn moeder aan. “Wees voorzichtig!” zei mijn moeder op een bezorgde toon. Ik knikte. “Ik meen het,’ benadrukte ze. “Blijf netjes op het pad, ik wil niet dat je valt!”

Al wist ik dat mijn moeder gelijk had, ik kon het niet laten om van het pad af te wijken zodra ik de prachtige bloemen in de wei zag staan. Ze hadden alle kleuren van de regenboog. Rood, oranje, geel, groen en blauw, en zelfs violet! Ik was ervan overtuigd dat mijn oma nog veel sneller zou opknappen zodra deze prachtige bloemen haar huisje zouden opvrolijken. Terwijl ik net de eerste bloem plukte, hoorde ik geritsel vanuit de bosjes. Van schrik schoot ik overeind, en zag de grote boze wolf staan. “Hallo daar,” klonk de onheilspellende stem van de wolf. “Lieve Roodkapje, heb je de bloemen verderop al gezien? Daar?” de wolf wees met zijn poot dieper het bos in. “De bloemen daar zijn adembenemend, veel mooier dan deze simpele bloemen hier.”
Een paar tellen keek ik weg van de wolf, in de richting waarnaar hij had gewezen, en hij was alweer verdwenen. Hoewel ik de blik in de ogen van de wolf niet vertrouwde, besloot ik toch een kijkje te nemen. Daar was immers niet veel mis mee, toch? Ik bleef het pad in zicht houden en liep in snelle pas richting de aangewezen plaats. Maar het duurde niet lang of het pad was uit het zicht. De wolf had niet gelogen, en ik begon in volle enthousiasme de beeldschone bloemen te verzamelen.

Toen ik bij mijn grootmoeder aankwam, puilde het mandje uit met de wonderschone bloemen. Zoals altijd klopte ik drie maal op mijn oma’s voordeur. “Kom binnen liefje” klonk een stem van binnen in het huisje. Het was niet de stem die ik gewend was van mijn oma, maar ik nam aan dat het te maken had met een zere keel. “Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open” hoorde ik haar zeggen. Ik trok aan het touwtje om de deur van het slot te halen en stapte over de drempel naar binnen. Zonder op te kijken zette ik eerst het mandje op tafel, en vervolgens de bloemen in een vaas. Mijn grootmoeder had in de tussentijd geen woord meer gesproken. Vanwege deze vreemde stilte draaide ik mij naar haar toe en liep richting het bed in de hoek van de kamer. Verbaasd bleef ik een paar seconde in stilte naar haar kijken. Wat een vreemd griepje had mijn grootmoeder opgelopen. “Maar oma,’ zei ik verbaasd, “grootmoeder, wat heeft u grote armen?”
“Dan kan ik je beter vasthouden mijn kind!” antwoordde ze weer met haar vreemde stem.
“En grootmoeder, wat heeft u grote oren!”
“Dan kan ik je beter horen!,” was haar reactie.
“En grootmoeder, wat heeft u grote ogen!”
“Dan kan ik je beter zien, lieve kind!”
Haar stem klonk opgelaten, en er leek een zacht gegrom van onderin haar keel te komen. Haar altijd lieve glimlach leek opeens een gevaarlijke grijns. Een grijns met grote, puntige tanden.
“Grootmoeder! Wat heeft u opeens een grote mond gekregen!” riep ik geschrokken uit.
Een grote grom klonk uit haar mond. Toen pas realiseerde ik mij dat mijn oma geen vreemde ziekte had opgelopen. Dit was de grote boze wolf! Opnieuw klonk een harde grauw vanuit zijn strot. “Daarmee kan ik jou beter opeten!” vertelde hij dreigend.
Strompelend zette ik nog een paar passen achteruit, maar ik was te laat! De scherpe tanden kwamen in razend tempo op me af en …….

“Lieve kind!” hoorde ik in het donker. Het was de stem van mijn lieve oude grootmoeder. “Roodkapje lieverd!”
“Grootmoeder!” reageerde ik opgelucht, hoewel ik geen reden had om opgelucht te zijn. We zaten in de buik van een monster, en er was geen uitweg meer. “Hoe heeft dit kunnen gebeuren?” vroeg ik aan mijn oma. Een zachte snif klonk aan mijn rechter kant. “De wolf deed zich voor als jou, mijn lieve kleindochter. Voor ik het wist had hij mij te grazen. Ik wou dat ik hem had kunnen tegenhouden zodat jou niet hetzelfde was overkomen.”
“Het geeft niet grootmoeder, als ik niet van het pad was gegaan was dit nooit gebeurd. Het is mijn schuld.”
Het bleef een moment stil. Tot we een zacht geronk hoorde. De wolf was in slaap gevallen. Mijn grootmoeder en ik hielden onze adem in, om hem niet wakker te maken. Plotseling, klonk er een scheurend geluid en een baan licht verscheen vlak naast ons. “Wees voorzichtig!” klonk een mannenstem. De man hielp mijn oma en mij ontsnappen uit de buik van het monster. De man was een jager, die opzoek was geweest naar een maaltijd voor hem en zijn gezin.
“Die wolf snurkt zo hard, dat zelfs de vogels ervan opvlogen!” lachte de jager luid. “Laten we stenen zoeken, dan merkt dat domme dier nooit dat jullie gevlucht zijn!”
Samen met de jager zochten mijn grootmoeder en ik een paar flinke keien uit het bos. Toen we terug kwamen, was de grote boze wolf nog steeds in een diepe slaap. Ik stopte de keien in de scheur, en mijn oma hechtte hem weer netjes dicht. “Kom maar mee,” stelde de jager aan ons voor. De jager nam ons mee naar zijn hutje vlakbij de waterput. Zijn vrouw gaf ons een heerlijke kop thee om bij te komen. Net toen ik de eerste slok wilde nemen, keken we allemaal op van een vreemd geluid. Het leek van buiten te komen. Met zijn vieren keken we door het raampje richting de waterput. Het was de wolf. Hij was ontwaakt en had duidelijk reuze dorst. Met grote slokken klokte hij het water naar binnen. Hij boog zich verder voorover om sneller het water te pakken te krijgen, maar plots verloor hij zijn evenwicht! De stenen waren zo zwaar, dat hij zo voorover viel, de put in! Een doffe klap later was het stil.

Na die klap, is er nooit meer iets vernomen van de wolf, en kan ik zonder angst weer bloemen plukken in het bos.

Haha ik vind het echt leuk. Niet zo veel op aan te merken…

Let erop dat je een even aantal aanhalingstekens gebruikt. Een enkele keer begin je met " en sluit je af met '. Na een gesproken zin zet je een punt en dan een aanhalingsteken. Als een persoon iets zegt, dan sluit je af met een aanhalingsteken, gevolgd door een komma en wie het zegt, vraagt, noem het op. Eindigt de zin op een uitroepteken of vraagteken, dan volgt er na een aanhalingsteken geen punt en hoef je datgeen wat de persoon zegt niet met een hoofdletter te schrijven.

De wolf had waarschijnlijk reuze veel dorst.
Je allerlaatste zin bevat twee tijden en een hele lange tussenzin. Persoonlijk zou ik daar het volgende van maken:
Na die klap hebben we nooit meer iets vernomen van de wolf. Ik kan zonder angst weer bloemen plukken in het bos.

Verder kan ik je adviseren om iets zuiniger te zijn met uitroeptekens.

Dank jullie wel!