Helden (fantasy nano)

Een fantasynovel die ik voor Nanowrimo 2011 schreef. De gouden regel bij nano: no editing. It’s suicidal. Dus alles wat je leest is first draft, sorry dus voor alle spelfouten, grammaticafouten en interpunctie foutjes :wink:.
Het is fantasy, speelt zich af in een middeleeuwse fantasie wereld. De rest gaat wel voor zichzelf spreken :wink:. Enjoy en let me know!

p.s. Dikgedrukt of schuingedrukt?

[b]In een wereld waar ooit magie de landen heerste, ligt de macht nu in de handen van een enkele tovenaar. De landen van het Westelijke Continent zijn gehuld in Duisternis en één voor één vallen zij in de greep van de Duistere Keizer. Daar waar geen licht meer is, kan geen magie bestaan. In de donkere kelders van het keizerlijk paleis kwijnen de laatsten der magische weg, ontdaan van hun magie, ontdaan van hun ware licht.
Maar wanneer alle hoop gedoofd lijkt, dient een nieuwe vlam zich aan in de vorm van een magisch kind. Haar verhaal begint in de moerassen van Aldar.

Het land van de Eeuwige Zonden, Aldar. De hoofdstaat van de Vrije Staten, de laatste landen die nog verzet boden tegen de overname van het Keizerrijk. In het Noorden ligt de stad Ryandel, de hoofdstad van de Vrije Staten. Een verre woestijn rekt zich uit vanaf het noorden van Aldar tot het verre Valdar, de Eeuwige Woestijn. In het Zuiden vindt men slechts moerassen, onbegaanbare bosgronden, waar geen mens ooit gekomen is. Deze bosgronden strekken zich uit tot ver voorbij de laatste grenzen van Aldar, tot de Witte Kusten, in het verre zuiden van het Westelijke Continent.
Aan de rand van het moeras staat een klein onderkomen, op twee dagen reizen van het bevolkte gebied van Aldar. In deze kleine burcht verblijft Eraël de Wijze, een oude tovenaar en één van de leiders van het Verzet.
Zijn burcht was langwerpig en vierhoekig van vorm. Vier torens sierden de lucht, slanke torens. De voorste torens waren ongeveer acht meter hoog, bereikbaar via een wenteltrap. Dr achterste torens waren kleiner, zes meter hoog, maar breder dan de voorsten. Alle vier de torens waren met elkaar verbonden via een lange, brede muur. Tussen de achterste twee torens was het woonvertrek gebouwd. Een twee verdiepingen hoog vertrek, met boven twee slaapkamers en een slaapzaal. Beneden was er een keuken, een eetgedeelte en een woongedeelte, waar ook de openhaard zich bevond.
Het woonvertrek keek uit op de moerassen, een vergestrekt landschap van meren, riviertjes en bossen. Eraël hield van het uitzicht op de moerassen. Zijn thuis.
Voor vijf jaar heeft Eraël zijn Leerlinge getraind in de kunst van het zwaardvechten en de kunst van de magie. Maar op de eerste dag van het zesde jaar, verkeerde zijn hart gehuld in mist.
[/b]

aaah, precies waar ik van hou! :grinning:
het doet me nu een beetje denken aan lord of the rings, in het beginstuk waar de kaart wordt gefilmd en de geschiedenis een beetje wordt uitgelegd.

heeerlijk! ik hou echt van dit soort verhalen ja! ik zou trouwens voor schuingedrukt gaan, persoonlijk vind ik dat prettiger lezen. (: maar voor de rest is het nu al leuk, haha!

verder! :slightly_smiling_face:

Het Lord of the Ringsachtige klopt helemaal. De soundtrack was dan ook mijn schrijfmuziek haha! Bedankt voor alle leuke reacties!

Het was de eerste dag van het tweede seizoen, de wind was guur en de zon stond nog laag aan de hemel. Eraël vond zichzelf uitkijkend over de moerassen die vanaf zijn burcht het blikveld vulden. Geen mens heeft zich ooit zo dicht bij de moerassen vertoond, zijn verborgen paden en diepe gronden hebben menig leven gekost. Met een zucht dacht Eraël terug aan de tijden van voor het Keizerrijk. Toen tovenaars nog vrij rondliepen, als normale mensen gehuld in mantels en een staf in hun handen. De tijden waarin magie nog niet verbannen was van de gronden van het Westelijk Continent.
De komst van de duisternis had alles verandert. Eraël had het allemaal meegemaakt. Het begon zestig jaar geleden, toen zijn goede vriend Bderök, overgenomen werd. Samen zaten zij in de Cirkel, een bijeenkomst van de zes machtigste tovenaars, die besloten over het lot van velen. Maar de macht verteerde Bderök’s ziel. In een bloedig gevecht wist hij drie van de overige vijf tovenaars te doden, Eraël wist te ontsnappen, samen met zijn zoon.
De dagen die kwamen voorspelden niet veel goeds. In zijn fort in Baz’gul, gevestigd tegen de bergvoeten in het noorden, bereidde Bderök een aanval voor op het Westelijke Continent. In zijn vorm, had magie geen beperkingen meer. Hij creëerde legers en vervuilde water met zijn gif. Eraël wist dat de landen van de mensen niet lang stand zouden houden. En één voor één vielen ze in zijn greep. Eerst viel Hillith in het noorden, en daarna Re’zeck in het westen. Het leger van Bderök was gecreëerd voor één doel: het uitroeien van alles wat hen tegenwerkt. Tegen de magie van Bderök hadden zwaarden en schilden geen zin. Menig moedig man is de strijd in gegaan als een held, om teruggedragen te worden op een bed. Kleine overwinningen werden behaald, maar tegen de Duisternis zijn mensenharten niet opgewassen.
En nu, stond het Koninkrijk van Cédric de Vierde, op het punt te vallen. Jarenlang had hij standgehouden tegen de Zwarte Legers, die hem vanuit het noorden en het westen belaagden. Maar steeds meer spionnen krioelen door zijn land, een einde makend aan alle magie. Eraël wist dat het nu niet lang meer zou duren voordat de Zwarte Legers ook de laatste Vrije Staten hadden bereikt.
En daar, op het balkon van zijn slaapvertrek, keek Eraël met verdriet uit over zijn landgoed. Zijn tuin, de moerassen, de dierenhokken. Spoedig, wist de oude wijze man, zou hij het allemaal achter moeten laten voor een reis die groter was dan hijzelf, en groter dan zijn leerlinge, voor wie de tijd eindelijk gekomen was. Hij sloot zijn ogen en ademde diep in. ‘De magie stroomt niet als rijkelijk, als in de Oude Tijden, mijn kind.’ Zei hij, terwijl hij de luchtstromen met zijn vingers probeerde te grijpen. ‘Het is ontastbaar geworden.’
Zijn leerlinge, gehuld in een zwarte cape met capuchon, kwam naast hem staan. ‘Magie is niet ons enige redmiddel, grootvader.’ Zei ze, met een kille stem. Eraël keek opzij naar zijn leerlinge, haar gezicht ging gehuld in de duisternis van haar zwarte mantel, maar haar ogen schenen felblauw door het donker heen. ‘Als twee witte sterren…’ mompelde Eraël, terwijl hij een pijp uit zijn borstzak pakte en hem aanstak. ‘de duisternis verslaan.’
Ook al kon de oude man het gezicht van zijn leerlinge niet zien, hij wist wat er onder de mantel verscholen ging. Een strak, emotieloos gezicht. Ogen die je ziel doorboorden en lang, zwart haar. Ama’mai, zoals ze door de rebellen werd genoemd. De Mooie Dood.
Eraël draaide zich om en beende weg. ‘Het is tijd voor je training.’ Zei hij. Zijn leerlinge volgde hem, zonder iets te zeggen.

De eerste stukjes zijn beetje veel informatie enzo, maar blijf maar gewoon lezen alles word snel duidelijk!

In de omheinde tuinen van de burcht pakte Eraël zijn staf beet. De witte gebogen staf had een paarse edelsteen in de kroon. Eraël keek zijn leerlinge aan. Haar felblauwe ogen staarden terug van onder de zwarte mantel. Hij kon het niet zien, maar Eraël wist dat haar hand ruste op het handvest van haar zwaard. ‘Vandaag,’ Zei Eraël. ‘is het een bijzondere dag. Niet veel langer zul jij hier verblijven, mijn kind.’ Hij sloot zijn ogen en concentreerde zich op de wind. Hij ademde de energie van de wind in en concentreerde de energie in de kroon van zijn staf. De paarse edelsteen gloeide op. ‘Jouw lot valt over ons, als de duisternis over de laatste vrije landen.’ Hij hoorde hoe zijn leerlinge haar zwaard trok. Het geluid van metaal tegen metaal bemoedigde hem. ‘De tijd is daar.’
Zonder een waarschuwing vuurde Eraël een energiebol op zijn leerlinge af. Ze ontweek de snelle straal en sprong naar voren. Haar zwaard zweefde gevaarlijk door de lucht en kwam neer op de plaats waar Eraël net nog gestaan had. Ze voelde hoe de tovenaar achter haar was neergekomen en zwaaide haar zwaard naar achteren. Met een harde klets ontmoette het zwaard van Eraël dat van zijn leerlinge. De wind waaide zwakjes en Eraël kon de ademhaling van zijn leerlinge luid horen. Eraël concentreerde de energie van de wind opnieuw en vuurde de bol af, maar toen hij zijn ogen opende, was zijn leerlinge verdwenen. Eraël probeerde zich te concentreren, maar hij kon haar niet voelen. Al zijn zintuigen werkten op volle toeren, tot hij de punt van een zwaard op zijn rug voelde staan. ‘Mijn kind,’ zei hij. ‘je training is voltooid.’

Hey, wat leuk dat jij ook je Nanowrimo verhaal er op hebt gezet! :slightly_smiling_face: Die van mij staat hier ook op GS haha. Ik moet nu weg maar ik ga straks je verhaal lezen!

@Writelove Aaah wat is de titel van die van jou dan? Ik zal zo ff op je profiel rondneuzen kijken of ik em kan vinden, haha!

Haha, die van mij is Cosmopolitan! Hoe heette je op NaNoWriMo? :slightly_smiling_face:

@WriteLove Dat dacht ik al! Ik heb al wat gelezen, leest heel lekker weg en het is ook zo mysterieus :slightly_smiling_face: !! Ik heette TheDutchess. Volgens mij, haha!

Ik zal zo nog een stukje plaatsen van mijn verhaal!

Zijn leerlinge verborg haar zwaard onder haar mantel en ondersteunde Eraël, die uitgeput was van het gebruik van magie, terug naar de beschutting van zijn veranda. Ze zette hem in zijn schommelstoel neer. ‘Dank u, meester.’ Zei ze. Eraël hoorde dat haar ademhaling nog steeds zo onrustig en zwaar was. ‘Wat speelt er in uw hoofd, mijn kind?’ Zei hij, terwijl hij zijn staf tegen de muur aanzette. Zijn leerlinge was stil. Eraël keek uit over zijn binnenplaats en voelde hoe de wind zijn grijze haren optilde. Hij voelde de energie die met de wind mee kwam, de magie. Wachtend op een antwoord keek Eraël opzij, maar zijn leerlinge was er niet meer. ‘Ama’mai,’ mompelde Eraël, terwijl hij zijn pijp weer uit zijn borstzakje viste. ‘de Mooie Dood.’
Eraël keek naar de lucht. De dag was pas net begonnen, maar de wind droeg al veel verhalen. Hij blies rondjes rook van zijn pijp. Zachtjes vaarden de witte cirkeltjes mee op de wind, om even later weer te verdwijnen. Hij richtte zijn blik op de voorkant van zijn burcht. De poorten stonden wagenwijd open. Een lange weg strekte zich uit vanaf de poort tot over de horizon. Vele malen had Eraël dit pad bewandelt, en vele keren had hij teruggekeerd. Hij glimlachte weemoedig. Zijn gedachten maakten overuren, niet wetend wat er komen zou. Hoewel het een magiërs gave was om orde aan te brengen in de chaos, was het anders dit keer. Eraël had altijd een heldere blik op de toekomst gehad en vrede met zijn lot gesloten. Maar sinds de komst van zijn leerlinge is de helderheid van de toekomst verandert in een dikke mist, en hoever je ook loopt, de mist blijft je omringen.
Slechts flarden blijven hem bij. Grote veldslagen, overwinningen, maar ook de dood. De toekomst was een riskant middel om mee te werken. Nooit vastgelegd totdat het geschiedenis is, onbetrouwbaar en veranderlijk met elke stap die men neemt.
Eraël was bang. De grootste tovenaar van de wereld, hij die hun leider was. Hij die de keizer uitdaagde tot een duel. Hij die de rebellen leidt. Hij was bang. Bang voor het leven van zijn leerlinge, bang voor de risico’s van haar gemoedstoestand en bang voor haar rol in dit verhaal. Eraël ademde een continue stroom aan angst in, maar met elke uitademing liet hij deze angst varen. ‘Hij die zich laat leiden door Angst, maakt zich kwetsbaar voor het Kwade.’ Mompelde Eraël, zijn gedachten sussend. Wat voor rol zij ook had in dit verhaal, Eraël wist dat haar hart zuiver was en zij was moedig en slim.
Een koel briesje waaide door de openstaande poorten van de burcht. Het was warm voor het vroege begin van de dag, maar Eraël was het gewend. Hoe verder je naar beneden ging op het Westelijke Continent, hoe warmer het werd. Valdar, het land waaraan de moerassen van Aldar grenzen, was nog warmer. Grote zandbanken spreiden zich uit over kilometers land. De enige begroeiing is een oase in het zuidoosten van het land, veroorzaakt door een kleine rivier die vanaf de Zuidelijke bergpas uitkomt in de zeeën.
Graag dacht Eraël terug aan de dagen die hij over de zandheuvels van Valdar heeft gelopen, als een vrije tovenaar, met zijn staf in zijn handen. Hij nam zijn pijp uit zijn mond en tikte hem uit. Voorzichtig stond hij op, hoewel zijn leven uitzonderlijk lang gerekt werd door het zijn van een magiër, begonnen zijn botten nu toch echt wel te kraken. Hij voelde een ondersteunende hand op zijn rug. Haar andere hand pakte zijn arm beet. Eraël keek op zij in de felblauwe ogen van zijn leerlinge en herinnerde zich opeens waarom de Rebellen haar de Mooie Dood hadden genoemd. Ze ondersteunde hem tot aan de eetkamer, waar Eraël gretig op een stoel neer plofte. De eettafel stond voor het raam en bracht voldoende ruimte voor net drie personen. Ama’mai pakte de stoel voor hem en ging zuchtend zitten. Verlangend keek ze naar buiten, naar de bossen en de meren die haar zo verwoed uitnodigden. Eraël begreep haar verlangen. Het was het simpele verlangen naar haar eigen, de bossen en meren van de moerassen van Aldar waren gevuld met magie. Ver in het zuiden heeft de arm van de keizer nog niet durven reiken. Eraël keurde haar verlangen naar magie meer dan goed, het was alleen de keuze van magie die hem zorgen baarde. Van alle magische wezens die in de moerassen leefden, had Ama’mai haar focus gelegd op één van de mysterieuste creaties van het Westelijke Continent. Eraël wist dat zij niets liever wilde, dan de hele dag bij de dieren te zijn. Maar vandaag waren er andere dingen te doen, belangrijkere dingen.