Eavan

heyhey meiden. ik ben in de zomervakantie twee jaar terug, begonnen met een verhaal schrijven. het is een fantasy verhaal. alle tips zijn welkom net als opbouwende kritiek :wink:. ik zal kleine stukjes per keer posten en als jullie meer willen, geef maar een gil :wink:

Eavan

‘Eavan! Eten!’ fijn hoor! In één keer uit mijn concentratie! De sierlijke krul die ik eindelijk uit de tiara gegroeid had gekregen trok zich meteen weer terug. Een tiara maken is een van de geduldigste werkjes voor een Elf. Het moet gecreëerd worden uit levend hout en iedere krul of gravering heeft weer een eigen ingewikkelde spreuk en alles eist opperste concentratie. Moeilijk voor een Elf. Haast onmogelijk voor een Elf uit de 21ste eeuw. Ik stopte de tiara terug in mijn geheime doosje en deed deze op slot. ‘Ik kom al!’ Ik deed mijn mens-vermomming weer op en ging naar beneden. Je kon nooit weten wie er op bezoek zou komen.

Mijn voorzichtigheid was niet voor niets geweest. Ik kreunde. Het was dinsdag. Bert kwam eten. Niet dat de man op zich niet aardig was. Maar hij wist precies al die dingen te zeggen die mij woedend maakten. Over dat mam me teveel los laat en dat ik zo afwezig ben. Ik doe geen dingen die “normale” tieners doen. Hij ziet me nooit in de kroeg, dus dan ben je niet normaal volgens zijn regels. En dan die stomme lach van hem! Dan vliegen de druppels spuug en eten in het rond. Walgelijk. Nee, er waren vast wel mensen die hem aardig vonden. Maar tot die mensen behoorde ik niet. Ik zocht mam op in de keuken waar ze salade aan het husselen was. ‘Mam mag ik bij Sorcha eten? Ze smste net en-‘ mam keek me aan met zo’n blik van: “yeah right!”. Natuurlijk sms’ten Sorcha en ik niet met elkaar. We zonden elkaar gewoon berichten van geest tot geest. Maar Bert zat daar op de bank weer walgelijk te zijn dus ik moest wel. Mam pakte mijn hand. ‘Natuurlijk schat, veel plezier bij Sorcha en doe haar de groetjes van me.’ Ik zoende haar op haar wang en liep naar de kapstok. Ik seinde dat ik mijn mobiel bij me had voor het geval dat en trok mijn jas aan. Toen besloot Bert zijn mond weer eens open te doen. ‘Monique, je luistert ook nooit naar mijn adviezen. Je laat dat kind veel teveel los.’ Ik deed de deur open en voordat ik hem dichttrok hoorde ik Bert zich verslikken in zijn wijn. Met een voldaan gevoel fietste ik de straat uit.
~
Ik gooide mijn fiets in de berm. Eindelijk was ik thuis. Écht thuis. Hoe dichter ik bij de Stille Kern kwam hoe meer ik mijn mens-vermomming liet varen. Ik riep Sorcha in gedachten. Ik ben er bijna. Ze had het ontvangen. Ik rook je al. Je ruikt naar Bert-met-je-gezicht-in-de-snert. Ik gniffelde. Sorcha had Bert nog nooit ontmoet en ze had nu al een hekel aan hem. Al had ik daar natuurlijk wel mijn aandeel in gehad. Ik volgde de geur van verse thee tussen de bomen door en kwam bij Socha’s boomhut uit. Ik beklom de trap. De wind kreeg weer grip op mijn lange haren die ik zo lang verborgen had moeten houden. Ik zag dat de muur waar Sorcha al haar tiara’s en ringen uitstalde weer wat versieringen rijker was. Sor zat aan de grote ronde tafel in het midden van de ruimte. Ze keek me aan. ‘Eindelijk’ ik grijnsde terug. ‘Door Bert moest ik op menselijk tempo fietsen. Sorry’ Sorcha schoof een kop dampende thee naar me toe en gebood me te gaan zitten. ‘Hoe ver ben jij al met die tiara?’ Ik stuurde haar een beeld van mijn werk tot nu toe. Ze floot tussen haar tanden. Dat deed me aan iets herinneren. ‘Sor, ik ga bijles krijgen van Lucas!’ Sorcha keek me lachend aan. ‘Tsja, nu heb je wel officieel recht op een sterfelijk vriendje. En ik moet toegeven Lucas is een goede keus.’ ‘Sorcha!’ zei ik beschuldigend. ‘Je bent echt onverbeterlijk.’ Ik zuchtte dramatisch en barstte daarna in lachen uit. ‘Het leek mij wel leuk om eens bijles te krijgen.’ Sorcha proestte het uit ‘Ja van hem wel’ ik keek haar semi-serieus aan
‘Welk vak gaat hij je eigenlijk mee helpen?’ vroeg ze zowaar geïnteresseerd.
‘Dat gaat je nu niks meer aan als je me uitlacht’ ze keek me aan alsof ze hard aan het denken was. Het bleef een tijdje stil. ‘Frans!’ gilde ze uit. Ik keek haar verrast aan. ‘Ja, ik heb gelijk! Ik zie het aan je!’ Ze begon hard te lachen. ‘laat Val dat maar niet horen. Hij maakt hem af.’ Ze keek verlegen weg. ‘Sorry, ik had er niet over moeten beginnen.’ Ik schokschouderde. ‘Het geeft niet. Jij praat er tenminste over. Val kijkt zo woest sinds ik heb besloten te sterven als een mens…’ ze keek me weer aan.
‘Dus het is jou ook opgevallen.’ zei ze haast verbaasd. Ik knikte. ‘Eef, volgens mij heeft Percival al eeuwen een oogje op jou. En nu je besloten hebt dat je niet wil leven zonder je geliefden maar wel zonder hem… dat hakt erin’ Ik knikte. ‘maar hij doet de laatste tijd alsof we een stelletje zijn. Hij laat me nergens alleen heen gaan.’ Sorcha’s ogen werden groot. ‘Helemaal vergeten! We kunnen naar Ierland! Er is plaats. De Clan daar in de buurt zal ons kunnen ontvangen, we kunnen gaan!’ mijn verdrietige gevoel over Val was meteen weer verdwenen. ‘Echt?! Gaaf zeg! Wanneer?’ haar ogen begonnen te glimmen en ze begon in een hogere versnelling te praten, zoals ze altijd deed als ze ergens opgewonden over was. ‘In het weekend over twee weken. Ik heb het kunnen plannen zodat jij maandags weer gewoon naar school kunt’ Sorcha keek me stralend aan. ‘Na lang gezever heb ik contact met ze kunnen leggen. Het leek ze enorm leuk om ons te ontvangen!’ Een warm gevoel vulde mijn buik. ‘We gaan naar Ierland’ stamelde ik.
‘Zei iemand iets over Ierland?’
Soms was Val gewoon stomvervelend om zijn knapheid, zelfs als mens was hij nog bovenelfelijk knap. Nu stond hij weer mooi en geweldig te zijn in de deuropening. ‘Rot op Val. Het is onze vakantie. Van Sorcha en van mij. Jij gaat niet mee!’ zei ik boos. Hij moest echt niet mee, anders waren we alleen maar aan het kibbelen. Val ging naast me op mijn stoel zitten en sloeg zijn arm om me heen. ‘Eavan, je kan toch helemaal niet zonder mij?’ Hij keek me poeslief aan. Woedend keek ik terug. ‘Trouwens,’ ging hij verder, ‘Er gaan geruchten dat bij de Cliffs feniksen zijn gesignaleerd’
‘Echt!?’ Sorcha sprong op van haar stoel. ‘maar dan moet ik nog zoveel voorbereiden. Ik zal ze moeten vereeuwigen in hout en metaal. En dan komen er binnenkort vast ook bruiloften met feniksen die daarbij betrokken zijn en en en-’ ze hapte naar adem.‘Sor’ Ik keek haar aan. ‘Je slaat zoals altijd een kléín beetje door…’ Ik hoorde Ramakhaï aan komen denderen op de bosgrond. ‘Oh, god. Daar heb je die andere malloot’ Zuchtte ik. ‘Hallootjes’ Daar was Khaï. ‘Ik dacht al dat jullie met z’n allen af zouden spreken om mij buiten te sluiten’ Hij lachte zijn samenzweerderige lach. ‘Ga zitten Khaï.’ Sorcha schoof ook hem een kop thee toe. ‘He! Nu word ík buitengesloten!’ klaagde Val. ‘Misschien wil ik ook wel thee’ Ik stond op zodat Percival bijna van de stoel afviel. Geïrriteerd pakte ik nog een kop thee van het aanrecht en zette die met een klap voor Val neer. ‘Zo, is alles naar wens mijnheer?’ vroeg ik spottend. ‘Nee. Je moet weer normaal gaan doen’ zei hij vijandig. ‘Ik?’ vroeg ik honend. ‘Wie doet hier nou niet normaal. Je doet alsof we altijd een gelukkig stelletje zijn geweest. Maar ik ben niet van jou. Ik ben van niemand, behalve van mezelf!’ Dreigend stond Val ook op. ‘Jou enige probleem is dat je je te makkelijk laat beïnvloeden. Kom op, wie geeft zijn onsterfelijkheid nou op voor een mens!’ Ik gromde. ‘Hou je kop Val. Dat er niemand van jou houdt is jou probleem. Val mij daar niet mee lastig.’ Hij uitte een bloeddorstige kreet. ‘Wou je dat uitvechten?’ Sorcha maakte een verbaasd geluidje ‘Nou jongens is dat niet wat dramatisch. Laten we ‘t gezellig houden’ Val keek haar woedend aan, maar zijn gezicht werd iets rustiger. ‘Sorry jongens, ze heeft last van haar hormonen. Ze begint al af te takelen.’ Binnenin me knapte er iets. Waarschijnlijk mijn zelfbeheersing, want opeens vloog Percival door de open deur naar buiten. Ik sprong hem achterna. Hij stond alweer klaar om mij een klap uit te delen. Terwijl we elkaar sloegen, beten, en krabden, rolden we over de bosgrond. Als ik te zwak zou zijn voor hem zou ik altijd nog kunnen rennen. Niemand was zo snel als ik. Zelfs Val niet. Ik sloeg hem hard tegen zijn neus. Alsof ik een kraantje opendraaide stroomde er bloed over zijn gezicht. Dit was mijn moment om hem te pesten. Ik stond op en rende in oostelijke richting. Mijn lip klopte. Ik hoorde Percivals voetstappen achter me aan bonken. Ik zigzagde zo veel mogelijk tussen de bomen door, hopend dat hij tegen eentje aan zou lopen. Toen hoorde ik dat er nog iemand aan het rennen was. En plotseling stond Khaï voor me. ‘Eef, hou op. Dit verdient hij niet. En jij ook niet.’ Slippend kwam ik voor hem tot stilstand. ‘Hoe-‘ Ramakhaï pakte mijn kin vast en inspecteerde mijn lip. ‘Als je boos bent denk jij niet tactisch meer, je hebt in een halve cirkel gelopen.’ Hij keek nog even naar mijn arm waar Val had geprobeerd deze af te knellen. Een paarse striem ontsierde mijn huid. Hij zuchtte. ‘Ik breng je wel naar huis. Ik wil geen risico lopen dat jij Val vandaag nog tegenkomt’ We keken allebei om. In de verte hoorde je Percival grommen. Khaï glimlachte wreed. ‘Ik denk dat Sorcha een beetje moeite heeft met Val in toom te houden.’ We keken elkaar triest aan. ‘Kom ik breng je naar huis.’ Op het moment dat we richting mijn fiets begonnen te lopen, knarsten we allebei met onze tanden. Mijn mobiel ging. Voor onze elfenoren waren die radiogolven alsof er iemand met zijn nagels over een krijtbord kraste. Ik opende het sms’je: Hey, hoelaat moet k bij j komn voor fr? Vanaf 2 uur morgn kan k wsk wel. Tot dan miss! Lucas

vervolg hoofdstuk 1

Toen we bij mijn fiets kwamen wou ik opstappen. Khaï hield me tegen. ‘Ik fiets wel’ Zei hij. Zuchtend en steunend ging ik op de bagagedrager zitten. ‘Khaï?’ hij keek achterom ‘Ja wat is er?’ ik keek hem peinzend aan. ‘zie ik er heel slecht uit?’ Hij glimlachte. ‘je ziet er niet uit alsof je met Val hebt gevochten. Dat hebben nog maar weinig mensen overleefd. Maar erg appetijtelijk zie je er niet uit nee.’ Ik zuchtte. ‘Lekker dan. Bert zit nog thuis en hij zal mam vast flink laten weten wat hij van mijn verschijning vind. En morgen heb ik een afspraak met een vriend van school’ hij keek me aan met een blik vol medelijden. ‘Ik kan je lip wel wat helen met mijn spreuk. Je arm zul je gewoon moeten bedekken. Voor de rest kan je morgen wel wat meer elfelijkheid door laten schemeren. Dan valt je opgezwollen gezicht door je mooie huid ook wat minder op.’ We kwamen weer in de buurt van de bebouwde kom, dus zetten we onze mens vermomming weer op. Ik nam afscheid van het vrije gevoel in mijn haren. Khaï liet zijn huid ontsieren door verschillende rode puisten en zijn haar was wat vetter dan normaal. Verder was hij nog knap als altijd.

Zoals te verwachten reageerde Bert geschokt bij mijn aankomst. Ik liet zijn raasbui compleet langs me heen gaan. Hij was toch mijn vader niet dus waarom zou ik naar hem luisteren. Als hij alles zo goed wist moest hij maar in de kroeg mensen gaan commanderen. Dit was mijn terrein. Mam was Bert blijkbaar ook goed zat. Ze stuurde hem eerder naar huis dan normaal (yessss!). ‘Eef, wat heb je toch allemaal uitgespookt?’ Vroeg ze toen de raasdonder het huis uit was gewerkt. Ze pakte teder mijn kin vast, net als Khaï een uurtje eerder had gedaan. ‘ Val beledigde me, ik kon me niet meer inhouden’ ik glimlachte om haar bezorgde blik. ‘Hij is er erger aan toe dan ik hoor mam. Hij kon niet tegen mij op’ ze grinnikte. ‘Arme Percival’

Mam stopte me in bed zoals ze had gedaan toen ik klein was. Dat deed ze altijd als ze bezorgd om me was. In het donker viel ik vrijwel meteen in slaap. Met een verschrikkelijk geluid dat door mijn droom heen walste werd ik wakker. Mijn mobiel weer. Hey, moet k nou nog komn morgn? Je reageert niet. gr. lucas zuchtend stuurde ik hem een sms’je terug. Ja is goed. Tot morgen!

Toen ik ’s ochtends in de spiegel keek, zag ik dat ik er nog slechter uitzag dan ik me voelde. Mijn hele mond was paars en rood en opgezwollen. Mijn huid was grauw van de beurse plekken. Ik pakte met tegenzin mijn amper gebruikte make-up van de plank in de badkamer. Ik gebruikte het heel weinig, ik vond mijn mens vermomming al verschrikkelijk en om dan nog een masker op te moeten… bah. Vandaag had ik niet echt een keuze. Vlug smeerde ik een dikke laag foundation op mijn gezicht. Bij het ontbijt merkte ik meteen het resultaat van niet eten gisteren. Mijn maag knorde als een gek. Na 4 boterhammen weggewerkt te hebben pakte ik mijn fiets en reed naar school. Onderweg stuurde Sorcha me een boodschap via mijn geest. En, als ik je nou zag, zou ik je nog herkennen? Ik lachtte om haar bezorgdheid. Ik stuurde haar het beeld van mijn gezicht in de spiegel en zond meteen een vraag mee. Hoe heb jij Val eigenlijk in de hand gehouden gisteren? Ik voelde dat ze moest lachen. Ze stuurde me een uiterst gedetailleerd beeld van Val die in een houtgreep werd gehouden door de wortels van een stevige boom. Daaruit maakt ik op dat ze het stiekem wel leuk vond om hem een beetje te pesten. Val was soms gewoon te vurig, we waren het wel gewend om hem wat in de hand te houden, maar zijn uitbarsting van gisteren was nieuw. Al had het meeste wel aan mij gelegen. School ging zoals altijd compleet langs mij heen. In de pauze kreeg ik natuurlijk een heleboel vragen over mijn gezicht want ondanks mijn dikke laag plamuur viel het iedereen op. Ik zweeg bedachtzaam en lachte alle roddels weg. Mijn beste mensenvriendin fietste op de terugweg mee naar huis. ‘maar wat is er nou echt gebeurt met je gezicht?’ vroeg Myra me. Ik lachte. ‘niet alleen mijn gezicht hoor’ ik stroopte mijn mouw op en liet haar mijn mooie blauwpaarse striem zien. Ze floot zachtjes. ‘ik heb met een vriend gevochten.’ Zei ik met blik alsof ik het wel stoer vond. ‘En je kan wel raden wie er gewonnen heeft’ Ze lachtte. ‘ Ik wil niet weten hoe zij eruit heeft gezien’ ik lachte samenzweerderig ‘wie zegt dat het een zij is.’ Ze schaterde het uit. ‘je hebt gevochten met een jóngen? En gewonnen?!’ Ik knikte zelfingenomen. De hele rit hadden we lol om alles wat ik “bereikt” had volgens Myra. Thuis dronk ik thee met mam voordat ze weer wegmoest naar haar werk. Een paar minuten later stond Lucas al voor de deur, met zijn geweldige grijns. De hele middag namen we franse werkwoordvervoeging door. Mijn hoofd gonsde na deze uren intensief studeren. Ik keek dromerig in zijn grijsblauwe ogen toen we even een kleine pauze namen. ‘Wat?!’ vroeg hij nonchalant. ‘Niks’ zei ik en ik glimlachte verleidelijk (echt hoor Sorcha had me nooit dit soort dingen moeten leren. Ik gebruik dat toch weer verkeerd ofzo). Hij lachte. ‘het ziet er zo schattig uit als je dat doet’ Lucas keek mij aan en pakte mijn kin vast. Jemig ik viel de laatste twee dagen echt in herhaling. ‘hij heeft je best hard geslagen hè’ hij kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘ik mag die gast nu al niet’ ik glimlachte en liet dat verleidelijke maar even achterwege. ‘laten we verder gaan’

We dronken de nog wat aan mijn bureau. Hij moest om 5 uur al naar huis. Met tegenzin nam ik afscheid van hem. Het was veel te gezellig en veel te kort geweest.
~
De volgende twee weken vlogen voorbij en voor ik het wist was Mam alweer bezig met dozijnen onderbroeken wassen alsof ik weken weg zou zijn. Ik had mijn sporttas volgepropt en was al op weg naar Sorcha’s boomhut. Val en Khaï stonden te wachten voor de voordeur met een big smile op hun gezicht. Ik rolde met mijn ogen. Ze moesten er weer iets dramatisch van maken hoor. Gelukkig was de vijandigheid tussen Val en mij iets gedoofd de laatste twee weken. Ik had hem ook amper gezien dus op zich was dat niet zo gek. Ik ontweek Val’s blikken een beetje. Gelukkig kwam Sorcha aansjouwen met haar tas. Khaï viel ons nog eens om de nek, en wenste ons een goede reis. Val voldeed met een beleefd knikje en wat onverstaanbare woordjes die waarschijnlijk hetzelfde inhielden als wat Khaï net had gezegd. Sorcha en ik keken elkaar aan. Laten we gaan!

Zovaak bekeken en geen reacties, kan eigenlijk niet! Haha

Maar je gooit wel in een keer lappen tekst neer wat mij niet echt prikkelt om meteen te lezen. Bovendien vind ik het bij zulke Fantasy verhalen altijd wel fijn als er een introductie is van de wereld waarin ze leven. Leven mensen en elfen met elkaar en weten ze van hun bestaan ad of niet? Vind ik zelf fijner om van te voren te weten :slightly_smiling_face:

Overigens heb je ook een paar hele korte zinnen achter elkaar, vind ik persoonlijk niet zo lekker lezen :slightly_smiling_face: maar goed dat ben ik!

Als ik tijd heb zal ik de rest ook nog even lezen ^^

haha bedankt! en ja mijn wereld is zegmaar de wereld waarin wij allemaal leven alleen waarvan sommigen dus Elfen blijken te zijn. en het is niet de bedoeling dat gewone mensen weten dat er ook elfen rondlopen…en voortaan zal ik kleinere stukjes per keer posten :slightly_smiling_face: bedankt.

More!!!

hoofdstuk 2

Assana

Er strekte zich een weids bos voor me uit. Ik ving de geuren op van wilde dieren en zoet ruikende vlierbessen. ‘ Oh mijn god, Eef. We zijn er. We zijn er echt!’ lachte Sorcha. Ik lachte en sterkte mijn verkrampte ledematen. We hadden een hobbelige reis gehad. Maar we waren er en dat was het enige wat telde. Ik keek naar het prachtige bos in de verte. Aan de rand van het bos kon ik personen onderscheiden. Ik trok Sorcha aan haar mouw mee. ‘Kom op Sor, ze wachten op ons!’
met onze bepakkingen onder onze arm liepen we in rap tempo de heuvel af, richting de wachtende Elfen. Een grote, grofgebouwde man stond vooraan in de ruitformatie, hij was de leider, overduidelijk. Achter hem stond een Elfenvrouw met roodbruin krullend haar tot aan haar dijen, ze zag er prachtig uit, ze had een rode zwierige jurk aan zonder veel tierelantijntjes maar mooi in zijn eenvoud. Vooraan stond altijd de leidinggevende familie van de clan. Aan de andere kant van de man stond een klein jongetje van een mensenleeftijd van zo’n 11 jaar. Hij had net zo’n kleur diepbruin haar als zijn vader en net zulke sprekende ogen als zijn moeder. Hij was duidelijk de opvolger. de grote man sprak met een diepe brommende vertrouwde stem. Hij zag er alles behalve angstaanjagend uit ondanks zijn grote postuur. ‘Welkom vrienden! Ik ben Aillil, de grote baas. Jullie zijn welkom in ons gezelschap, mits jullie goedgezind zijn.’ In gedachten lachte ik. Volgens mij had die grote man de grootste moeite met dit hele formele gedoe. Ik bleek gelijk te hebben. Toen Sorcha en ik knikten, zag ik hem stiekem een zuchtje slaken.

Een tiental vrouwen stroomde uit het bos na een teken van de vrouw van Aillil. Ze pakten onze tassen aan en loodsten ons naar het dorp, dat diep in het bos verborgen lag. De ruitformatie volgde ons op die hielen. Ik vond het knap dat ze ondanks de kronkelige paden niet uit hun opstelling gingen. Sorcha knikte. Het was haar ook opgevallen. Na ruim een half uur kwamen we op een open plek. Als je omhoog keek zag je alleen geen blauwe lucht, overal hingen touwbruggen van huis tot huis, kinderen hingen aan lianen te spelen en te gillen van plezier. Aan de uiteinden van de touwbruggen hingen blokken met huizen. Elk blok had ook weer een touwbrug naar een ander blok. Ik zou zeker weten verdwalen. Op de open plek stond een grote trap. Zo kon je naar de huizenblokken klimmen.
De ruitformatie arriveerde ook op de open plek en viel daar uiteen. We kregen onze spullen in onze handen geduwd. Meteen kwam de vrouw van Aillil op ons af. ‘Ik ben Siofra. De vrouw van Aillil. Maar dat was jullie vast wel al opgevallen.’ ze toverde een mager lachje op haar gezicht. Daarna stonden haar ogen droevig. Haar ogen klaarden op toen haar zoontje aan haar zij verscheen. ‘Pixie, ik stel je voor aan onze nieuwe vrienden. Eavan en Sorcha, geef ze maar een hand.’ Het kleine jongetje stak verlegen zijn hand naar ons uit. Hij leek me nog erg ver van een leider. Siofra’s ogen sprankelden als ze met of over Pixie praatte. Ze riep iets naar het meisje dat achter haar had gestaan. Waarschijnlijk iets in de trant van: leid jij ze even rond? Het meisje leek sprekend op Siofra alleen had dit meisje grote bruine kijkers en was haar haar ongeveer de helft korter. Zonder waarschuwing of een enkele vorm van gedag verdwenen Siofra en Pixie uit het zicht. Sorcha en ik keken elkaar verbaasd aan. Gezellig hier zeg.

Mooi verhaal! Verder! :slightly_smiling_face:

dankje! en oke :stuck_out_tongue:

vervolg hoofdstuk 2

Het meisje dat Siofra had aangesproken kwam met een stralende glimlach op ons af. ‘jullie logeren dit weekend bij mij thuis. En let niet op deze chagrijnige mensen die jullie eerder hebben ontmoet, er is wat spanning in de clan de laatste tijd.’ Ze schonk ons een grote gulle glimlach en loodste ons van de centrale trap over het netwerk van touwbruggen. We kwamen uit bij een schattig huisje hoog in de toppen van de bomen. Op de deur stond in zwierige letters ‘welkom thuis Assana’ geschreven. Ze stopte voor de deurpost. Ze had de hele weg gepraat over van alles en nog wat, maar nu viel ze stil. ‘Jeetje wat ongepast van mij, jullie weten mijn naam niet eens’ ze lachte een tinkelende lach. ‘Zoals jullie kunnen lezen is mijn naam Assana.’ We gingen nog wat schuchter haar huisje binnen. Assana’s huisje was knus ingericht. De huiskamer was niet groot maar zo ingericht dat het niet opgepropt was. Het huis stond vol met allerlei versieringen die iets te maken hadden met paarden. De lantaarns aan de muur hadden steigerende paarden als houders, de tafelpoten van de houten tafel in het midden van de kamer hadden heel subtiel hoefsporen in het hout gebrand. ‘Jullie slapen hier’, Assana wees een van de drie deuren in de woonkamer aan, ‘Ik zal jullie even wat tijd alleen geven, om je op te frissen enzo’ Sorcha en ik liepen nog een beetje beduusd van alle indrukken onze kamer binnen. Assana riep ons nog wat na. ‘over een dik uurtje verwachten we jullie op het centrale plein. Ik moet wat eerder heen door die hele formele heisa om bezoekers heen. En aangezien we víér bezoekers hebben…’ Ze zuchtte ‘Hé? Vier? Zijn er behalve wij dan nog meer gasten?’ vroeg Sorcha verward. Ik begreep haar verwarring compleet. ‘Ja vanmiddag zijn er nog twee bezoekers gearriveerd. Jullie zullen ze zien op het welkomstdiner.’ Sorcha schokschouderde, dat zagen we dan wel weer. We mochten een mooie zwierige jurk uit de kast van Assana lenen. Ik koos een dieppaarse en Sorcha een donkergroene.

Toen we ons helemaal opgedoft hadden, besloten we om maar meteen naar het centrale plein te gaan. Waarschijnlijk zouden we toch nog een half uurtje bezig zijn met de weg vinden. Maar bij de voordeur stond ons een verrassing te wachten. Een klein elfenjongetje met wit sprieterig haar en helderblauwe ogen stond ons op te wachten. ‘Assana stuurde me om ju…eh u de weg te wijzen’ hij keek zenuwachtig naar zijn schoenen. Sorcha glimlachte teder. Ze had altijd al een zwak voor kinderen gehad. We volgden het kleine jochie. Het nadeel van deze jonge boodschapper was wel dat hij zo snel was. Sorcha en ik hadden de grootste moeite om hem bij te houden op onze nette schoenen.

We kwamen natuurlijk veel te vroeg bij het plein. Ze hadden blijkbaar nogal een hoge dunk van ons want ze hadden zich verschrikkelijk uitgesloofd. De lucht hing vol met mooie houten kroonluchters en een tafel van minstens een voetbalveld lang stond midden op het plein. De heerlijkste geuren dreven Sorcha en mij naar beneden. De meeste gasten waren al druk in gesprek met elkaar. Ze zagen er allemaal prachtig uit en ook nog eens degelijk. Ik voelde me nogal opgelaten. Ik herinnerde een uitspraak van Bee toen we vorig jaar de nieuwe lading bruggers spotten. “Ik voel me net een hoer tussen al die kleine onschuldige kindergezichtjes” zo voelde ik me nu ook. Alleen waren dit geen onschuldige kleine bruggertjes maar volwassen elfen die er ontzettend geweldig uitzagen zonder al teveel huid te laten zien. Ik zag dat Sorcha hetzelfde dacht want ze keek beteuterd naar haar groene jurk met een split tot aan haar dijen. ‘Ik kan me zeker niet meer omkleden hé?’ vroeg ze onzeker. Ik lachte om haar grote bange ogen. ‘Sor, het komt allemaal wel goed. Ik zie er net zo uit als jij. We gaan dit samen overleven. ’ ik pakte haar hand. Samen liepen we richting Assana en de leidinggevende familie. Assana had ons meteen opgemerkt en kwam naar ons toe. ‘gelukkig hebben jullie het gevonden. Body-’ ze knielde bij het verlegen blonde jochie neer en pakte zijn kleine knuistjes vast. ‘je hebt Sorcha en Eavan goed naar mij toe gebracht. Dat is heel knap van je. Blijf je bij de andere kindjes spelen terwijl de grote mensen eten?’ Body knikte verlegen. Assana liet zijn handjes los en Body huppelde snel naar een uithoek van het plein waar een tiental kinderen aan het spelen was met hoepels en knikkers. . Jemig Eef, ze zijn hier wel een kléín beetje ouderwets. Mijn buurjongetje zou eerder op zijn gameboy zitten te spelen, dan dat hij gaat knikkeren. Stuurde Sorcha me met een vlaag van verbaasdheid. Ik knikte.

hierna komt mijn persoonlijke lievelingsstuk :stuck_out_tongue:

‘Zo,’ zei Assana ‘nu alle gasten er zijn, kunnen we wel plaatsnemen aan tafel. Het is hier de gewoonte dat de gasten naast hun verzorgers zitten. Jullie zitten dus daar, naast mij.’ Ze gebaarde naar twee stoelen redelijk aan het uiteinde van de tafel. We zaten maar vier stoelen verwijderd van Aillil, die aan het hoofdeinde zou gaan zitten. We namen plaats. Een ober schoof onze stoelen achter ons aan. De andere gasten volgden ons voorbeeld. Ik zat tussen Assana en Sorcha in. ‘Assana, wie zijn de andere twee gasten?’ vroeg ik haar. Assana keek zoekend in het rond. ‘hm. Vreemd’ mompelde ze ‘meestal is iedereen op tijd maar deze twee gasten laten nogal op zich wachten blijkbaar’ Aillil en zijn familie nam plaats. Het viel me op dat, ondanks dat Assana dichtbij de familie zat, ze niks van haar moesten hebben. Andersom blijkbaar ook niet. Assana leek doelgericht alleen gesprekken aan te knopen met mensen rechts van haar en tegenover haar. En de familie negeerde haar ook nogal stoïcijns. Ik dacht dat alleen naaste familie en vrienden bij de leidinggevende familie zaten? Stuurde ik Sorcha. Assana en de familie lijken helemaal niks met elkaar gemeen te hebben. Ik vind het vreemd. De plekken tegenover mij en Sorcha waren nog leeg. Waarschijnlijk kwamen daar de ontbrekende gasten te zitten.

Er speelde een geweldige band met lekker opzwepende muziek waardoor iedereen met zijn voeten zat mee te tikken. Het eten was overheerlijk en de wijn was geweldig. Toen de tweede gang al een tijdje bezig was, verschenen er twee mannelijke figuren op het plein. Ze hadden zwarte mantels aan waardoor je hun gezichten niet kon zien. Assana had ze ook gezien. Ze sprong vrolijk op. ‘Daar zijn de andere bezoekers eindelijk! Ze keek ons blij aan. ‘Ik dacht dat ze het vergeten waren.’ De twee hadden grote bogen en speren mee. Het was duidelijk dat ze voorbereid waren voor de jacht. Assana verwelkomde de nieuwe gasten wiens gezichten we nu nog steeds niet hadden gezien. Het schemerde inmiddels ook al, wat het nog frustrerender maakte. De twee nieuwe gasten namen plaats tegenover ons. Nog steeds onherkenbaar. De gesprekken aan tafel vielen voor een groot deel stil. Na een tijdje hoorde je alleen nog maar de muziek op de achtergrond pulseren. ‘Zeg mijnheren. Doe eens beleefd en onthul uzelf’ Zei Aillil met een bulderende stem. Hij was duidelijk uit zijn hum door het late verschijnen van de gasten, en dat ze zich dan ook niet bekent wouden maken was natuurlijk helemaal te zot voor woorden. De twee mannen leken elkaar aan te kijken. Ze knikten allebei. Je kon merken dat iedereen aan tafel zijn adem inhield. De kappen gleden af. Uit het donker verschenen de lachende gezichten van Ramakhaï en Percival. Sorcha en ik gromden iets ongepasts. Verder was het aan tafel nog doodstil. Waarschijnlijk had iedereen zoiets van: waarom al die heisa om twee gewone elfenjongens? Percival grijnsde schaapachtig naar me. Ik beantwoordde zijn blik met een vlaag van afkeuring in zijn geest. Wij konden ook niks doen zonder door hen lastiggevallen te worden. Val en Khaï waren het hele diner ontzettend luidruchtig. Ze dronken veel te veel wijn, en werden met het uur lawaaiiger. Val werd steeds loslippiger en hij leek al zijn remmingen kwijt te zijn geraakt. Op een gegeven moment begon hij met mij te voetjevrijen onder de tafel. Ik zag het een tijdje aan. Als ik nu boos zou worden zou alles escaleren, was ik bang. Hij keek me gewillig aan. Ik wendde mijn blik af. Blijkbaar zag hij dat als en ja want zijn voeten schoven steeds een eindje naar boven. Toen hij boven mijn knie belandde, had ik er genoeg van. Ik schoof boos mijn stoel achteruit zodat hij er niet meer bij kon tenzij hij van zijn stoel wou donderen. ‘P-pardon, excuseer mij even.’ De gesprekken die net even stil waren gevallen door mijn vertrek, herpakten zich weer toen ik wegliep. Ik liep eigenlijk niet echt ergens heen. De duisternis van het woud sprak me op dit moment wel aan.

Ik begon te rennen om maar even af te zijn van de irritante gedachten die mijn hoofd tot een wazige brij vormden. Meteen hoorde ik de vieze gedachten van Val door mijn hoofd dreunen. Ik zal ze maar niet herhalen. In ieder geval liet hij flink merken dat hij naar me hunkerde en dat hij eraan kwam. Sorcha! Val volgt me. Hij wil naja, je weet wel. WAT MOET IK DOEN?!!! Maar ik had pech vandaag. De wijn had Sorcha onoplettend en verdoofd gemaakt. Ik stond er nu toch echt alleen voor. Ik rende maar met mijn zere voeten ging dat niet van harte. Nog even en Percival had me gevonden. Gelukkig zorgden de bomen die dicht op elkaar stonden ervoor dat hij wat vertraging opliep. Toch liep hij op me in, sneller dan ik liefhad. Ik kon hem nu in de verte horen schreeuwen. ‘Wacht nou! Ik weet dat je hard-to-get speelt. Nu heb ik je door! Kom op geef je over!’ Ik rende alsof mijn leven ervan afhing. Wat ontzettend jammer dat wij Elfen nog wel gewoon konden lopen ook al waren we dan dronken. Val’s stappen dreunden nu door mijn hoofd, zo dichtbij was hij al. ‘Kom hier. Kom hier! KOM HIER!’ hijgde hij. Alsof ik een of ander domme straathond was. Val versnelde met hernieuwde energie zijn pas. Ruw greep hij me bij mijn schouder. Hij smeet me hardhandig tegen de dichtstbijzijnde boom aan. Hij steunde met zijn volle gewicht met zijn handpalmen tegen mijn polsen aan zodat ik geen kant op kon. Paniek borrelde op vanuit mijn buik. Hij kon nu werkelijk alles met me doen. ‘Eindelijk heb ik je. En voorlopig laat ik je ook niet meer los.’ Val praatte veel te hard en met een dubbele tong. Ik draaide mijn hoofd weg van hem, de walm van alcohol ontwijkend. Hij zag dit blijkbaar als hint ofzoiets, want hij begon me te zoenen in mijn nek. ‘Val stop ermee! Hou op!Ik wil dit niet. LAMELOS!!!’ ik gilde en draaide met mijn hoofd maar hij ging gewoon door. Ik probeerde hem te schoppen maar om de een of andere reden waren mijn benen slap. Ik voelde me licht worden in mijn hoofd. Alles klonk gedempt en als in een droom. Ik deed mijn ogen dicht. Alles bleef wazig. Zelfs nu ik niks meer kon zien. Val’s gezoen ging gestaag door. Liet hem ophouden. Ik kon niet meer. Ik was zo moe. Ging ik dood? Met een schok stopte Val met mij onderkwijlen. Ik opende mijn ogen om te zien wat hier de reden voor was. Ik kon de vage omtrekken van een persoon onderscheiden. Hij zei blijkbaar iets want ik hoorde Percival iets terugschreeuwen. De druk op mijn polsen nam af en mijn hoofd werd opeens helderder. Toch konden mijn benen me nog niet dragen dus zakte ik als een pudding in elkaar. Ik knipperde met mijn ogen om alles weer scherp te krijgen. ’t Ging niet van harte. ik dacht dat ik doffe klappen hoorde, alsof de twee aan het vechten waren, maar het konden net zo goed rennende voetstappen zijn. Ik greep naar mijn hoofd, die wazige brij moest weg! Ik hoorde Val zwaar ademen. Hij was er dus nog steeds. Mijn gehoor werd iets scherper, al zat er nog wel een vreselijk irritante ruis in. Toen zag ik Percival niet meer. Ik voelde wel een sterke hand op mijn schouder. ‘Gaat het wel?’ Vroeg een bezorgde mannenstem. Ik knikte ja maar eigenlijk bedoelde ik nee. Hij hielp me overeind. Hij bleef me nog een tijdje ondersteunen totdat mijn benen weer meewerkten. Mijn hoofd werd steeds helderder en ik kon steeds meer zien. Ik knipperde nog eens flink en opeens was alles weer scherp. Een jongen van iets jonger dan mijn elfenleeftijd stond voor me en keek me bezorgd aan. ‘Weet je het zeker?’
~

meer?

JA ?

hoofdstuk 3

Cuan

Deze jongen had de meest wilde maar lieve bruine ogen die ik ooit had gezien. Zijn warrige haar zag eruit alsof hij direct uit bed gesprongen was om mij te redden, de superheld. Hij was flink gespierd, dat was ook wel nodig geweest om mij op te tillen (vervloek de snackbar aan de overkant van de straat bij school). ‘Gaat het echt wel, je kijkt nog zo afwezig.’ Ooh hij was ook nog een echte gentleman. Héél anders dan Percival. ‘Hallo ben je daar?’ ik besefte net iets te laat hoe dom ik eruit moest hebben gezien. Ik knikte en glimlachte. Ik veegde met mijn toch al vieze mouw langs mijn kin om te voelen of ik niet toevallig ook nog gekwijld zou hebben. Hij bekeek mijn nek aandachtig, ik genoot van zijn warme hand die over mijn hals gleed. Hij was zo knap, ik vond hem nu al, ook al kende ik hem amper, ontzettend aardig en hij was ook nog zo galant. Ik keek naar zijn kaak. ik zag een lichte waas van dons op zijn kin. Shit hij is te jong voor mij…
meteen was ik wat minder afwezig. ‘Ik sta alleen nog een beetje te trillen hoor, ik denk dat dat het enige is wat ik eraan over heb gehouden.’ Ik toverde een verkrampte glimlach op mijn gezicht. Waarom waren alle knappe jongens nou óf bezet óf te jong óf te oud óf gewoon enorme klootzakken. Hij liet mijn arm los die hij nog altijd vastgehouden had. Hij gebaarde dat ik hem moest volgen. Ik probeerde zo gracieus mogelijk mee te lopen (alsof dat mogelijk was als je jurk onder de modder zat en je zojuist bijna verkracht bent door een goede vriend en je polsen bijna fijngeknepen waren door zijn vingers die in al zijn enthousiasme nèt iets te gretig waren). Ik geef toe, het ging ook niet al te best. Bij de eerste de beste boomwortel die iets verder uitstak dan normaal lag ik al met mijn neus in de modder. Heel charmant Eavan, heel charmant. Hij schaterde het uit. ‘Jij komt zeker uit de mensenwereld hè. De stad. Waar je eerder aangereden wordt door een auto, dan dat er een boomwortel op straat ligt die er al eeuwen zo bijligt en die je, ondanks dat, niet ziet en er dus toch over struikelt.’ Hij stak zijn hand uit, kreunend pakte ik hem aan. ‘Boomwortels zijn anders best gevaarlijk hoor.’ Sputterde ik tegen. Mijn opmerking deed de jongen bulderen van het lachen. Hij trok me overeind. ‘Fahey’ Ik keek hem onnozel aan. ‘Pardon?’ hij schaterde het uit. ‘Dat is me een aparte naam zeg! Nou aangenaam, Pardon!’ Bij deze gozer voelde ik me echt met de minuut dommer worden. Ik stak mijn bemodderde hand uit naar hem. Uit gewoonte schudde hij deze waardoor hij nu ook een lekkere bruine hand had. Hij trok een uitdagende scheve glimlach. ‘Mijn naam is Eavan’

Fahey nam me mee langs van allerlei smalle bospaadjes. Tot er een kleine open plek in zicht verscheen waar hij stilhield. ‘Waar gaan we eigenlijk heen?’ Vroeg ik.
‘Nergens, we zijn er al.’
‘Oh, oké’
hij loodste me mee naar een soort bankje voor een immense boom met een hoop lianen die je op geen andere boom zag.
‘Ik ben van plan om je pas als het pikkedonker is terug te brengen’
‘Oh, oké’
‘Dan zijn de anderen al klaar met feestvieren en merken ze wat minder van je vieze jurk enzo’
‘Oh, oké’
‘Weet je zeker dat die gast je hersens niet via je nek heeft uitgezogen?’ Vroeg Fahey terwijl hij opnieuw met zijn vingers langs mijn hals streelde. Die jongen maakte het me er niet makkelijker op zeg. Ik glimlachte. ‘Ik ben nog een beetje suffig, sorry hoor.’ Antwoordde ik pesterig.
‘Mooi’
‘Pardon?!’ Ik veranderde naar een vechthouding, ik had geen zin om een tweede keer bijna aangerand te worden. Ik stond op met mijn vuisten gebald. Klaar om te vechten als dat nodig was. Hij stond verschrikt op. ‘Rustig maar,’ Hij pakte mijn arm voorzichtig vast. Maar op zo’n moment ben ik zeer explosief, dus negeerde ik zijn sussende woorden en verkocht hem als in een reflex een stomp op zijn neus. ‘AUW! Jemig ik zal nog eens iemand redden uit het bos.’ Verbaasd van mezelf bleef ik stokstijf staan. ’S-s-sorry, ik dacht-’
‘Tsja het denken ging je vandaag al niet zo goed af heb ik gemerkt’ Hij wreef over zijn pijnlijke neus. ‘Kom maar weer zitten.’ Hij zakte neer op het bankje en nog wat schuchter volgde ik zijn voorbeeld.
‘Met mooi bedoelde ik dat ik je dan wakker kan houden met verhalen uit de streek. Want ik denk niet dat jij heel veel van de geschiedenis van Ierland hebt geleerd op die school van jullie.’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee niks’ hij zuchtte en wreef nog eens over zijn neus. ‘Oké, laten we dan beginnen met de vraag: Wat weet je allemaal over de clan waar je verblijft?’ peinzend keek ik voor me uit. Na een tijdje had ik mijn conclusie getrokken: ‘Bijna niks’

More!!!

jij leest snel zeg :stuck_out_tongue:

Fahey vertelde me over alle verhoudingen in de clan. Waar je woonde als je rijk of van adel was, en waar de buitenwijken waren. Hij vertelde me dat deze clan hier al eeuwen woonde en hoe ze hier gekomen waren. Ten slotte begon hij me te vertellen over Aillil zijn familie.
‘Aillil is een sterk man, uit de perfecte familie voor het leiderschap. Als kind al was hij de beste leerling van de krijgsschool maar ook met zijn intelligentie was niks mis. Hij en Siofra leek de beste combinatie voor een zo sterk mogelijke opvolger-’
‘maar Pixie lijkt me echt geen sterke opvolger ik bedoel-’
‘Eavan, laat me dan tenminste mijn verhaal afmaken voor je commentaar hebt’
‘Sorry’
‘Goed, het léék de perfecte combinatie. Maar er kwam wat tussen. Siofra was bezig met verschillende zaken regelen in de buitenwijken van de stad. Er was wat ophef over twee koeien die schijnbaar naar een ander weiland waren gehuppeld. Natuurlijk ontkende de ontvanger dat glashard. Het hele zaakje liep uit de hand, de twee boeren raakten slaags en Siofra zat er middenin. Gelukkig kwam haar grote redder om de hoek kijken. Een vrij man, een reiziger met wild haar. Hij bemiddelde tussen de twee mannen. Binnen enkele momenten was de kwestie opgelost. Siofra stond natuurlijk nog helemaal na te trillen van het hele gebeuren. De grote man bood haar aan om haar naar huis te brengen. Die nacht is Siofra niet thuisgekomen. Liefde overviel haar.’ Ik floot tussen mijn tanden. ‘Heftig’ Fahey knikte instemmend. ‘En zoals je weet, naja waarschijnlijk ook niet, krijgt alleen het eerste kind van een leidersvrouw de gave van een leider mee.’ Ik knikte en deed alsof ik dat al lang wist al had ik geen idee totdat hij het mij vertelde.
‘Natuurlijk was Aillil woest. Hij was nooit slecht voor Siofra geweest, hij was slechts gemaakt om een leider te maken. Hij verbood Siofra om nog contact te hebben met deze man. Hij zonderde haar negen maanden af van de rest van de clan. Niemand mocht weten dat Aillil gefaald had. Na de bevalling heeft Aillil Siofra een hele tijd genegeerd, beiden werden ijskoud en kil. Na vele jaren begonnen ze weer redelijk tegen elkaar te doen. Toen is Pixie ontstaan. Aillil had zijn taak volbracht dus hoefde hij als goede echtgenoot niks meer met Siofra te maken hebben behalve wat formele taken. Siofra is doodongelukkig, als ze Pixie niet had zou ze zichzelf waarschijnlijk ombrengen. Ze is verstoten door de enigen die vastigheid in haar leven gaven.’ Ik knikte. ‘En het kind dan?’ Hij zuchtte. ‘Tsja. Niemand weet precies waar het kind is gebleven. Er gaan geruchten dat een kind nooit lang overleefd zonder moedermelk dus dat het dood is. Anderen zeggen weer dat ze bij de vader is gedumpt. Weer anderen vermoeden dat ze het kind achtergelaten hebben in het bos en dat het door het natuurlijke leiderschap heeft overleefd. Niemand weet het exact.’ Er daalde eventjes een stilte over ons heen. ‘Heb je wel ooit gehoord van De Wolvenclan?’ ik schudde mijn hoofd. Doen alsof had toch geen zin. En deze jongeman kon enorm interessant vertellen. ‘De Wolvenclan is een van de kleinste en tegelijkertijd een van de sterkste clans. De reiziger met het wilde haar was hun leider. Alhoewel, leider kan je het moeilijk noemen. Hij was hun vader. De wolvenclan is niet meer dan een familie. Een familie met sterke zonen, met bijzondere gaven. Faol was gelukkig met zijn vrouw Aigneis, zij baarde hem drie zoons. De oudste heette Faelan, en alles verliep zonder problemen bij hem. En ook bij hun tweede zoon, Weylyn, verliep alles goed. Toen begonnen de problemen. Aigneis was een avond naar een vriendin om samen stoffen in te kopen voor nieuwe japonnen. Ze bleef daar slapen zodat ze alle tijd konden benutten. Die avond ontmoette Faol Siofra. En wat er tussen hen verder gebeurd weet je.’
‘Kwam Aigneis erachter?’
‘In zekere zin wel. Faol was erg veranderd na zijn ontmoeting met Siofra. Plotseling deed hij afstandelijk tegen Aigneis, terwijl ze altijd gelukkig samen zijn geweest. Langzaam begon Aigneis af te takelen, en Faol deed alsof hij niks zag. Toen kwam de derde zoon…’ ik wachtte op het vervolg. Maar het kwam niet. Was ik nu heel dom als ik vroeg hoe het verder ging? Ik besloot dat ik toch al geen goed figuur had geslagen bij Fahey dus dat ik het gewoon kon vragen. ‘En toen kwam de derde zoon? En toen?’ Fahey keek op. ‘De derde zoon. De derde zoon is een apart verhaal. Toen Cuan werd geboren stierf Aigneis. Faol was er helemaal kapot van. Hij had haar ontweken omdat hij het haar niet aan wou doen om hem in de ogen te kijken. Ze zou zien dat er een ander was geweest. Dat zou haar al veel eerder hebben laten sterven. Cuan werd vooral opgevoed door zijn broers. Faol was veel weg. Hij zorgde voor zijn dochter die Siofra hem geschonken had. Hij noemde haar Lera, wat leeuw betekend. Om zo te laten zien dat ze geen soortgenoot was maar wel een vechter. Later bracht hij Lera naar haar halfbroers. Zij accepteerden haar compleet.’ Ik protesteerde. ‘Maar net zei je nog dat niemand wist wat er met de baby gebeurd was.’ Hij kuchte. ‘Tuurlijk, tuurlijk. Maar dat is wat ik heb vernomen. En het is natuurlijk logisch.’
‘Arme Cuan,’zuchtte ik, ‘en dan moet je ook nog bij het meisje in huis wonen wie je moeder feitelijk kapot heeft gemaakt.’ Fahey schudde langzaam zijn hoofd ‘Ik denk dat Cuan zich vooral schaamde, omdat zijn geboorte zijn moeder fataal was geworden. En dan ook nog het eeuwige verdriet in de ogen van zijn broers…’ Hij slikte. ‘laten we het gezellig houden’ En hij schonk me een stralende glimlach. ‘Ik hoop voor je dat je wel weet welke goden wij allemaal aanbidden en wat wij zien als het leven na de dood?’ Ik voelde dat ik rood werd. Het was helemaal duidelijk. Thuis haalde ik goede cijfers, hier faalde ik compleet. Hij lachte om mijn beteuterde blik. ‘Ik ben nu toch al bezig. Kijk eens achter je.’schuchter keek ik om me heen of niemand me besloop. Niemand te zien of te horen. Hij schaterde het uit. ‘Jij hebt wel vertrouwen in mij zeg! Ik bedoelde de boom.’
Uhu, een boom. Wat kan een boom mij nou vertellen over goden en al dat gedoe. Fahey draaide zich om op ons bankje. Nu zaten we met onze neus naar de immense boom toe. De jongen legde zijn handen op de bast van de boom en mompelde wat onverstaanbare woorden. Langzaam begon de boom van vorm te veranderen. Lianen schoven aan de kant en begonnen prachtige krullen te vormen,en vanuit de bosjes eromheen vlogen vuurvliegjes op die in de boomtop bleven zitten zodat er een klein beetje licht was. Er maakte zich een lange horizontale uitstulping in de bast vrij. Fahey plaatste zijn vingers onder een richel. Met een luid gekraak kwam onder de richel een heel scala aan bruingekleurde pianotoetsen tevoorschijn. Ik hield mijn adem in.
Het was prachtig.

Ik ben gwn verslaafd aan dit verhaal Xd

hihi moreee

oke… t laatste stukje van dit hoofdstuk en dan moeten jullie wachten tot morgen :stuck_out_tongue:
trouwens hij is nog steeds niet af dus op een gegeven moment zal ik een tijdje weinig posten want ik ben druk met examens en pws etc…

Magisch.
over de toetsen liepen hier en daar wat metalickleurige kevertjes. Fahey streek zachtjes met zijn hand over de toetsen. Hij haalde diep adem, en begon te spelen. De hele ruimte om mij heen bestond uit hem, mij, en dat geweldige geluid. Het was de mooiste piano die ik ooit zou horen. De hele ziel en zaligheid van dit bos lag in dit instrument. Fahey speelde een prachtig gevoelig stuk. Ik begon in een trance te komen op de ritme van de muziek. Ik zag mam voor me, met haar handen in haar haar. Ik, als kleuter, moest op mijn tenen staan om over de vensterbank naar binnen te kunnen kijken bij het politiebureau. Ik was alleen, zij was alleen. Een magere politieagent overhandigde mam een doos met bezittingen die nog in de auto hadden gelegen. Wat ik me het best herinnerde was dat ze niet huilde, ze kon niet ophouden met naar mij te staren. Mijn schoentjes begonnen te knellen door het lange slenteren door de straten, ik had honger, ik was nat, en toch huilde ik niet om mezelf. Fahey sloot het stuk prachtig af. Ik veegde met mijn handen over mijn wangen. ‘ik heb niet eens gemerkt dat het was gaan regenen.’ Hij glimlachte. ‘het regent niet, dat zijn je tranen.’ Ik voelde dat ik bloosde.
‘Dit wonderlijke instrument, staat symbool voor wat wij Elfen geloven. Het einde bestaat niet. Deze piano breekt zichzelf af en bouwt zich tegelijkertijd op.’
‘Wat mooi’ fluisterde ik. Er stak een frisse wind op en ik huiverde. ‘Ik breng je terug, ’t is toch al donker.’ Fahey trok me mee aan mijn arm. We gingen naar huis. Een schoon bed, een warme douche misschien wel. Meteen konden mijn benen me veel beter tillen dan daarvoor.

awhh wat lief :slightly_smiling_face: je hoeft niet alles meteen in een keer te posten hoor ! je post vrij veel ! vinden wij natuurlijk fijn maar als we daarna heel lang moeten wachten is dat vervelend . voor de rest schrijf je fijn en goed. is heel fijn om te lezen ! GA ZO DOOR :grin: