duitse naamvallen / kan iemand helpen ?

Heee,
Ik heb vrijdag een toets over duitse naamvallen (de 1ste, 3e & 4de)
Ik weet alleen wel dat 1 = onderwerp 3 = meewerkend voorwerp & 4= lijdend voorwerp & ik weet ook hoe je ze kan vinden.
Alleen als je een zin hebt bijvoorbeeld : Gibst du mir bitte die Fernbedienung ?
Maar hoe kom ik er dan achter welke naamval het is ?
Ik ken de regels wel maar zou iemand alsjeblieft willen helpen hoe je dat dan kan zien ?
Het antwoord is 3e maar dat wist ik toevallig door het nakijken.
Xx

Gaat het dan over mir of die Fernbedienung?

Dat weet ik dus niet wat wij krijgen dan zo’n zin en dan moeten we weten welke naamval het is maar nu zie je idd door mir dat het 3e is maar we moeten het persoonlijk voornaamwoord veranderen en de vorm

[size=1em]1= onderwerp/ 3= meewerkend voorwerp/ 4= lijdend voorwerp is.

want je moet eerst het onderwerp zoeken

Oohh dus je moet altijd naar dat woord kijken ?
maar hoe zit het dan bij : Dieser mann arbeitet in Amsterdam. ?

Gibst du mir bitte die Fernbedienung? = Geeft u mij alstublieft de afstandsbediening? (kan zijn dat werkwoorden oid niet kloppen hoor maar oke, doet er niet toe nu :"))

Geeft u AAN mij … → je kan er “aan” voorzetten dus 3e naamval.
Wie/wat geeft mij? De afstandsbediening → 4e naamval.

Je moet in ieder geval weten hoe je ow/lv/mv kan herkennen…

Ik snap je vraag niet helemaal?
De vertaling van deze zin is toch gewoon:
Kan je aan mij de afstandsbediening geven alsjeblieft?

^ Watashi was me voor haha
met de vertaling dan

Ohhh zo
Thanks allemaal !! :grinning:
Sorry maar ik ben niet zo slim maar dit heeft me wel geholpen haha.
xx

3e naamval geeft tijd en plaats aan, 4e naamval geeft een verplaatsing aan

Ik heb geleerd dat je altijd eerst moet kijken of er een voorzetsel voor staat met een vaste naamval. ( die zijn vast wel op internet te vinden)

Voorzetsels met de 4e naamval: Durch, für, ohne, gegen, um, bis entlang
Voorzetsels met derde naamval: mit, nach, bei seit, von, zu aus, auBer, entgegen, gegenüber

Voorzetsels met een 4e of derde naamval zijn:
An, auf, hinter neben in, über, unter, vor, zwischen.
Je komt erachter welke het is door naar de betekenis van de zin te kijken:
Wordt er een toestand of tijdsbepaling beschreven → 3e naamval
wordt er een beweging/verplaatsing beschreven → 4e naamval

Staat er geen voorzetsel met vaste naamval is, dan kijk je of er een werkwoord met vaste naamval instaat.

Werkwoorden met dativ( 3e naamval) Danken, helfen, gefallen
werkwoorden met akkusativ ( 4e naamval geloof ik): bitten, fragen, es gibt.

Staat die er ook niet,dan moet je kijken naar de functie in de zin. ( dus of het lijdend voorwerp, onderwerp of meewerkend voorwerp is)

Zo heb ik het tenminste geleerd…

Maar dat is onderwerp, dat is toch best wel makkelijk?

Dankje dankzij jullie ging die best goed ! :slightly_smiling_face: