Duits, naamvallen enzo. Hulp nodig.

Hoihoi,
ik ben sinds vorige week woensdag ziek (jaaaaaa, en wat maakt dat uit?) nou, dus; Ik heb vanalles gemist. En volgende week (als ik dan weer beter ben 8D) heb ik een so Duits.
Ik zit op vwo, 2e klas. En mijn aantekeningen zijn dit:

[b]bepalende woorden:
der-groep: der, die, das, die + dies- en welch-
ein-groep: ein- kein-

der groep:
Nominativ, M= der. V= die. O= das/dieses. MV= die.
Accusativ, M= den. V=die. O= das/dieses. MV= die.

ein groep:
Nominativ, M= kein. V= keine. O= kein. MV= keine.
Accusativ, M=keinen. V=keine. O= kein. MV= keine. (of ein, eine)[/b]

Ik weet eigenlijk niet precies hoe ik dit allemaal moet gaan toepassen.
Ik heb sowieso niet goed in talen, ik sta een 3 op Latijn en een 5 op Frans.
Oke, nu zijn er heel veel dingen omheen verteld.
Maar is er iemand die die snapt en mij dit uit kan leggen?

Groetjes, Mees. (:

Hmm, ik ben er zelf wel goed in maar ik weet niet of ik het goed kan uitleggen…

Wat wil je precies weten?

ik vond het ook harstikke moeilijk.
er komt ook nog een 3e naamval enzo
dus nog moeilijker, maarja ik kan niet helpen hihi up.

hmm, ik wil dan weten wanneer en hoe ik ze moet toepassen.

Eerst naamval.

  1. Onderwerp
  2. Na sein, bleiben, werden (naamwoordelijk deel van gezegde)

Tweede naamval.

  1. van de, van het, van een (de tas van de vrouw = die Tasche der Frau)
  2. Na de voorzetsels anlässlich, wegen (naar aanleiding van, vanwege)

Derde naamval.

  1. Meewerkend voorwerp
  2. Na de vz: aus, bei, nach, mit, seit, von, zu, außer, entgegen, gegenüber
  3. Na de keuze vz: an, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor, zwischen
    • bij een zich bevinden, een ergens zijn (wo?)
    • bij de 7/2 regel (7 vz krijgen derde naamval, auf en über krijgen de vierde naamval)
  4. Na de werkwoorden danken, helfen, gefallen, gratulieren

Vierde naamval.

  1. Lijdend voorwerp
  2. Na de vz: durch, für, gegen, ohne, um, bis, entlang
  3. Na de keuze vz: an, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor, zwischen
    • bij een gerichte beweging, een ergens komen (wohin?)
    • bij de 7/2 regel na auf en über
  4. Na de werkwoorden bitten, fragen, es gibt
  5. Een tijdsbepaling zonder voorzetsel (elke dag = jeden Tag)

Zo.

Oké, ehhm, hoe kan ik dit het beste uitleggen? Over het algemeen zijn het alleen maar kleine regeltjes die je moet weten. Opzich is het niet heel ingewikkeld als je die regeltjes kent.

Ik neem aan dat je weet wat onderwerp/lijdend voorwerp/naamwoordelijk deel van het gezegde is?
Uitgaande van dat je dat weet:
In het Duits heb je, net zoals in het Nederlands, lidwoorden. Maar bij het Duits worden deze lidwoorden veranderd (of in ieder geval de uitgang daarvan), als er sprake is van een bepaade vorm van een zinsdeel.
Je moet, als je gaat kijken welke uitgang je wil gebruiken, ook kijken naar het geslacht; Dat kan je zien aan het lidwoord in de Nominativ: Der is mannelijk, die is vrouwelijk of meervoud en das is onzijdig.

Als het deel van de zin het onderwerp of het naamwoordelijk deel van het gezegde is, dan maak je gebruik van de Nominativ.
Bv. Der Mann läuft über die Brücke.
Die Frau ist eine Lehrerin.
Das Auto fährt zum Krankenhaus.

De Accusativ komt voornamelijk voor bij het lijdend voorwerp.
Bv. Ich sehe den Mann.
Hast du kein Auto?
Wir trinken einen Kaffee.

Dat met de Der-groep en de ein-groep gaat eigenlijk over de manier waarop de woorden in die groep vervoegd worden. Dat is best wel logisch, want de woorden in de Der-groep worden op dezelfde manier vervoegd als het bepaalde lidwoord der, en de woorden in de ein-groep volgen het voorbeeld van ein.

Ik hoop dat het nu een beetje duidelijker is, maar als je het nog niet bergrijpt moet je het gewoon maar zeggen!

Oja, er zijn meerdere functies van de naamvallen, maar het lijkt me sterk dat je die al hebt moeten leren, als je nog niet eens de 3e en de 4e naamval hebt gehad. :slightly_smiling_face:

Oh wacht. Ze heeft alleen nog maar de eerste en vierde gehad lees ik nu. Nou ja, heeft ze een mooi overzichtje.

dankjewel! (: nu kan ik weer zo’n beetje verder haha.

hahah ja, maar dankjewel (:

Welke moet je nou wel en niet kennen? ik heb wel een paar ezelbruggetjes…

^Ze moet de eerste en de vierde naamval kennen.

Oh, het is echt heel makkelijk hoor! Je moet het alleen even doorhebben. Kun je niet aan je leraar vragen of hij het even uitlegt? 15 minuutjes en je snapt het helemaal, echt.

wil je me aantekeningen hebben? zitten wel dingen bij van 3e naamval

ik denk dat je morgen ff naar een vriendin toe moet gaan die het je uitlegt, of dat je iemand belt ofzo…
volgende week heb ik pw duits… snap er geen flikker vanXD

ik zit in het examenjaar en ik heb het als examenvak.
ik kan duits niet meer laten vallen.

ik snap hier ook NIKS van. ik snap niet waarom ik het vak heb gekozen.

ik kan je dus niet helpen, zie dit maar als een up!
{ik blijf dit topic volgen}

is er íemand die mijn aantekeningen nodig heeft? :") anders ga ik het voor niks overtypen dus ik hoor het wel.

oh sorry, nee hoeftniet. ik bespaar je de tijd (:

Haha mij maakt het niet uit hoor :") is zo gedaan, en het maakte het voor mij een stuk duidelijker, nou als je het ooit nog wilt lezen note je maar :")