Duits Adjektiv (bijvoegelijke naamworden)

Hoi! Ik heb morgen repetitie Duits over de adjektiv (bijvoegelijke naamworden) en dus ook met verschillende uitgangen. Alleen snap ik het nog niet helemaal! Kunnen jullie het misschien uitleggen (dus ook wanneer de Adjektiv dan 2e en wanneer 3e is , en de verschillende uigangen tussen de ein/der groep). Dankjewel alvast! :slightly_smiling_face: Ik stel 't echt op prijs!

Nou, ik heb mijn schema erbij gepakt en ga dit nou even over typen (ik heb trouwens nog geen 2e naamval gehad):

Je krijgt de 1e naamval wanneer het het onderwerp is.
Je krijgt de 3e naamval wanneer het het meewerkendvoorwerp is en/of een bepaald voorzetsel en/of een bepaald werkwoord.
Je krijgt de 4e naamval wanneer het het lijdendvoorwerp is en/of een bepaald voorzetsel en/of een bepaald werkwoord.

Voorzetsels + werkwoorden 3e naamval:
Aus, bei, mit, nach, von, zu, ausser, gegenüber.
Danken, helfen, gefallen.

Voorzetsels + werkwoorden 4e naamval:
Durch, für, ohne, bis, gegen, entlang
Bitten, fragen, es gibt.

De bepaalde (der) groep is de lidwoorden der, die, die, das én diese, jene, jede, manche, solche, welche.

De ein groep zijn de onbepaalde lidwoorden ein, kein, mein, dein, sein, ihr, unser, euer, ihr, Ihr.

Stel:
De kleine kinderen.
Je bent erachter gekomen dat het derde naamval is. De is een bepaald lidwoord en kleine een bijvoeglijk naamwoord. Dan kijk je wat voor woord kinderen is. Kinderen is meervoud. Dan neem je daar gewoon de uitgangen van.
Dus:
Den kleinen Kindern

TY! (: Hier heb ik 'n hoop aan!

Graag gedaan. :’]