De vloek van Eori

Feedback? Opbouwende kritiek? Het is welkom!


De vloek van Eori


In Eori, een land ver hier vandaan, heerste er hevige kou. Het zou er voor altijd vriezen, zegt men. Al jarenlang bleef het sneeuwen en niemand die er wat tegen kon doen. Daarom werd er massaal gezocht naar diegene die de vloek van Eori kon opheffen. Deze zoektocht duurde jaren. De bewoners van Eori hadden de moed al bijna opgegeven, maar een meisje genaamd Aelila beweerde allang diegene te hebben gevonden die alles kon laten ontdooien..

Proloog
Ik schoof de gordijnen opzij. Niet ik, maar mijn handen. Mijn handen deden dat en niet ik. En het waren ook mijn ogen die naar buiten keken. Dat was ik dus ook niet. Mijn ogen speurden de omgeving af. Sneeuwvlokjes dwarrelden voorzichtig naar beneden om op de grond te landen. Zo ontstonden er dikke lagen sneeuw op de grond. Ik zag hoe kinderen juichend naar buiten renden om van de sneeuw te kunnen genieten. Ik zag hoe ouders via het raam hoofdschuddend naar hun kinderen keken. De wereld zag er blij en vredig uit. Maar niemand mocht me zien. Zodra een kind naar me opkeek, schoof ik snel de gordijnen terug en draaide ik me om. Ik liet me op de grond zakken en maakte een klein balletje van mezelf. Zo lag ik een tijdje, totdat ik naar de deur kroop. Mijn hand wilde de deur opendoen, maar ik weigerde. Ik ging hier niet uit. Voor niemand deed ik de deur open. Ook al werd er zachtjes op mijn deur geklopt.
‘Sun? Doe open.’ Ik herkende de stem meteen.
Ik sloeg mijn ogen neer. ‘Pap, ga weg.’
‘Je moet heel goed naar me luisteren, Sun-’
‘Ik hoef niet naar jou te luisteren, pap! Jij moet naar míj luisteren! Ik… ik wil niet dat je binnenkomt.’
Stilte.
‘Buiten sneeuwt het. Waarom ga je niet naar buiten, Sun, met je zusje?’
Ik reageerde niet. Met mijn rug leunde ik tegen de deur aan en gleed zo naar beneden. Mijn gezicht liet ik op mijn schoot vallen. Aan de andere kant van de deur hoorde ik gemompel, wat van mijn vader kwam. Aan sloffende voetstappen te horen, liep hij weg. Ik bleef zitten waar ik zat en staarde naar mijn handen. Wat wilden ze van me? Ze voelden zo koud aan. Ze wilde niet naar me luisteren. Ze bewogen niet hoe ik wilde dat ze bewogen. Met mijn ene hand voelde ik aan mijn vinger. Ik wreef voorzichtig langs het vingertopje. Het waren mini-sneeuwvlokjes die aan mijn huid waren vastgenageld.
Ik keek op en weer speurde ik het gebied af, maar dit keer van mijn kamer. In een donkere hoek lagen een paar handschoenen. Donkergroene handschoenen. Zonder erbij na te denken, greep ik ze en wikkelde ze om mijn handen. Voorzichtig sloeg ik mijn armen over elkaar en bekeek mijn kamer. Wat een puinhoop was het, maar ik ging het niet opruimen.
Ik liep naar mijn bed en ging erop liggen. Zo bleef ik een tijdje lang liggen, starend naar het plafond. Nadenkend.
Mijn moeder stierf toen ik zes jaar was. Maar nog steeds wist ik wat ze allemaal tegen me had gezegd. Goed, ik kon me niet zoveel herinneren, maar wel dat ene herinneren. Mijn moeder had het vaak tegen me gezegd: ‘Als het buiten sneeuwt, is het foute boel.’
Ik had het nooit begrepen. Sneeuw was toch leuk? Toen mijn moeder stierf, had ik veel winters moeten overleven door thuis te blijven. Ik had het advies van mijn moeder gevolgd. Zolang het sneeuwde, ging ik het huis niet uit. Mijn vader en zusje wisten dat en ze verklaarden me als gek. Maar dat kon me een worst wezen.
Toen gingen mijn ogen naar het bureautje in mijn kamer. Er zat een ingelijste foto op. Een mooie foto, een foto die ik nooit weggegooid had. Het was een foto van mijn moeder. Soms staarde ik naar de spiegel met de foto van mijn moeder ernaast en keek ik of we op elkaar leken. Nou, dat was dus verkeerd. We leken totaal niet op elkaar.
Op de foto hingen haar donkerblonde lokken sierlijk langs haar gezicht. Volop glimlachte ze naar de lens. Ik keek naar mijn gezicht. Groene ogen, lichtblond haar, sproeten… Met mijn handen ging ik over mijn gezicht. Waarom leek ik niet op haar? Waarom was zij mooi en ik niet? Waarom kon ik die afgrijselijke sproeten niet van mijn gezicht verwijderen?
‘Mama?’ Ik pakte de foto en legde het op mijn schoot. ‘Ik heb je advies gevolgd, mama. Jarenlang. Maar ik weet eigenlijk nog steeds niet waarom. Iets in me zegt dat je gelijk hebt, mama. Dat sneeuw foute boel is. Maar waarom dan, mama?’
Ik staarde naar de foto. Mama bleef wezenloos naar me staren en verroerde zich niet. Ik bleef naar haar staren, alsof ik op antwoord zat te wachten. Ik slaakte een heel diepe zucht en legde de foto weg.
Ik ging weer liggen zoals ik lag. Mijn zusje en ik leken ook niet op elkaar. Ik was de enige in de familie met lichtblond haar, groene ogen en lelijke sproeten. Die had mijn zusje Aelila niet. Ze was maar anderhalf jaar jonger dan ik.
Over Aelila gesproken, de deur ging voorzichtig voor een kiertje open. Het piepte en kraakte, dus ik had het meteen door. Ik keek op en zag Aelila’s hoofd uit het kiertje steken.
‘Sun, ik-’
‘Ooit gehoord van kloppen?’ onderbrak ik haar, snauwend. Aelila was net thuisgekomen van zeven dagen schoolkamp, als afsluiting van het schooljaar. Ik had mijn zusje zeven dagen niet gezien en het eerste wat ik deed was naar haar snauwen. Maar zij klopte niet voor ze binnenkwam, dat was ook fout.
Schuldig sloeg Aelila haar ogen neer. ‘Sorry.’
Ze deinsde achteruit en sloot de deur weer. Ik dacht dat Aelila dit zag als een tweede kans en dat ze ditmaal op de deur ging kloppen, maar dat gebeurde niet. Ik hoorde sombere voetstappen de trap aflopen. Steken van spijt vulde mijn lichaam. Wat was ik een afgrijselijke zus. Mijn blik viel op de foto van mijn moeder. En een afgrijselijke dochter.

Je hebt een fijne schrijfstijl
Ik weet alleen niet goed waar het verhaal uiteindelijk naar toe moet gaan… maar op het moment heeft het erg veel weg van frozen… ik zal daar wel een beetje mee oppassen.
Verder vond ik het fijn lezen

Stiekem is het ook een beetje daarop gebaseerd, maar verder in het verhaal zal ik ervoor zorgen dat het er niet héél veel op lijkt ik wist gewoon niet hoe ik moest beginnen met die proloog D: don’t hit me.
Bedankt iniedergeval! (:

leuk! ik moest idd ook gelijk aan frozen denken, kijk uit!
verdur :upside_down_face:

Bedankt, ik zal er idd op letten haha. c:

Chapter 1
‘Dus schat, hoe was kamp?’
Meneer Reilly en Aelila zaten tegenover elkaar aan tafel, als vader en dochter.
‘Fantastisch, pap,’ mompelde Aelila kortaf en lepelde verder stilletjes haar erwtensoep op. Haar vader deed hetzelfde, hoewel hij de hele tijd naar Aelila opkeek.
‘Wat is er toch, pap? Je staart me zo aan!’ zei Aelila.
Meteen sloeg hij zijn ogen neer en concentreerde zich op de soep. ‘Je bedoelt, wat is er met jou, Aelila?’
‘Niets!’
Haar vader knikte langzaam, dit keer zonder naar haar op te kijken. Hij kende haar jongste dochter maar al te goed om te weten dat er wél iets was. Maar hij vroeg niet verder; hij wist hoe oppervlakkig Aelila af en toe kon zijn.
Er volgde daarna een hele lange poos stilte. De geluiden van de lepels die op en neer gingen galmden door de keuken, verder hoorde je niets. Meneer Reilly was zijn soep halverwege al zat. Hij legde zijn lepel neer en stond op.
‘Waar ga je heen?’ Aelila keek op.
‘Naar Sun,’ zei meneer Reilly kortaf. Zonder op z’n minst het kommetje soep op te ruimen, liep hij de trap op. Bij elke krakende trede werden zijn gedachten erger. Over Sara-Sunny. Zijn dochter. Die normaal naar buitenlucht streefde en geen half uurtje in haar kamer kon blijven. Maar meneer Reilly wist waar dit om ging. Waarom zijn dochter haarzelf opsloot. Het was de schuld van Eloise, zijn wijlen vrouw, die Sara-Sunny had wijsgemaakt dat sneeuw gevaar betekende. En die arme Sun geloofde het nog ook.
Meneer Reilly klopte op de deur. Geen antwoord. Hij deed het nogmaals, dit keer dringender. ‘Open, Sara-Sunny.’
‘Ik heet Sun!’ werd er geroepen.
Ook dat nog. Sinds haar moeders dood wilde ze geen Sara-Sunny meer genoemd worden.
‘Goed, Sun,’ zuchtte meneer Reilly. ‘Ben je bang voor de sneeuw?’
Weeral hoorde meneer Reilly niets aan de andere kant van de deur. Hij maakte aanstalten om de deur te openen, maar dat deed hij niet. Vlak daarna hoorde hij voetstappen op de trap. Dat was Aelila. Ze kwam de trap opgelopen en gunde haar vader geen blik waardig. Ze liep meteen door naar haar kamer. Meneer Reilly zuchtte, maar net iets te hard, want blijkbaar had Sun het gehoord.
‘Sta je daar nog steeds, pap?’
‘Ben je bang voor de sneeuw?’ herhaalde hij, compleet zijn dochters vraag negerend. Een stilte. Een hele lange poos stilte. Maar meneer Reilly bleef zijn oren spitsen en staan waar hij stond.
‘Ja,’ piepte een stemmetje.
‘Mag ik binnenkomen?’
‘Nee.’
‘Waarom?’
Er klonken rare geluiden aan de andere kant van de deur, alsof er iets werd omgegooid. ‘Wat gebeurt er, Sara- eh, ik bedoel, Sun?’
Toen er weer geen antwoord kwam, liet meneer Reilly zijn schouders zakken. Hij wist dat dit zinloos was. Sjokkend liep hij verder, naar de kamerdeur van Aelila, die op een kiertje openstond. Zoals gebruikelijk.
‘Waarom ga je niet naar buiten?’ zei hij, nadat hij zijn hoofd uit het kiertje stak. Hij zag zijn dochter op bed liggen en spelen met wat kraaltjes. Zonder op of om te kijken, haalde Aelila haar schouders op.
‘Nee hé, niet jij ook al?’ verzuchtte meneer Reilly.
Nu keek Aelila wel op en lachte ze flauwtjes. Haar mooie glimlach was zo aanstekelijk dat meneer Reilly meteen ook moest lachen.
Meneer Reilly plofte neer naast Aelila op haar bed. ‘Ze doet dit elke winter,’ zei hij.
‘Wie?’ vroeg Aelila, terwijl ze een armbandje in elkaar maakte met behulp van kralen.
‘Sun,’ antwoordde haar vader.
Weer haalde Aelila haar schouders op. ‘Tsja.’
‘Waarom heb jij je moeder niet geloofd?’ vroeg haar vader opeens. Hij hield zijn hoofd schuin en keek naar zijn dochter, die niet terugkeek.
‘Gewoon. Sneeuw is juist leuk,’ vond Aelila. ‘Ik weet niet hoe mam daar op kwam.’
‘Ik ook niet, schat,’ zei Aelila’s vader. ‘Het was een lastig mens.’
‘Hoezo?’ Aelila deed haar nieuwe armbandje om haar pols en bekeek het vanuit alle kanten. ‘Is het mooi?’
‘Ze zeurde altijd aan mijn hoofd. Over jou, het huis, Sara-Sunny…’ zei haar vader, totaal haar vraag negerend.
‘Was je d’r zat?’
Aelila’s vader glimlachte. ‘In eerste instantie kon je dat wel zeggen ja. Maar weet je…’
Zo babbelde hij verder. Aelila deed alsof ze naar hem luisterde, maar in werkelijkheid deed ze dat niet. Ze deed het deksel op haar doosje kraaltjes en verborg dat in een van haar laatjes. Daarna keek ze uit het raam. De lagen sneeuw waren alleen maar dikker geworden. Vanuit alle hoeken zag je sneeuwmannen verschijnen en kinderen die in winterse kleding waren ingepakt.
‘Is het niet mooi?’ vroeg Aelila, dwars door haar vaders praatpartijen heen. Maar hij vond het blijkbaar niet erg. Hij stond meteen op en stond naast Aelila, de buitenwereld bekijkend.
‘Prachtig, meisje. Je moet echt naar buiten.’
Aelila keek haar vader aan. ‘Maar dan met jou.’
Meneer Reilly glimlachte breed. ‘We gaan naar het winkelcentrum.’

Verdorie, zo saai stukjee D: Sorry.

Chapter 2
Burgemeester Danoor legde zijn glas koffie neer op tafel, maar net wat te hard. Het geluid galmde door heel het gebouw. Bengg! Maar hij leek het niet erg te vinden. Rijleveen, zijn dienaar, trok een misselijk gezocht. ‘Wat is er, meneer de burgemeester?’
‘Wat er is? Wat er is?!’ schreeuwde de burgemeester. Woedend stond hij op. ‘Zie je het dan niet?! De winter is al drie maanden voorbij!’
De dienaar begreep het nog steeds niet.
‘En het sneeuwt nog steeds!’
‘Dat kan toch, meneer de burgemeester? Ik bedoel…’
‘Nee, dat kan niet! Niet in Eori! Dit is al meer dan vijfhonderd jaar niet het geval geweest. Er is iets aan de hand, Rijleveen, en jij ziet het niet! Wat voor afschuwelijke dienaar heb ik ingehuurd? Je bent zo dom als een ezel!’
Rijleveen zuchtte. Nieuw was het voor hem niet om zo beledigd te worden, vooral door de burgemeester.
‘Breng me een nieuw glas koffie, Rijleveen, en snel.’ Burgemeester Danoor drukte zijn lege glas in de handen van zijn dienaar, die nog vriendelijk boog en daarna gehoorzamend zijn kantoortje verliet.
De burgemeester zakte onderuit op zijn stoel en tuurde door het raam naar buiten. De sneeuwvlokjes bleven naar beneden vallen, er kwam maar geen einde aan. Niemand wist waarom. Iedereen kwam klagen bij burgemeester Danoor. Hij was de burgemeester van Ziaka, de hoofdstad van Eori. Al jaren was er niemand die over Eori heerste en dus beschouwde iedereen Danoor als de machtigste man van Eori. Niet dat burgemeester Danoor dat erg vond. Hij streefde naar zijn macht, geld en overwinning - maar er was een groot probleem in heel het land. Het ergste was nog dat iedereen verwachtte dat burgemeester Danoor er wat aan kon doen! Hij zou wel willen…
De deur werd opengezwierd. In de deuropening stond dienaar Rijleveen.
‘Eerst kloppen, Rijleveen, dat je dat nog steeds niet weet…’
‘Wat u wilt, Hoogheid…’ mompelde Rijleveen en sloot de deur weer. Daarna werd er voorzichtig geklopt.
‘Binnen,’ bromde de burgemeester. De dienaar stak zijn hoofd om de deur.
‘Uw koffie, Uwe Hoogheid.’ Hij liep naar binnen en zette het op zijn bureautje. ‘Kan ik nog wat voor u doen?’ vroeg hij buigend.
‘Nee.’ De stem van de burgemeester klonk brullend. ‘Maak dat je wegkomt, Rijleveen, nietsnut!’
Binnen een paar seconden was zijn dienaar alweer verdwenen. Dit kon niet, dit kon écht niet, dacht meneer Danoor. Hoe kan ik er nou voor zorgen dat het sneeuwen stopt?
Hij nam een flinke slok van zijn koffie en toen ging de telefoon. Zuchtend sloeg hij zijn ogen ten hemel. Opnemen deed hij voorlopig niet. Hij zette het apparaat op wat verdere afstand. Na een tijdje ging hij weer. Danoor probeerde het te negeren door op te staan en naar het grote raam toe te lopen. Hij staarde naar het plein in de hoofdstad van Eori - een van de mooiste plekken van het land. Hoewel je er nu niets van kon zien vanwege de sneeuw!
Dat was hetgeen wat Danoor nog bozer maakte dan hij al was. Hij balde zijn vuisten en stootte het tegen de muur. Er kwamen schrammetjes op zijn knokkels, maar dat kon hem niets schelen. Hij keek recht in de spiegel. Danoor zag lijkwit, bijna net zo wit als de sneeuw.
‘Slecht geslapen, mijn lieveling?’ hoorde hij opeens. Wie durft mijn ochtend zo te verstoren? dacht Danoor, maar toen herkende hij de vrouwelijke stem met een Franse accent. Met een ruk draaide hij zich om. Daar stond Ala, de vrouw van de burgemeester, die zich in een ellenlange jurk had gewikkeld.
‘O, mijn darling,’ verzuchtte burgemeester Danoor en vloog in haar armen. ‘Ik ben zo bang!’
‘Waar ben je bang voor? Je bent de machtigste man van Eori en-’
'Dat is ‘m juist! De bewoners verwachten van alles van me, maar de vloek van de sneeuw kan ik niet verbreken…!’
‘Vloek?’ vroeg Ala, maar vlak voor haar man kon antwoorden, rinkelde er iets. Het galmde weeral door heel het gebouw. Danoor herkende het meteen, het was de ringtone van de telefoon, die hij nog steeds niet had opgenomen.
‘Excuseer me, mijn lieve Ala, maar ik moet deze opnemen…’ Danoor liet haar los en liep naar het toestel. Het klonk zo opdringerig dat hij zich gedwongen voelde om die op te nemen. Achter hem verliet Ala de kamer. De burgemeester hield de telefoon bij zijn oor.
‘Met meneer Jochem Dan-’
‘Ik weet dondergoed wie u bent, de burgemeester van Ziaka!’ klonk er aan de andere kant van de lijn.
‘En wie bent u?’ mompelde Danoor.
‘Uwe Hoogheid, bent u mij nu al vergeten?’
Toen herkende de burgemeester pas de stem. Het was van meneer Lerveen, de burgemeester van Leigh - een klein stadje in het zuidelijkste puntje van het land. ‘Ah, Lerveen, wat kan ik voor u doen?’
‘Het is verschrikkelijk wat er gebeurt, meneer Danoor, eh, ik bedoel, Hoogheid. Hier in Leigh gaat het er hard aan toe.’
‘Dus de sneeuw is óveral in het land?’ kreunde de burgemeester van Ziaka.
‘Ik vrees van wel, Hoogheid…’
‘Hou daar toch is mee op, Lerveen! Ik… ik bedoel… dat Hoogheid-gedoe. Iedereen doet het en jullie werken me op de zenuwen. Ik ben de koning van Eori niet…’
‘Maar u bent wel de machtigste man van heel Eori,’ protesteerde Lerveen.
‘Dat betekent niet dat jij het recht hebt om mij de hele tijd Hoogheid te noemen. Noem me gewoon Danoor, oké?’
‘Oké, Uwe Hoog- eh, ik bedoel, Danoor. Heel Eori is in rep en roer, moet u weten, Danoor.’
Danoor knikte langzaam, al wist hij dat Lerveen dat niet kon zien. Hij beet op zijn nagels. ‘Wat kunnen we er tegen doen?’
‘We kunnen best allemaal bijeenkomen om erover te vergaderen? Eh, alle burgemeesters, bedoel ik. In de hoofdstad.’
‘Afgesproken, in het gemeentehuis, Lerveen. Volgende week vrijdag, Lerveen.’
‘Dan zal ik tijd voor u vrijmaken. Ik breng de anderen wel op de hoogte.’
‘Goed.’ Na een korte afscheid, legde meneer de burgemeester het toestel weer op de haak. Vrijwel direct daarna staarde hij weer uit het raam. Vanaf daar kon hij het koninklijk paleis zien; het onbewoonde paleis. De laatste keer dat Eori een koninkrijk was en dat het paleis letterlijk was bewoond, was meer dan tientallen jaren geleden. Danoor zuchtte diep. De lagen sneeuw werden steeds hoger.
Waarom kon hij er niets tegen doen?

Chapter 3
Alle ouders stonden op de besneeuwde stoep, druk door elkaar wringend en zwaaiend naar de bus die aan kwam rijden. De bus parkeerde vlakbij de stoep. Iedere ouder popelde om hun kind te zien, maar mevrouw Andreas stond helemaal achteraan. Ze stond er een beetje verlaten bij en tuurde naar de kinderen die uit de bus stapten. De ouders namen de bagage meteen van hun kinderen aan. Mevrouw Andreas’ ogen zochten Viktor, haar zoon, maar daar was nog geen spoor van te bekennen.
‘Hé, Jeanne?’ Mevrouw Andreas stootte de arm van mevrouw Houten aan, die hier ook een kind had. Mevrouw Andreas was bevriend met haar en noemde haar bij haar voornaam, Jeanne.
‘Ja?’ Ze keek meteen om.
‘Waar is jouw dochtertje?’
‘Emily? Daar, ze komt net aanlopen.’ Jeanne wees naar een meisje met lichtblond haar dat haar moeder vriendelijk begroette. Jeanne droeg de bagage voor haar. Mevrouw Andreas glimlachte naar het meisje, maar ze leek het niet te zien. Na een kort afscheid liepen ze weg.
Zuchtend keek ze weer naar de deur van de bus. Er stapten wat vrienden uit van Viktor, Nino en Leo. Mevrouw Andreas herkende ze. Vlak achter ze stond een jongen met gitzwart haar en een outfit bijna helemaal in het zwart. Hij herkende zijn moeder meteen en zwaaide.
‘Viktor!’ riep mevrouw Andreas en rende naar zijn zoon.
Viktor keek snel om zich heen om te kijken of zijn vrienden hem niet op een afstand uit zaten te lachen. ‘De bagage,’ zei hij kortaf en gaf zijn moeder zijn weekendtas. Zonder te twijfelen nam ze die aan. Stilletjes slenterde Viktor achter zijn moeder de auto in, waarin zijn moeder naar huis reed.
‘Waarom rijd je zo langzaam?’ gaapte Viktor. Hij had de plek naast zijn moeder veroverd. De achterbank was al vol met zijn bagage. Daar paste hij dus echt niet naast.
‘Het is glad op de weg,’ legde mevrouw Andreas uit en wees vaag naar de weg. Dat was nog waar ook. Drie en een halve maand na de winter en het sneeuwde nog steeds zoals op de eerste kerstdag.
‘Ik zie geen lenteweer,’ mompelde Viktor. Zijn moeder reageerde niet. Viktor was eigenlijk teleurgesteld dat het bleef sneeuwen. Hij had verwacht dat dit jaar de heetste zomer zou aanbreken, maar dat ging niet door als het bleef vriezen. Het was een tijdje terug dat zoiets in Eori was gebeurd. Viktor vond het vreemd, maar vroeg niet door aan zijn moeder. Hij wist dat zij de vragen ook niet kon antwoorden.
‘Hoe was kamp, Vik?’ vroeg mevrouw Andreas na een korte tijd stilte.
Viktor knikte goedkeurend. ‘Ging wel. De speurtocht in het bos ging vannacht niet door, het was véél te koud.’
Verbaasd keek mevrouw Andreas even opzij, naar haar zoon, maar concentreerde zich vlak daarna weer op de weg. Ze was immers aan het rijden. ‘En ik heb je zoveel warme kleding meegebracht! Dikke truien van wol, dikke sokken, sjaals, mutsen, jassen-’
‘Zo gaat-ie wel weer, mam,’ onderbrak Viktor zijn moeder. ‘De leiding vond het gewoon veel te koud om een speurtocht te houden.’ Victor hoorde zijn moeder mompelend vloeken. Viktor was, om eerlijk te zijn, er ook niet echt blij mee, maar meneer Krul zei dat hij het beste voor hen wilde en dat zo’n speurtocht gewoon niet door kón gaan. Viktor trok zijn zwarte sjaal wat strakker en zuchtte.
Eindelijk waren ze gearriveerd bij hun huis in de Linzenstraat. Stilletjes stapte de tweetal uit. Mevrouw Andreas droeg de weekendtas naar binnen. Tijdens het lopen, hoorde Viktor de sneeuw onder zijn voetzolen zachtjes knisperen.
Sinds zijn geboorte woonde hij al in Eori, in Leigh. Een klein stadje met heel veel heuvels. Viktor zuchtte en keek om zich heen. Die heuvels leken nu op sneeuwbergen. Opeens viel hem iets op. Er liep een meisje met donkerblond haren over een klein heuveltje. Terwijl zijn moeder allang binnen was, bleef hij in de tuin staan kijken. Het meisje had groene ogen en ze zag er hopeloos uit. Ze richtte haar gezicht naar boven en zei wat, maar dat kon Viktor niet horen. Toen liet ze zich op haar knieën vallen. Het meisje leek te huilen.
Pas na heel wat getuur en nadat hij bijna zijn ogen had fijngeknepen, ontdekte hij dat het meisje in zijn klas zat. Viktor rende snel het tuintje uit. ‘Wat ga je doen, Vik, wil je niet veel liever even komen eten?’ hoorde hij zijn moeder naroepen, maar hij negeerde het. Hijgend rende hij het besneeuwde heuveltje op. Het meisje leek het niet te merken.
Viktor zette voorzichtig zijn hand op haar schouder. Van schrik sprong ze een eindje opzij. Meteen stond ze overeind.
‘Sorry, ik wil je niet laten schri-’
‘Viktor!’ riep het meisje uit. Met haar mouw veegde ze haar tranen ruw weg. ‘Viktor! Ga weg!’
‘Waarom?’ vroeg Viktor. ‘Ik- ik… Wat is er met je aan de hand? Je ziet zo bleek.’
‘Niets.’
‘Op kamp was je zo vrolijk. Je… waarom huil je?’ hield Viktor vol.
‘Dat gaat je helemaal niets aan, Viktor! Verdwijn!’
Viktor bleef staan waar hij al stond, maar het meisje draaide zich om en rende de heuvel af. Viktor bleef naar haar kijken, totdat ze uit het zicht verdween. Viktor had gezien dat er weer tranen uit haar ogen vlogen.
Het meisje was Aelila.

Chapter 4
Ik trok mijn handschoenen wat verder over mijn polsen en keek mijn zusje en vader wantrouwig aan. ‘Je gaat me toch niet zeggen…’ perste ik eruit.
‘Dat er een winter in Eori heerst voor eeuwig? Jawel, dat ga ik wel zeggen,’ zei meneer Reilly. Hij zette borden fruitsalade op tafel.
Ik wist dat hij dat zei puur zodat ik gewend zou raken aan de sneeuw en de angst ervoor zou vergeten. Maar ik trapte er niet in. Mijn moeder vertrouwde me. Als ik ging genieten van de sneeuw, liet ik mijn moeder in de steek. Bedroog ik mijn moeder. Ik hield mijn handschoenen klemvast, terwijl ik ze aanhad.
‘Doe ze uit,’ zei mijn vader. Hij knikte naar mijn handschoenen.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee!’
‘Waarom niet, Sun? Je bent binnen,’ zei Aelila opeens. Ik wierp haar een dodelijk gezicht toe. Het hielp, ze concentreerde zich vlug weer op haar eten.
Ik was uit mijn kamer gekomen; maar niet vrijwillig. Mijn vader had me gesmeekt en ik wilde hem niet verdrietig maken, dus beloofde ik dat ik mee kwam eten. Maar toen ik beneden was aangekomen, had ik plots geen trek meer. Toch ging ik aan tafel zitten en staarde naar mijn bordje. Met moeite kon ik een paar happen door mijn keel krijgen. Het was alsof een enorme brok in mijn keel alles blokkeert, waardoor ik bijna niets meer kon eten. Ik zag mijn vader en Aelila geïrriteerd naar mijn handschoenen kijken, maar ik weigerde ze uit te doen. Mijn handen zagen er niet uit. Bevroren. Tenminste, bijna. Merkbare sneeuwvlokjes in mijn huid. Dat kon toch nooit wat goeds betekenen? Sneeuw betekende gevaar en nu waren er sneeuwvlokjes in mijn handhuid? Ik schudde die gedachten van me af. Ik doe mooi niet die handschoenen af.
Mijn bord was half leeg. Ik legde mijn vork neer. Meneer Reilly keek me afkeurend aan.
‘Niets ervan, jongedame. Ten eerste ben je nog lang niet klaar met eten en ten tweede moet je je handschoenen uitdoen.’
‘En ten derde moet je stoppen met onzin uitkramen, want er is helemaal geen eeuwige winter!’ riep ik. Mijn harde, schelle stem galmde door de grote keuken. Ik schrok ervan, ook mijn vader. Aelila niet, maar die had alleen maar oog voor haar eten. Toch zei ergens in me dat ze goed aan het luisteren was naar wat er aan tafel werd gezegd. Mijn vader trok een wenkbrauw op.
‘O ja? Waarom stopt het dan niet met sneeuwen?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Wist ik veel. Maar dat hoeft niet te betekenen dat het voor eeuwig is!’ Ik stond op. ‘Nog eet smakelijk!’
Daarna draaide ik me met een ruk om. Terug mijn kamer in, waar ik meteen naar de foto van mijn moeder rende. Ik greep de foto van het bureau en liep ermee naar mijn bed. Ik ging liggen op mijn rug en staarde mijn moeders gezicht aan.
‘Sorry,’ mompelde ik. ‘In de keuken had ik bijna aanstalten gedaan om mijn handschoenen eruit te trekken, toen papa zo begon te schreeuwen. Maar natuurlijk doe ik dat niet. Deze handschoenen moeten mijn handen beschermen. Het gevaar zit niet alleen buiten, mam, maar ook in mijn handen…’
Ik slikte even. Het was alsof mijn moeder naar me knipoogde. Heel even had ik die gedachten, want daarna schudde ik het gauw van me af. Het was maar een foto, die kon niet knipogen. Hoewel… mijn moeder had in magie geloofd. Maar dat was toch geen magie?
Ik sjokte naar het raam. Zou het écht voor eeuwig in Eori vriezen? Ik wist dat mijn vader maar wat zei, maar kon het waar zijn? Zou er voor altijd gevaar dreigen in Eori? In de stad, Leigh? Ik wreef over mijn ene handschoen en beet op mijn lip. Ik zou dan voor eeuwig binnen blijven, nooit naar buiten kunnen… Mijn moeder geloofde in magie. Voor eeuwig vrieskou, was dat soms magie?
Weeral schudde ik mijn hoofd. Waar haalde ik deze onzin vandaan? Ik geloofde mijn vader toch zeker niet. De sneeuw moest toch ooit smelten? Het kon toch nooit zo blijven? Ik staarde naar buiten, naar boven, naar de lucht. Die zat vol met wolken. De zon kon ik nergens zien. Waar was die zon als je hem nodig had? Waarom bleven er maar vlokjes sneeuw naar beneden dwarrelen? Zat er niet al sneeuw genoeg op de grond? Ik balde mijn vuisten en maakte aanstalten het tegen het raam te stoten, maar misschien ging ik mezelf pijn doen. Mijn handen voelden nog steeds ontzettend raar aan.
Nadat ik de foto alweer had weggelegd, ging ik op bed zitten. Ik staarde naar mijn linker handschoen en voorzichtig trok ik hem eruit. Daarna de andere. Mijn handen zagen lijkwit, vooral mijn knokkels. Zo wit dat het bijna eng begon te worden. Ik beet voor de hoeveelste keer op mijn onderlip. Wat was er met me aan de hand? Ik was ontzettend gek aan het worden. Niet ik, maar mijn handen. Ik kon het nauwelijks bewegen zonder handschoenen. Het voelde zo koud aan dat het leek alsof ze bevroren waren. Iets in me zei dat dat niet klopte. Je handen konden niet zomaar, uit het niets, bevriezen. Er moest een reden voor zijn dat mijn handen zo… zo wit zagen. Ik staarde naar mijn vingers en zag duidelijke vlokjes sneeuw in de huid. Ik probeerde het weg te krabben, maar tevergeefs. Het bleef er zitten, terwijl ik wilde dat het wegging.
Opeens verstoorde iets mijn rust. De deur werd opengedaan. Het kraakte zo hard, dat ik het meteen doorhad. Aelila stond daar. Ik stelde mezelf voor niet weer naar haar te snauwen dat ze eerst moest kloppen. Ze bleef stokstijf staan. Ik wilde vragen wat ze moest, maar toen zag ik haar mond openvallen. Ik zag waar haar blik op was gericht. Naar mijn handen!
Ik verborg ze snel achter mijn rug, maar het was natuurlijk al te laat. Ze had het gezien en ging het natuurlijk meteen aan pap vertellen - als ik mijn mond bleef houden. ‘Aelila? Wat-’
‘Jij…’ stamelde Aelila. ‘Wat is er met jouw handen gebeurd? Wat is er met jóu gebeurd?’
Ik keek vlug naar de spiegel om te kijken wat ze bedoelde. Ze had gelijk. Naast mijn blonde lokken hing er een bleek gezicht, bijna net zo wit als mijn handen. Nooit kon ik lang naar mezelf staren, dus keek ik zelf weer weg. Aangezien ik niet goed wist wáár ik moest kijken, keek ik maar recht in de ogen van mijn zusje, die nog steeds haar ogen niet kon geloven. ‘Je bent ziek, Sunny!’
‘Ik ben helemaal niet ziek, ik-’
‘Jawel.’ Nu klonk Aelila wat kalmer. Ze kwam dichterbij en raapte wat kussens op van de grond. Daarna kwam ze naast me op bed zitten. Ze deed haar mond open, maar daarna weer dicht. Mijn zusje wilde wat zeggen, maar blijkbaar toch weer niet. Deze situatie vond ik niet echt gemakkelijk en de ijzige stilte maakte het niet beter op. Dan verbrak ík die maar. Ik keek mijn zusje aan en vroeg wat ik haar altijd al wilde vragen.
‘Waarom luister jij niet naar mam?’
Aelila keek niet op of om. Ze keek naar de tapijt op de grond en frunnikte aan haar kleding. ‘Hoe bedoel je?’
‘Gewoon. Sneeuw is gevaar - sneeuw betekent foute boel. En-’
‘Begin je nu alweer, Sunny?’
‘Sun,’ verbeterde ik haar.
‘Sun,’ herhaalde Aelila mompelend. ‘Hou er toch mee op.’
‘Mam geloofde in magie,’ zei ik en hield mijn hoofd schuin. ‘Dat het voor eeuwig blijft sneeuwen, weet je wel… is… is dat ook magie?’
Aelila fronste. ‘Geloof je naar wat pap zegt? Hij zit alleen maar te dollen.’
Ik keek weg. ‘Maar toch…’
‘Vind je ook dat wij echt niet op mams lijken?’ vroeg ze opeens. Het kwam zo onverwacht. Ze staarde naar de foto van onze moeder en ik volgde haar voorbeeld.
‘Ja, zij heeft geen lelijke sproeten.’ Ik probeerde de sproeten op mijn gezicht weg te krabben, maar het deed pijn en dus stopte ik. Aelila lachte, maar toen zag ze mijn handen. Ik hoorde haar adem stokken. Ze hield mijn hand vast en wreef eroverheen.
‘Wat… wat is er met je handen gebeurd?’
‘Ik… ik weet niet, ik…’ Ik probeerde mijn hand weg te trekken, maar ze hield het klemvast.
‘Het zijn mini vlokjes,’ merkte Aelila op. ‘Ze zitten in je huid!’
‘Ik weet het!’ riep ik uit.
Toen werd er op de deur gebonsd. ‘Wat is dit voor herrie?’ hoorden we onze vader roepen. We antwoordden niet. Daarna hoorden we sloffende voetstappen. Meneer Reilly was weggelopen.
‘Hoe kan dat?’ vroeg Aelila, terwijl ze nog steeds naar mijn hand staarde.
‘Ik weet het niet.’
‘Heb je daarom handschoenen aan?’ Aelila keek me vragend aan. Ik voelde me betrapt. Ik knikte langzaam.

Verbaasd keek mevrouw Andreas even opzij, naar zijn zoon, maar concentreerde zich vlak daarna weer op de weg.

Volgens mij moet het haar zoon zijn xD
En nog iets, hoe kan Aelila een half jaar jonger dan Sun zijn? Want dat klopt geloof ik niet met de zwangerschap, etc.

Verder vind ik het een heel leuk verhaal, ik zou alleen wel graag willen weten hoe oud de personages zijn.

Heel gaaf verhaal, ik ben erg benieuwd naar de rest!

Bedankt! Ik heb de foutjes er snel uitgehaald, Aelila moest anderhalf jaar jonger zijn ^^

Chapter 5
De ogen van meneer Danoor schoten van links naar rechts. Er waren maar vijfentwintig burgemeesters gekomen naar de vergadering, de burgemeesters van de belangrijkste steden. Allemaal zaten ze in een rijtje keurig naast elkaar met ieder een klein tafeltje met een naambordje erop, waar hun naam op stond. Voor hen zat meneer Danoor, de burgemeester van de hoofdstad Ziaka, de machtigste man van heel Eori, omdat er geen koning was. Niet eens een president. Geen koninkrijk en ook geen republiek.
‘Wat kunnen we er tegen doen, Uwe Hoogheid?’
Danoor zuchtte diep en keek een man met een klein snorretje. Tussen alle anderen viel hij het meeste op, hoogstwaarschijnlijk vanwege zijn snor, maar ook door zijn hoedje. Hij is de enige van alle burgemeesters met iets op zijn hoofd. Het maakte hem Mexicaans, maar hij was afkomstig van Spanje. Hoewel Danoor dondergoed de naam wist van deze burgemeester, sloeg hij zijn ogen neer naar zijn naambordje. Hij moest zijn ogen samenknijpen om de kleine letters te kunnen lezen. Melchro Silvestre, las hij. De burgemeester van de stad Orlando.
Danoor snoof. ‘Ik wil eerst weten in welke stad het nog steeds vriest.’
Het bleef stil in de vergaderzaal. Iedereen keek meneer Danoor zorgelijk aan. Meneer Lerveen, de burgemeester van Leigh die hem eerder gebeld had, stak twijfelend zijn hand op. ‘Ik vrees dat het overal vriest,’ stamelde hij.
‘Overal?’ Danoor’s mond vormde een streep. Weeral zuchtte hij. Verslagen sloeg hij zijn ogen neer. ‘Hoe kan dat nou?’
‘We weten het niet,’ zei Johannes Edinburgh. Hij was de burgemeester van Venen en had een superklein brilletje op. Johannes kon vaak heel wijze dingen zeggen. ‘Het is waarschijnlijk een vloek, meneer de burgemeester.’
‘Een vloek,’ mompelde Danoor, meer tegen zichzelf dan tegen de rest.
‘Waarschijnlijk is Eori betoverd door een vloek, waardoor het niet ophield met vriezen,’ ging meneer Edinburgh door. ‘Een vloek kun je altijd weer opheffen. Tenminste, als ik die sprookjesboeken kan geloven…’
Danoor zag hoe Lerveen iets in de oor van Johannes fluisterde. Die fluisterde weer wat in de oor van Melchro Silvestre en die weer naar de burgemeester daarnaast. Zo ging dat de hele tijd door, totdat iedereen had gefluisterd. Danoor keek iedereen één voor één nors aan toen ze allemaal zwegen en naar hem keken. ‘Wat heeft dit te betekenen?’
‘Niets,’ zei Richard, de burgemeester van Wijgenen, snel. ‘We hebben alleen een idee hoe we deze vloek kunnen opheffen, meneer.’
Meneer Danoor ging meteen rechter overeind zitten. ‘Hoe dan?’
Hij zag hoe de burgemeesters wanhopig naar elkaar keken en daarna weer naar hem. ‘Nou, eh… Johannes had een idee,’ zei Lerveen en wees snel naar Johannes Edinburgh.
‘Ik heb laatst een boek gelezen, meneer,’ zei die. ‘Dat speelde zich af in een land waar het voor altijd bleef vriezen. Iedereen was radeloos. Maar de vloek kon opgeheven worden door iemand die eh…’
‘Die wat?’
‘Die de gave heeft.’
‘Welke gave?’ vroeg Danoor nieuwsgierig.
‘De gave heeft een moeilijke naam, die kon ik niet onthouden, meneer. Maar met de gave kon diegene alles weer laten ontdooien. Het is eigenlijk hartje lente, meneer. Als u de juiste vindt, kunnen we weer met volle teugen genieten van de lenteweer zoals vorig jaar.’
Meneer Danoor keek hem norser aan dan ooit tevoren en stond toen op. ‘En ik ben zeker Sinterklaas!’ riep hij. ‘Geloven jullie die waanzin?!’ Hij greep naar zijn koffertje, die hij overal mee naartoe nam en verliet de vergaderzaal. Hij ging terug naar zijn kantoortje. Achter zich hoorde hij nog steeds de burgemeesters fluisteren, die blijkbaar een idee hadden. Maar meneer Danoor deed alsof hij niets hoorde en sloot de deur keihard achter zich dicht. Zo liet hij de rest achter, maar die waren alleen nog met elkaar bezig.
‘Hoe heet die gave nou, Johan?’ siste meneer Lerveen.
Iskaldt,’ zei Johannes Edinburgh. 'Dat is Noors voor ‘vrieskou’. ’
‘Waarom zei je dat niet gewoon tegen Danoor?’ vroeg Melchro.
‘Nou ja, ik zag toch aan zijn gezicht dat hij het niet geloofde? Hij vond het allemaal onzin. Waarschijnlijk zou hij denken dat ik Iskaldt ter plekke verzon.’
‘Goed,’ zuchtte Richard, die alles even op een rijtje wilde zetten. ‘De situatie in Eori lijkt dus op een situatie in een boek. We moeten iemand vinden met de gave Iskaldt, maar hoe vinden we diegene dan? Ik denk niet dat de inwoners in Eori dit gaan geloven, Johannes.’
Nu was het de beurt van Johannes om diep te zuchten.

‘Darling?’ vroeg Ala en keek haar man verbaasd aan. ‘Ik dacht dat je een vergadering had.’
‘Ja,’ zuchtte Danoor. ‘Had.’ Langs zijn vrouw liep hij naar zijn kantoor. Ala keek hem nog steeds verbaasd na. Geen kusje, geen knuffel, niets. Zo was ze Danoor niet gewend. Al zijn piekhaartjes vlogen in het rond en zwierden met hem mee toen hij naar zijn kantoor stampvoette. Ala keek nog even naar de deur van zijn kantoortje die hij achter zich sloot, maar daarna liep ze weer naar de keuken. ‘Hou maar op, Wietske,’ zei Ala tegen het dienstmeisje dat aan het koken was. Wietske keek Ala verbaasd aan.
‘Ik ga koken.’ Zachtjes duwde ze Wietske’s armen opzij en ging zelf aan het werk. Wietske bleef even staan kijken, maar toen verliet zij de keuken. Ala wilde een warme maaltijd voor haar man maken, zijn favoriete maaltijd. Hopelijk klaarde hij daar wat van op, dacht Ala.