De explosie

[size=14pt][size=14pt]1[/b][/center]

Verbaasd zette ik de radio wat harder. De stem van de nieuwslezer klonk nu duidelijker door de ruimte.
‘De minister-president heeft net verkondigd dat er in het luchtruim van ons land voor ons onbekende vliegtuigen zijn gezien. Wij hebben de minister-president nu aan het woord.’
Even klonk er niets. Toen hoorde ik de minister-president, John Verhulst.
‘Zoals net al werd gezegd, zijn er vanochtend vroeg voor ons onbekende vliegtuigen in het luchtruim van ons land gezien. Blijft u vooral binnen, tenzij het noodzaak is om naar buiten te gaan. Het is voor uw eigen bescherming. Zodra het weer veilig is, laten wij het u weten.’
Binnen blijven? Ja, het was inderdaad zo dat de afgelopen paar dagen de spanningen tussen de Nedergewesten en de GEC, de General European Community, in de wereld waren toegenomen, maar om nou te spreken van “onbekende vliegtuigen” en “binnen blijven”? Het ging een beetje ver. Misschien waren het wel gewoon een paar stuntvliegtuigjes geweest. Ik had überhaupt eigenlijk geen idee waar de spanningen om draaiden, ik wist alleen dat er tussen bepaalde landen sprake was van spionage. Maar ik wist zelfs niet waar dat om ging.
‘Nou, wat een geweldig advies: “blijf binnen, we weten namelijk niet of er wat aan de hand is”.’
Dat kon niemand anders zijn dan mijn oudere broer, Vic. Hij was de meest sarcastische persoon die ik kende.
Mijn moeder kon het niet laten even te reageren: ‘Ik vind het anders behoorlijk verstandig om geduldig te wachten, tot er meer bekend is.’
Zelf vond ik het ook prima even te wachten.
‘Chris, wil je even de tafel dekken?’, vroeg mijn moeder. Eigenlijk heette ik Christina, maar iedereen noemde me Chris. En daar was ik blij mee. Ik was nooit zo’n meisje-meisje geweest dus ik wilde ook niet een meisje-meisje naam.
Gehoorzaam dekte ik de tafel. We aten in stilte, iedereen dacht na over het nieuwsbericht.
Na het eten ging ik naar mijn kamer en ik pakte een boek. Ik hield ervan om te lezen, maar na een paar zinnen klonk mijn moeders stem alweer van beneden.
‘Chris? Kun jij even de koekjes uit de garage halen?’
Geërgerd legde ik mijn boek weg en liep ik naar beneden.
Onze ‘garage’ stond in onze tuin, zo’n twintig meter van ons huis af. In tegenstelling tot de meeste bewoners van onze stad, woonden wij in een groot, vrijstaand huis. Wij waren namelijk rijker dan de gemiddelde stadsbewoners. Mijn vader was de rechterhand van de minister-president. Gek eigenlijk, dat ik niets wist van politiek.
Langzaam liep ik door de tuin naar de garage. Het was eigenlijk een schuilkelder, die ongeveer vijftig jaar geleden door de vorige bewoners was gebouwd. Het was toen namelijk een spannende periode. Er waren enorm veel spanningen tussen landen destijds.
Ik stapte de garage binnen door de deur in de vijftig centimeter dikke betonnen wand. Ook hier stond een radio. Deze was altijd aan. Neuriënd pakte ik de koekjes. Toen hoorde ik een nieuwsbericht op de radio.
‘… vooral binnen. Ik herhaal, blijf vooral binnen. Het is bekend, dat de vliegtuigen die zijn gezien inderdaad verkenningsvliegtuigen waren. Uit welk land weet men nog niet. Wel is een uur geleden nog een vliegtuig gezien, een groter vliegtuig. De regering vermoed dat het om een bommenvliegtuig gaat. Hij vloog naar het zuidwesten van ons land. Ik roep u allen dringend op binnen te blijven. Houd de radio aan. Wij houden u op de hoogte.’
Ik verstijfde. Bommenvliegtuig. Zuidwesten van het land. Ik woonde in het zuidwesten. Ik woonde met mijn familie in het zuidwesten. Ik moest ze halen. Ik moest ze in veiligheid brengen in onze schuilkelder. Maar ik kon niet bewegen. We waren in gevaar en ik was in paniek.
Toen hoorde ik het. Een laag geronk, het geronk van een vliegtuig. Het klonk nu nog ver weg, maar het kon hier binnen vijf minuten zijn. Ik rende naar de garagedeur, door de tuin en struikelde het huis in.
‘Mam, pap, Vic! We moeten naar de schuilkelder. Er is een bommenvliegtuig. Hij is hier binnen vijf minuten. Kom alsjeblieft naar de kelder, schiet op!’
Ik gilde. Ik was doodsbang. Snel sprintte ik terug naar de veilige kelder. Ik wist niet of Vic zou komen. Hij was vast te sarcastisch en hij zou denken dat het vliegtuig over zou vliegen, of dat het überhaupt geen bommenvliegtuig was. Maar mijn ouders zouden zeker komen.
‘Chris doe open! We zien het vliegtuig! Doe open Chris!’, riep mijn vader.
Shit. Ik moest de deur op slot hebben gedaan in mijn blinde paniek en de sleutel zat niet meer in het slot.
‘Ik zie de sleutel niet!’
Ik kroop de garage door. Toen zag ik de sleutel, half onder de kast geschoven. Het geronk was ondertussen zo luid, dat ik mijn ouders niet meer kon horen roepen.
Trillend stak ik de sleutel in het slot. Op het moment dat ik hem wilde omdraaien hoorde ik een hoog fluitend geluid. Het leek een eeuwigheid te duren, maar niet lang genoeg om de sleutel om te kunnen draaien en de deur open te kunnen doen.
Toen kwam de explosie.

Deel 2 van hoofdstuk 1:

Het was een enorme knal, waardoor ik achteruit vloog, tegen de muur van de garage aan. Versuft bleef ik liggen. Ik durfde niet te bewegen, ik durfde niet de garagedeur open te maken. Wie weet wat voor bom het was. Hier was ik veilig.
Maar vlak voor ik bewusteloos raakte drong dit tot me door: voor mijn familie was het te laat.

Later bedacht ik me pas hoeveel geluk ik had gehad. Geluk dat ik de koekjes had moeten halen. Geluk dat de garage een schuilkelder was, die tegen alles kon. Geluk dat wij een rijke familie waren en we dus de schuilkelder konden onderhouden, waardoor ik nu niet, als de bom een atoombom was geweest, bestraald werd. Geluk dat ik in de schuilkelder kon overleven, omdat hier allerlei etenswaren en andere levensmiddelen lagen.
En bovenal: geluk dat ik nu nog leefde.

Maar op dit moment drong dat geluk niet tot me door. Alles deed pijn en mijn nek was stijf. Moeizaam ging ik tegen de muur zitten. Toen ik mijn hoofd tegen de muur aan legde, voelde ik dat er een flinke bult zou komen. Het enige wat ik kon denken was dat ik alleen was. Het werd als een soort mantra herhaald in mijn gedachten. Ik ben alleen, ik ben alleen, ik ben alleen
Ik werd er gek van. Ik wilde niet alleen zijn. Sterker nog, ik kón het niet. Hallo, ik was zestien en ik wist niet of er nog andere overlevenden waren. En of die eigenlijk in de buurt waren. En…

En ik moest naar het toilet.

Hoe ging ik dat nou weer oplossen? Ik durfde niet naar buiten. Nog niet. Ik had geen horloge om, en ik was bewusteloos geweest, maar ik wist vrij zeker dat er nog geen dag voorbij was gegaan. Maar hier in de schuilkelder was ook geen mogelijkheid.
Ik besloot om het op te houden zolang het kon en ook om zo weinig mogelijk te drinken.
Ik voelde tranen branden achter mijn ogen. Waarom moest dit alles mij nou overkomen? En dan te bedenken dat ik vlak voor het bombardement nog boos was op mijn moeder. Nee Chris, je gaat niet huilen. Je moet bedenken hoe je uit deze situatie moet komen. En toen schoot het me te binnen. Was er niet een raam in de schuilkelder?

Verder!!