d, t of dt ??

wie kan mij uitleggen wanneer je d, dt of t moet doen?
ik begrijp wel 1 ding met txkfschp:
dat geld alleen in de verleden tijd en als een van die letters aan het eind van een woord zit moet je t doen.

google het ajb
dit is teveel typewerk

je vervoegd zo;
ik loop
jij loopT

ook als een ww op een d eindigt;
ik antwoord
jij antwoordT

maar als ‘jij’ achter het ww komt, ( antwoord jij? ) dan komt er geen t achter. maar dat onthoud ik altijd door het ww te vervangen door een ww dat niet op een d eindigt.
dat bedoel je toch XD?

http://www.cambiumned.nl/spellingww.htm
Hier staat het vast op :’)
Of anders staat het wel ergens in je Nederlands boek

http://cms.qlictonline.nl/users/tormentil_08tj/images/Buttons/wwschema.gif

En staat dit niet gewoon ergens achterin je nederlandsboek?

ach dat snap ik ook niet
trek het je niet aan en gok erop los.

neem een werkwoord bijvoorbeeld SMURFEN.

1ste persoon: Stam
2de persoon: Stam + t tenzij jij/je achter het werkwoord zoals ; smurf je?
3de persoon: Stam + t

Ik denk dat je het wel beter kan leren. Je wordt sneller aangenomen later. Heel goed dat je dat vraagt! Zal ff in kort uitleggen:

Inderdaad:
Ik loop
Jij loopt
hij/zij loopt

ik word
jij wordt << wel t!
hij/zij wordt << ook t!

Maar bij een vragende zin:
Loop ik?
Loop jij?
Loopt hij/zij?

Word ik?
Word jij? << dus geen t!
Wordt hij/zij? << wel t!

en in de verleden tijd komt NOOIT een t erachter.
ik werd
jij werd
enz.

thanks voor de reacties en ik heb ook gegoogled of gegooglet geen idee :stuck_out_tongue:
daar begreep ik heb niet zo :s
en ik kan niet bij mijn boek want boven word of wordt verbouwd :s
(lang verhaal geen zin om te type)
en ik heb ook al erop los gegokt maar het resultaar was een 1 xd
dus nu ga ik het op de saaie manier doen ZzZzzzZ

Neem gewoon fietsen als voorbeeld, dan kan het niet fout gaan…

ik fiets > stam > ik word
jij fietst > stam + t > jij wordt
fiets jij? > stam > word jij?
hij fietst > stam + t > hij wordt

en in de verleden tijd nooit een t.

oh ik snap het ;o
ik wist nooit dat het zo makkelijk was, ik probeer het al sinds groep 6 te begrijpen xd

Bij ons is dat er echt ingestampt op de basisschool, en het is gewoon een automatisme geworden. Ik vind het wel belangrijk dat je dit goed kunt, je wordt gewoon minder serieus genomen als je cv vol spelfouten staat. Maar goed, het is hierboven al uitgelegd, ik hoop dat je het begrijpt.

OTT (tegenwoordige tijd):
je neemt de stam (infinitief - ‘en’, bv. worden → word)
ik = stam (ik word)
jij = stam + t (jij wordt)
= stam als ‘jij/je’ àchter het werkwoord staat (word jij)
hij = stam + t (hij wordt)
wij = infinitief (wij worden)
jullie = infinitief (jullie worden)
zij = infinitief (zij worden)

OVT (verleden tijd):
je neemt de stam (inf - ‘en’, bv. branden → brand)
eindigt dat op K/F/S/CH/P/H, dan is het + te
eindigt dat op een andere letter, + de

voltooid deelwoord (bv. het heeft gebrand)
als je wilt weten of het eindigt op een D of T,
dan neem je de verleden tijd van het werkwoord (bv. stapte),
en dan weet je op wat het eindigt.
praten → praatte → ik heb gepraat
spelen → speelde → ik heb gespeeld
!! als er geen T / D in de OVT zit (bv. liep), dan heeft dit VD een onregelmatige vorm !!

op school leerden wij daar een trucje voor ofzo;

IK drink nooit T xD

Hilarisch:P

het is simpel

je hebt de stam je weet wel… dus zo bijvoorbeeld van worden de stam is

ik word … ( is gewoon de stam niks met dt of t )

bij hij enzo komt er een t achter dat is altijd zo dus ook bij lopen en winkelen dus zo van worden wordt het dus.

hij wordt

en bij lopen is de stam

ik loop ( gewoon de stam niks bijzonders)

en bij de hij vorm komt er een t bij dus :

hij loopt

dus bijvoorbeeld zo… van koken worden praten

ik kook
hij kookt
jij kookt
zij kookt
wij koken
jullie koken
zij koken

snapt u?

en bij verleden tijd is het zo

gewoon je neemt de stam van bijvoorbeeld * makkelijke * werken

de stam = werk dus … ik werk maar het is verleden tijd ( vt ) dus dan komt er te achter… enkelvoud ( ev ) dus het wordt

ik werkte

en zo ook bij hij zij en jij dat wordt ook werkte

maar bij meervoud ( mv ) wordt komt er nog een N achter
dus dan wordt het wij jullie zij werkten

en nou een moeilijker werkwoord : bijvoorbeeld antwoorden

de stam is antwoord… de ik vorm

maar als het verleden tijd woord komt er de of den achter… ligt eraan of het enkelvoud of meervoud is

de ik vorm krijgt de erachter
dus dat wordt dan

ik antwoordde en zo ook bij hij zij en jij

dus

ik antwoordde
jij antwoordde
hij/zij antwoordde

en nu het meervoud je voelt hem al aan komen nu komt er den achter bij wij jullie zij dus nou wordt het

wij antwoordden
jullie antwoordden
zij antwoordden

ik hoop dat je er wat aan hebt als je meer vragen hebt stuur maar een mailtje

oya en je kent het koftschip en zo… dat bepaald dus of het t of d is maar dat weet ik allemaal niet zo goed… ik doe het altijd op me taal gevoel je weet :grinning:

Perfecte uitleg!

:grinning_face_with_smiling_eyes: